Rituals Cosmetics Netherlands B.V. discrimineert een vrouw op grond van geslacht door vrouwelijk winkelpersoneel te verplichten tot het dragen van make-up onder werktijd.

Rituals Cosmetics Netherlands B.V. discrimineert een vrouw op grond van geslacht door vrouwelijk winkelpersoneel te verplichten tot het dragen van make-up onder werktijd.

Oordeelnummer 2022-101
Datum: 29-08-2022
Trefwoord: Arbeidsomstandigheden Geslacht Wettelijke uitzondering Kledingvoorschriften
Discriminatiegrond: Geslacht
Terrein: Arbeid - Arbeidsomstandigheden
Regelingen: Artikel 7:646 lid 4 BW (nieuw) Artikel 7:646 lid 1 BW (nieuw) Artikel 7:646 lid 2 BW (nieuw) Artikel 7:646 BW (nieuw) Artikel 7:646 lid 3 BW (nieuw)

Situatie

Een vrouw werkte van 2019 tot 2021 op basis van een oproepovereenkomst voor Rituals Cosmetics Netherlands B.V. (hierna: Rituals). Zij werkte in een van de winkels van Rituals. Het winkelpersoneel van Rituals moet zich aan een interne stylingrichtlijn houden. De daarin gestelde voorschriften omtrent sieraden, tatoeages, haar en geuren gelden zowel voor mannen als vrouwen. Onderdeel van de stylingrichtlijn is de verplichting zichtbaar de make-up van Rituals te dragen op ogen, lippen en nagels. In de praktijk worden alleen vrouwelijke winkelmedewerkers verplicht zich aan de make-upvoorschriften te houden. Rituals controleert hen hier actief op aan het begin van de werkdag. Mannelijke winkelmedewerkers mogen make-up dragen, maar worden hiertoe niet verplicht.

Volgens de vrouw leidt deze praktijk tot discriminatie op grond van geslacht, omdat Rituals mannelijke en vrouwelijke winkelmedewerkers verschillende verplichtingen oplegt. Rituals is het ermee eens dat zij onderscheid maakt tussen mannen en vrouwen, maar geeft aan daar een goede reden voor te hebben. Volgens Rituals is het onderscheid dat zij maakt namelijk functioneel en noodzakelijk. Bovendien is er een wettelijke uitzondering van toepassing. Rituals benadrukt ook dat zij graag een diverse en inclusieve cultuur wil stimuleren binnen het bedrijf, met gelijke kansen voor iedereen.

Beoordeling

Het staat een werkgever vrij om voorschriften te stellen over de representativiteit van het personeel, maar die vrijheid wordt begrensd door het verbod op discriminatie. Zo mag een werkgever geen onderscheid maken tussen mannen en vrouwen bij de arbeidsomstandigheden. De interne stylingrichtlijn van Rituals, en daarmee de verplichting voor vrouwen om make-up te dragen, valt onder het begrip arbeidsomstandigheden.

Direct onderscheid

Partijen zijn het erover eens dat de stylingrichtlijn er in de praktijk voor zorgt dat vrouwelijke werknemers verplicht worden om make-up te dragen tijdens het werk, en mannelijke werknemers niet. Die verplichting houdt direct verband met geslacht, en daarom oordeelt het College dat hier sprake is van direct onderscheid op grond van geslacht.

Het College heeft echter in eerdere oordelen over kledingvoorschriften bepaald dat die voorschriften buiten het bereik van de wetgeving over discriminatie vallen als zij noodzakelijk en functioneel zijn, en niet in de weg staan aan de toegang voor vrouwen tot de arbeidsmarkt. Het College acht het wenselijk om die aspecten ook bij deze make-upvoorschriften mee te wegen, zij het in aangepaste vorm. Daarbij sluit het College aan bij de nationale rechtspraak. De nationale rechter weegt namelijk ook verschillende omstandigheden mee als hij de voorschriften die een werkgever aan zijn personeel stelt beoordeeld.

De omstandigheden bij deze zaak

Het College neemt de volgende omstandigheden mee bij de beoordeling: noodzakelijkheid voor een deugdelijke uitoefening van de functie, de maatschappelijke opvattingen, de klantenkring waarop de organisatie zich primair richt, de aard van de organisatie en de functie van de werknemer. Wat betreft de noodzakelijkheid van het voorschrift overweegt het College dat het dragen van make-up niet strikt noodzakelijk is voor een deugdelijke uitoefening van de functie. Het winkelpersoneel kan immers ook zonder make-up te dragen over producten van Rituals adviseren en deze verkopen. Mannelijk winkelpersoneel doet dit ook al. Met betrekking tot de maatschappelijke opvatting acht het College van belang dat vrouwen vaker make-up dragen dan mannen. Bezien vanuit de maatschappelijke opvatting en de klantenkring van de Rituals, acht het College het dan ook begrijpelijk dat Rituals juist het vrouwelijk winkelpersoneel vraagt reclame te maken voor Rituals make-up. Rituals verkoopt de make-upproducten immers voornamelijk aan vrouwen. Waar het gaat om de functie van de werknemer en de aard van de organisatie overweegt het College het volgende. Rituals is een cosmeticabedrijf, maar partijen zijn het erover eens dat het assortiment slechts voor een klein deel uit make-upproducten bestaat. In de winkels verkoopt en presenteert Rituals alleen de bestsellers op make-upgebied. Het vrouwelijk winkelpersoneel verkoopt dus overwegend andere producten dan make-up artikelen.

Tegelijkertijd zorgt het make-up voorschrift van Rituals ervoor dat het vrouwelijk winkelpersoneel zwaarder belast wordt dan het mannelijk personeel, in uiterlijk opzicht althans. Vrouwen moeten zich immers voorafgaand aan het werk opmaken. Rituals controleert het vrouwelijk personeel hierop en verlangt van hen dat zij alsnog (andere) make up opdoen als dit niet naar behoren wordt bevonden. Voor mannen geldt dit allemaal niet.

Conclusie

De vraag is of deze zwaardere belasting gerechtvaardigd is in het licht van de hierboven genoemde omstandigheden. Het College oordeelt dat dat niet zo is; gezien het kleine aandeel dat make-up in het assortiment van Rituals inneemt, is de zwaardere belasting van het vrouwelijk winkelpersoneel in vergelijking tot het mannelijke winkelpersoneel niet gerechtvaardigd. Het College komt dan ook tot de conclusie dat dit make-up voorschrift niet noodzakelijk en functioneel is. Daarmee valt het door Rituals gemaakte direct onderscheid op grond van geslacht binnen het bereik van de wetgeving over discriminatie.

Uitzondering?

Tot slot oordeelt het College nog over de door Rituals aangevoerde wettelijke uitzondering. De wettelijke uitzondering is in dit geval alleen van toepassing bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst en bij het geven van instructies en voorlichting over de werkzaamheden. Het gaat in deze zaak echter over de arbeidsomstandigheden. Daarom is de wettelijke uitzondering niet van toepassing. Dat betekent dat het gemaakte onderscheid tussen mannen en vrouwen in dit geval verboden is.

Oordeel

Rituals Cosmetics Netherlands B.V. heeft verboden onderscheid gemaakt jegens de vrouw op grond van geslacht.

 


Oordeel
2022-101



Datum: 29 augustus 2022
Dossiernummer: 2021-0728



Oordeel in de zaak van

[. . . .]
wonende te [. . . .], verzoekster

tegen

Rituals Cosmetics Netherlands B.V.
gevestigd te Amsterdam, verweerster
 

1 Verzoek

Verzoekster vraagt het College om te beoordelen of verweerster verboden onderscheid op grond van geslacht bij de arbeidsomstandigheden maakt door het dragen van de door verweerster verkochte make-up onder werktijd voor vrouwelijke medewerkers verplicht te stellen.
 

2 Verloop van de procedure

2.1 Het College heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • verzoekschrift van 30 november 2021, ontvangen op dezelfde datum;
  • verweerschrift van 9 mei 2022;
  • productie van verweerster van 5 juli 2022.

2.2 Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juli 2022. Partijen zijn verschenen. Verweerster werd vertegenwoordigd door mr. M. Bouman, advocaat te Amsterdam, die werd vergezeld door [. . . .], Head of House of Rituals, en bijgestaan door [. . . .], Head of HR Benelux van verweerster.
 

3 Feiten

3.1 Verweerster is een cosmeticabedrijf dat onder andere luxueuze hygiëneproducten verkoopt.

3.2 Verzoekster heeft in 2019 en 2020 in de aanloop naar de kerst bij een vestiging van verweerster gewerkt. Vanaf 1 juli 2020 tot en met 30 juni 2021 heeft zij als winkelmedewerker op basis van een oproepovereenkomst voor verweerster gewerkt. Gemiddeld werkte zij ongeveer twee dagen per week voor verweerster.

3.3 Alle winkelmedewerkers bij verweerster moeten zich aan de interne stylingrichtlijn (de ‘Styling Standards’) houden. De daarin gestelde voorschriften omtrent sieraden, tatoeages, haar en geuren gelden zowel voor mannen als vrouwen. Onderdeel van de stylingrichtlijn is de verplichting zichtbaar de make-up van verweerster te dragen op ogen, lippen en nagels. In de praktijk worden enkel vrouwelijke winkelmedewerkers verplicht zich aan de make-upvoorschriften te houden. Mannelijke winkelmedewerkers mogen make-up dragen, maar worden hiertoe niet verplicht.

3.4 Op 16 juni 2021 heeft verzoekster met het Hoofd HR Benelux gesproken over de stylingrichtlijn, naar aanleiding van een door verzoekster verstuurde brief over dit onderwerp.

3.5 De stylingrichtlijn is in 2022 aangepast. Zo zijn de regels voor tatoeages versoepeld en mag er minder opvallende make-up gedragen worden.
 

4 Standpunt verzoekster

Verzoekster stelt dat verweerster discrimineert op grond van geslacht, door de stylingrichtlijn te hanteren. In de praktijk leidt dit er namelijk toe dat vrouwelijke winkelmedewerkers onder werktijd verplicht worden lippenstift, mascara, nagellak en foundation te dragen. Als een onderdeel daarvan mist, wordt de medewerkster voor begin van de dienst opgedragen alsnog aan de stylingrichtlijn te voldoen. Mannelijke medewerkers wordt daarentegen
slechts gevraagd een verzorgd uiterlijk te hebben.
 

5 Standpunt verweerster

Verweerster betwist dat de binnen haar bedrijf geldende stylingrichtlijn leidt tot verboden onderscheid op grond van geslacht. Dat sprake is van onderscheid tussen mannen en vrouwen erkent verweerster, maar dit onderscheid is niet verboden. Er is immers sprake van een wettelijke uitzondering. Bovendien is het onderscheid noodzakelijk en functioneel, en belemmert het de gelijke kansen voor mannen en vrouwen bij de toegang tot arbeid niet. Het onderscheid is noodzakelijk omdat de medewerkers in de winkels van verweerster representatief dienen te zijn voor
het merk en de producten daarbinnen. Ook wijst verweerster op de wereldwijde uniformiteit van haar winkels. Door wereldwijd een ‘Brand Manual’ te hanteren kan verweerster garanderen dat zowel de inrichting van de winkels als de uitstraling van de medewerkers over de hele wereld hetzelfde is. Het bezoeken van een winkel van verweerster is een ervaring die past binnen de filosofie van het bedrijf, waarmee verweerster zich onderscheidt van een parfumerie of lokale drogisterij. Wat betreft de functionaliteit voert verweerster aan dat 80% van haar klanten vrouw is, net als 96% van het winkelpersoneel. Make-up wordt meestal door vrouwen gedragen. Het vrouwelijke winkelpersoneel dient dan ook als model voor de make-up producten van verweerster. Tot slot voert verweerster aan dat haar beleid de gelijke kansen voor mannen en vrouwen bij de toegang tot arbeid niet in de weg staat.
Verweerster werkt aan een neutrale werving en selectie om een zo divers mogelijk personeelsbestand aan te trekken. Bovendien is er ruimte voor maatwerk op het moment dat iemand om medische redenen niet kan voldoen aan de stylingrichtlijn. Verweerster wil graag een diverse en inclusieve cultuur stimuleren, met gelijke kansen voor iedereen. Dat de stylingvoorschriften van verweerster vrouwen niet verhinderen om bij haar te werken blijkt alleen al uit het feit dat haar winkelpersoneel voor het overgrote merendeel uit vrouwen bestaat.
 

6 Beoordeling

Juridisch kader
6.1 In artikel 7:646, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de werkgever geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen bij de arbeidsomstandigheden. De interne stylingrichtlijn, op basis waarvan vrouwen verplicht worden make-up te dragen, valt onder het begrip arbeidsomstandigheden.

6.2 Onder onderscheid wordt verstaan direct en indirect onderscheid. Direct onderscheid doet zich voor als een persoon op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld, op grond van geslacht. Er is sprake van indirect onderscheid indien een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een bepaald geslacht staat in vergelijking met andere personen bijzonder treft (artikel 7:646, vijfde lid, van het BW).

6.3 Het College stelt voorop dat het een werkgever vrij staat om kledingvoorschriften voor zijn (winkel)personeel te hanteren (zie in dit verband onder meer artikel 7:660 BW). Deze vrijheid wordt echter onder andere begrensd door
de gelijkebehandelingswetgeving. Die bepaalt dat, behoudens uitzonderingen, geen onderscheid mag worden gemaakt op een van de door die wetgeving beschermde gronden.

Is er sprake van direct onderscheid?
6.4 In de stylingrichtlijn die verweerster hanteert wordt op zich geen onderscheid gemaakt op grond van geslacht. Tussen partijen is echter niet in geschil dat verweerster de richtlijn in de praktijk zo toepast dat vrouwelijke werknemers verplicht worden om make-up te dragen tijdens het werk, terwijl deze verplichting niet voor mannelijke werknemers geldt. Aangezien het wel of niet hanteren van de verplichting rechtstreeks verband houdt met geslacht, is het College van oordeel dat verweerster hierdoor direct onderscheid op grond van geslacht maakt.

6.5 Het College en zijn voorganger, de Commissie Gelijke Behandeling (CGB), hebben in het verleden al vele malen oordelen gegeven over de representativiteitseisen die werkgevers stellen aan hun personeel. Veelal ging het dan om door werkgevers gehanteerde kledingvoorschriften. De vaste oordelenlijn van de CGB en het College is dat bij kledingvoorschriften niet ieder onderscheid in uniformen, bedrijfskleding of kledingvoorschriften per definitie in strijd is met de gelijkebehandelingswetgeving. Zo mag er rekening gehouden worden met de fysieke verschillen die in zijn algemeenheid tussen mannen en vrouwen bestaan (zie bijvoorbeeld CGB 25 mei 2010, 2010-80, overweging 3.6). Het kledingvoorschrift moet dan wel noodzakelijk en functioneel zijn, en niet in de weg staan aan de toegang voor vrouwen tot de arbeidsmarkt (zie bijvoorbeeld CGB 25 april 2006, 2006-78, overweging 3.8). Als aan deze voorwaarden is voldaan blijft het kledingvoorschrift buiten het bereik van de gelijkebehandelingsnormen.

6.6 Het College stelt vast dat de fysieke verschillen tussen mannen en vrouwen niet dezelfde rol spelen bij kledingvoorschriften als bij make-up voorschriften, waar het in de onderhavige zaak om gaat. Desondanks acht het College het wenselijk om, analoog aan de beoordeling van kledingvoorschriften, ook waar het om make-up voorschriften gaat, de noodzakelijkheid en functionaliteit van het voorschrift mee te wegen bij het oordeel. In dat verband acht het College relevant dat ook in de oordelen over (verschillen in) kledingvoorschriften nimmer is uitgesproken dat alleen de verschillen in lichaamsvormen tussen mannen en vrouwen bepalend kunnen of mogen zijn voor het antwoord op de vraag of een verschil in kleding tussen mannen en vrouwen buiten het bereik van het verbod van onderscheid blijft. In de rechtspraak worden verschillende eisen meegewogen als beoordeeld wordt of de eisen die een werkgever stelt redelijk en billijk zijn. Concrete omstandigheden die in de rechtspraak worden genoemd als zijnde van belang, zijn onder meer: de vraag of de eisen noodzakelijk zijn voor een deugdelijke uitoefening van de functie, de maatschappelijke opvattingen, de klantenkring waarop de organisatie zich primair richt, de aard van de organisatie en de functie van de werknemer (zie bijvoorbeeld: Rechtbank Haarlem 24 september 2010, ECLI:NL:RBHAA:2010:BO2066 en Rechtbank Utrecht 26 juni 2007, zaaknr. 524581, overweging 3.4). Het College sluit bij deze uitleg aan en zal deze elementen hieronder meenemen bij het beoordelen van de noodzakelijkheid en functionaliteit van het make-up voorschrift zoals gehanteerd door verweerster.

6.7 Het College overweegt dat de gestelde eisen met betrekking tot make-up niet in absolute zin noodzakelijk zijn voor een deugdelijke uitoefening van de functie. Ook zonder make-up te dragen kan het winkelpersoneel immers over producten van verweerster adviseren en deze verkopen. Hoogstens kan worden gesteld dat winkelpersoneel zonder make-up in een wat mindere mate als ‘levende tentoonsteller’ (in de woorden van verweerster: ‘brand ambassador’) van dit deel van het productassortiment van verweerster fungeert. Maar dat geldt evenzeer voor het mannelijk winkelpersoneel waarbij verweerster kennelijk niet de noodzaak ziet een verplichting te hanteren voor een deugdelijke uitoefening van de functie.
 
6.8 Met betrekking tot de maatschappelijke opvattingen stelt het College als feit vast dat vrouwen (veel) vaker make-up dragen dan mannen. Dat feit beschouwt het College als een uitdrukking van de huidige maatschappelijke opvattingen over het gebruik van make-up: voor vrouwen is het dragen daarvan gebruikelijk en voor mannen niet. Daarbij merkt het College wel op dat voor maatschappelijke opvattingen geldt dat deze plaats- en tijdgebonden zijn. Het is dus denkbaar dat het College hierover in de toekomst anders oordeelt (zie bijvoorbeeld Gerechtshof Den Haag 28 december 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2552, overweging 5.11, m.b.t. verschuivende maatschappelijke opvattingen over tatoeages). Het feit dat verweerster van het vrouwelijk winkelpersoneel verlangt make-up te dragen, om reclame te maken voor haar producten, en het mannelijke personeel niet, acht het College daarom in beginsel begrijpelijk, bezien vanuit de maatschappelijke opvattingen en de klantenkring waarop verweerster zich primair richt. Verweerster heeft immers overtuigend aangevoerd dat het vooral vrouwen zijn die in haar winkels make-up kopen.

6.9 Het make-up voorschrift van verweerster heeft echter wel tot gevolg dat het vrouwelijke winkelpersoneel in uiterlijk opzicht zwaarder belast wordt dan het mannelijke winkelpersoneel. Vrouwen moeten zich voorafgaand aan het werk opmaken. Ook controleert verweerster het vrouwelijk personeel hierop en verlangt van hen dat zij alsnog (andere) make up opdoen als dit niet naar behoren wordt bevonden. Mannen hoeven zich niet voor het werk op te maken. Zij mogen dit wel, maar worden hierop niet gecontroleerd of aangesproken als zij zich niet opmaken.
De vraag is of deze zwaardere belasting gerechtvaardigd is vanwege de noodzakelijkheid en functionaliteit van het make-up voorschrift. Daarbij acht het College de functie van de werknemer en de aard van de organisatie van verweerster van belang. Verweerster is weliswaar een cosmeticabedrijf, maar partijen zijn het erover
eens dat het assortiment van verweerster slechts voor een klein deel uit make-upproducten bestaat. “Body”-producten, “home”-producten en parfum maken het merendeel van het assortiment uit. Ter zitting is duidelijk geworden dat wat betreft make-up in de fysieke winkels van verweerster slechts de bestsellers worden verkocht en gepresenteerd. Het vrouwelijk winkelpersoneel verkoopt dan ook overwegend andere producten dan make-up artikelen. Het College oordeelt dat gezien het kleine aandeel dat make-up in het assortiment van verweerster inneemt, de zwaardere belasting van het vrouwelijk winkelpersoneel in vergelijking tot het mannelijke winkelpersoneel niet gerechtvaardigd is. Het College komt dan ook tot de conclusie dat dit make-up voorschrift niet noodzakelijk en functioneel is. Daarmee valt het door verweerster gemaakte direct onderscheid op grond van geslacht binnen het bereik van de gelijkebehandelingsnorm van artikel 7:646, eerste lid, BW.

Is een wettelijke uitzondering van toepassing?
6.10 Ten aanzien van de vraag of het directe onderscheid is verboden, overweegt het College als volgt. Direct onderscheid op grond van geslacht is toegestaan indien een wettelijke uitzondering van toepassing is. In artikel 7:646, tweede lid, BW is bepaald dat van het verbod van direct onderscheid op grond van geslacht mag worden afgeweken in gevallen waarin het geslacht bepalend is. Deze uitzondering is beperkt tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst en het verstrekken van onderricht. Het College is van oordeel dat de uitzondering van artikel 7:646, tweede lid, BW in het onderhavige geval niet van toepassing is omdat het onderscheid betrekking heeft op de arbeidsomstandigheden en niet op het aangaan van een arbeidsovereenkomst of het verstrekken van onderricht.
Het College komt dan ook niet toe aan toetsing aan artikel 5, derde lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, waarnaar wordt verwezen in artikel 7:646, tweede lid, van het BW. De uitzonderingen genoemd in artikel 7:646, derde lid, van het BW (bescherming van zwangerschap en moederschap) en vierde lid (voorkeursbeleid) zijn evenmin van toepassing. Het College oordeelt dan ook dat het directe onderscheid op grond van geslacht dat verweerster jegens verzoekster heeft gemaakt verboden is.

6.11 Op grond van het vorenstaande komt het College tot de conclusie dat verweerster verboden onderscheid maakt op grond van geslacht door het dragen van make-up onder werktijd voor vrouwelijke winkelmedewerkers verplicht te stellen.
 

7 Oordeel

Rituals Cosmetics Netherlands B.V. heeft verboden onderscheid gemaakt jegens [. . . .] op grond van geslacht.

Aldus gegeven te Utrecht op 29 augustus 2022 door mr. dr. J.P. Loof. voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. Jans, secretaris.

                                              



mr. dr. J.P. Loof                                                                

mr. H. Jans
    
 

Samenvatting oordeel