Stichting GGZ Momentum discrimineerde een man met psychosegevoeligheid niet door hem niet in behandeling te nemen voor verslavingszorg.

Stichting GGZ Momentum discrimineerde een man met psychosegevoeligheid niet door hem niet in behandeling te nemen voor verslavingszorg.

Oordeelnummer 2022-13
Datum: 24-02-2022
Trefwoord: Zorgsector Handicap of chronische ziekte Dienstverlening Toegankelijkheid Aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen en diensten
Discriminatiegrond: Handicap of chronische ziekte
Terrein: Goederen en diensten - Overige
Regelingen: Wet gelijke behandeling handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ) Artikel 5b WGBH/CZ Artikel 1 WGBH/CZ
Situatie

Stichting GGZ Momentum biedt alleen verslavingszorg in groepen. Een man met een psychosegevoeligheid meldt zich bij Momentum aan voor behandeling van zijn verslavingsproblematiek. Naar aanleiding van de aanmelding neemt Momentum contact op met de man. In dit gesprek komt de psychosegevoeligheid voor het eerst ter sprake. Momentum geeft aan dat intern moet worden overlegd of zij de man kan toelaten tot het behandelprogramma. Na intern overleg besluit Momentum om hem niet toe te laten. Na mededeling van de afwijzing volgt een herbespreking van de casus. De herbespreking leidt tot dezelfde uitkomst. Momentum neemt de man niet in behandeling. De man meent dat hij wordt gediscrimineerd op grond van handicap of chronische ziekte.

Beoordeling

Het College stelt in de eerste plaats vast dat de psychosegevoeligheid van de man een handicap of chronische ziekte is in de zin van de gelijkebehandelingswetgeving. De man kan daarom bescherming ontlenen aan deze wetgeving.

Er is sprake van onderscheid wanneer iemand vanwege een handicap of chronische ziekte anders wordt behandeld dan anderen in een vergelijkbare situatie. De psychosegevoeligheid is door Momentum aangemerkt als contra-indicatie. Ook is de periode waarin de man medicatievrij is kort. Er kan ook sprake zijn van een contra-indicatie om andere redenen, zoals een (veel) te laag lichaamsgewicht of ernstig ontregelde suikerziekte.

Het College kan in het kader van het gelijkebehandelingsrecht in beginsel niet beoordelen of het terecht is dat Momentum de situatie van de man als contra-indicatie heeft aangemerkt. Die beslissing is namelijk zodanig verweven met de expertise en ervaring van de behandelaars dat dit buiten het bereik van het gelijkebehandelingsrecht valt. Uit de WGBH/CZ volgt ook geen verplichting om een bepaalde behandeling aan te bieden of expertise te ontwikkelen.

Het College kan wel beoordelen of de man op grond van een handicap of chronische ziekte anders is behandeld dan mensen met een andere (mogelijke) contra-indicatie bij de wijze waarop Momentum tot haar beslissing is gekomen. Daarvoor is bepalend of verweerster de aanvraag op dezelfde manier heeft behandeld en daarbij dezelfde stappen heeft doorlopen. Dit is het geval. Momentum vermeldt op haar website dat zij mensen met een psychotische stoornis niet in behandeling neemt. Het College stelt vast dat Momentum, ondanks die vermelding, heeft gekeken naar de specifieke, individuele omstandigheden van de man, zoals zij dat ook doet bij andere (mogelijke) contra-indicaties. Naar aanleiding van de aanmelding, de medische informatie uit de verwijsbrief en twee interne overleggen is Momentum tot de conclusie gekomen dat zij, gegeven haar aanbod, niet de hulp kan bieden die passend is voor de man. De uitsluiting is niet categorisch geweest en evenmin is de man anders behandeld dan anderen met een andere (mogelijke) contra-indicatie. Daarom heeft Momentum de man niet gediscrimineerd.

Oordeel

Stichting GGZ Momentum heeft jegens de man geen verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte gemaakt.


Oordeel
2022-13


Datum: 24 februari 2022

Dossiernummer: 2021-0451


Oordeel in de zaak van

[. . . .]
wonende te [. . . .], verzoeker

tegen

Stichting GGZ Momentum
gevestigd te Veldhoven, verweerster


1 Verzoek

Verzoeker vraagt het College om te beoordelen of verweerster verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte heeft gemaakt door hem vanwege zijn psychosegevoeligheid geen toegang te verlenen tot de door haar aangeboden verslavingszorg in groepen.


2 Verloop van de procedure

2.1 Het College heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • verzoekschrift van 21 juli 2021, ontvangen op die datum;
  • e-mail van verzoeker van 9 augustus 2021;
  • e-mail van verzoeker van 24 augustus 2021;
  • verweerschrift van 8 november 2021, ontvangen op die datum;
  • e-mail van verzoeker van 24 november 2021.

2.2 Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2021. Partijen zijn verschenen. Verzoeker werd vergezeld door [. . . .], zijn vader, en bijgestaan door [. . . .], klinisch psycholoog. Verweerster werd vertegenwoordigd door [. . . .], psychiater/psychotherapeut, en mr. dr. L.A.P. Arends, advocaat te Nijmegen.


3 Feiten

3.1 Verzoeker heeft een psychosegevoeligheid. Hij heeft in 2018 voor het eerst een psychose doorgemaakt en staat sindsdien onder behandeling bij Pro Persona GGZ (hierna: Pro Persona). Bij verzoeker is ook sprake van verslavingsproblematiek. Pro Persona heeft verzoeker voor behandeling van zijn verslaving(en) en de achterliggende problematiek daarvan doorverwezen naar verweerster. Verweerster vermeldt op haar website dat zij mensen met een psychotische stoornis niet in behandeling neemt.

3.2 Op 21 februari 2021 neemt verzoeker contact op met verweerster. Op 25 februari 2021 vindt een telefonisch gesprek plaats tussen verzoeker en een medewerker van verweersters patiëntenadministratie. In dit gesprek komt verzoekers psychosegevoeligheid voor het eerst ter sprake. Daarop besluit verweerster dat, vanwege de psychosegevoeligheid, intern moet worden overlegd of verzoeker kan deelnemen aan het behandelprogramma in groepen.

3.3 Op 5 maart deelt verweerster aan verzoeker mede dat hij op dat moment niet in aanmerking komt voor behandeling. Na contact tussen verzoekers behandelaar bij Pro Persona en verweerster, besluit verweerster verzoekers casus opnieuw te bespreken in een multidisciplinair overleg (‘MDO’). Het MDO besluit dat verzoeker niet in behandeling kan worden genomen. Dit besluit wordt op 24 maart 2021 telefonisch aan verzoeker toegelicht.


4 Standpunt verzoeker

Verzoeker stelt dat verweerster hem discrimineert op grond van handicap of chronische ziekte. Hij kan de behandelingen van verweerster goed aan en zou er veel baat bij hebben. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat mensen met psychosegevoeligheid heftige, stressopwekkende behandelingen even goed aankunnen als mensen die niet psychosegevoelig zijn.


5 Standpunt verweerster

Verweerster weerspreekt dat zij verzoeker heeft gediscrimineerd. Daarnaast heeft verweerster, gelet op de kans van herhaling van een psychose, op goede gronden een medisch-inhoudelijke afweging gemaakt.


6 Beoordeling

6.1 Het is verboden om onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte te maken bij het aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen of diensten door instellingen die werkzaam zijn op het gebied van gezondheidszorg (artikel 5b, eerste lid, aanhef en onderdeel c, Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ)). Verweerster is als aanbieder van geestelijke gezondheidszorg gehouden aan dit verbod.

6.2 Er is sprake van direct onderscheid wanneer iemand vanwege een handicap of chronische ziekte op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt of zou worden behandeld (artikel 1, aanhef en onderdeel b, WGBH/CZ).

Bevoegdheid
6.3 Uit het gelijkebehandelingsrecht kan voor aanbieders van diensten met inbegrip van dienstverleners in de geestelijke gezondheidszorg geen verplichting worden afgeleid om een dienst met specifieke inhoud aan te bieden of een bepaalde expertise te ontwikkelen. Daardoor zou de dienstverlening kunnen worden uitgebreid naar andere personen of naar een bredere doelgroep. Het College begrijpt het betoog van verzoeker echter zo, dat hij geen oordeel aan het College vraagt vanwege de omstandigheid dat verweerster geen verslavingszorg aanbiedt aan mensen met een psychotische stoornis, maar vanwege de categorische uitsluiting van mensen met een psychosegevoeligheid, waaronder hijzelf, van haar reguliere zorgaanbod. Daarmee is het College bevoegd om een oordeel te geven in deze zaak.

Is sprake van een handicap of chronische ziekte?
6.4 Verzoeker voert aan dat bij hem sprake is van een handicap of chronische ziekte in de zin van de WGBH/CZ. In medisch opzicht is er voor hem een grote kans (70 tot 75%) om nog een keer te ontregelen. Als gevolg van psychoses ervaren mensen vaak een cognitieve achteruitgang, waardoor zij meer moeite krijgen met het verwerken van informatie en zich moeilijker kunnen uitdrukken. Tevens zijn er sociale beperkingen, zoals het minder goed kunnen onderhouden van romantische en vriendschappelijke relaties of het kunnen behouden van een baan.

6.5 Verweerster voert aan dat verzoeker er niet in is geslaagd aan te tonen dat hij een beroep kan doen op de bescherming van de wet. De GGZ Zorgstandaard spreekt pas in de fase vier, de hoogste fase, van chronische klachten. Bij verzoeker is hiervan geen sprake. Volgens de overgelegde medische stukken heeft verzoeker niet te maken met langdurige achteruitgang in functioneren of ernstige, aanhoudende ziekte.

6.6 Niet in geschil is dat verzoeker een psychosegevoeligheid heeft. Zowel het College als zijn voorganger de Commissie Gelijke Behandeling hebben eerder geoordeeld dat psychotische kwetsbaarheid een handicap of chronische ziekte in de zin van de WGBH/CZ is (zie Commissie Gelijke behandeling 8 februari 2012, 2012-29, overwegingen 3.7 en 3.8; en College voor de rechten van de Mens 9 november 2012, 2012-167, overweging 3.9). In hetgeen verweerster heeft aangevoerd, ziet het College geen reden om thans een ander standpunt in te nemen. Daartoe overweegt het College als volgt.

6.7 Het College legt het begrip ‘handicap of chronische ziekte’ in de WGBH/CZ uit in lijn met het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (VN-verdrag handicap), dat voor Nederland in 2016 in werking is getreden. Het doel van de WGBH/CZ is om mensen met een handicap of chronische ziekte – net zoals mensen zonder handicap of chronische ziekte dat kunnen - als volwaardig burger te laten deelnemen in de samenleving en hen daarbij te ondersteunen door te voorzien in de specifieke behoefte die mensen met een handicap of chronische ziekte hebben (Kamerstukken II 2001/02, 28 169, nr. 3, pp. 4-5). Van ‘handicap’ in de zin van het verdrag is in ieder geval sprake als personen langdurig fysieke, mentale, intellectuele of zintuigelijke beperkingen hebben die hen in wisselwerking met diverse drempels kunnen beletten om volledig, effectief en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving. Gelet op het doel van de WGBH/CZ en de omschrijving van het begrip ‘handicap’ in het VN-verdrag handicap overweegt het College dat bij de uitleg van het begrip ‘handicap en chronische ziekte’ in de WGBH/CZ gekeken moet worden naar de sociale belemmeringen die iemand ondervindt als gevolg van zijn aandoening en niet uitsluitend naar de medisch-wetenschappelijke aanduiding daarvan (zie ook College voor de Rechten van de Mens 7 september 2021, 2021-119, overweging 6.3).

6.8 Het College stelt vast dat verzoeker sinds 2018 doorlopend onder behandeling bij Pro Persona is geweest. Daarnaast is onweersproken dat hij sociale belemmeringen ondervindt na het doormaken van een psychose, vanwege de daaruit voortvloeiende psychosegevoeligheid. Verzoeker kan daarom een beroep doen op de bescherming die de WGBH/CZ biedt.

Heeft verweerster verzoeker op een andere wijze behandeld dan een ander?
6.9 Van direct onderscheid is sprake wanneer een persoon op grond van handicap of chronische ziekte op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie (zie ook 6.2).

6.10 Verzoeker voert aan dat zijn psychosegevoeligheid de reden is dat verweerster hem niet in behandeling neemt. Er heersen stereotype ideeën over mensen met psychosegevoeligheid, maar deze kloppen niet voor de groep mensen als geheel en ook niet voor hem als individu. Verweerster heeft hem niet uitgenodigd voor een intakegesprek. Zijn persoonlijke situatie en omstandigheden zijn niet of onvoldoende meegenomen in de beoordeling.

6.11 Verweerster voert aan dat de omstandigheden dat verzoeker psychosegevoelig en nog maar kort medicatievrij is, doorslaggevend zijn geweest voor de afwijzing. Verzoeker valt niet in de doelgroep waarvoor verweerster expertise heeft opgebouwd. Psychosegevoeligheid – in het bijzonder in combinatie met de korte periode waarin verzoeker medicatievrij is - vormt een contra-indicatie voor verweersters behandelingen. Naar aanleiding van de aanmelding, de medische informatie uit de verwijsbrief en een MDO is verweerster tot de conclusie gekomen dat zij niet de hulp kan bieden die passend is voor verzoeker. Een intakegesprek zou niet tot een andere uitkomst hebben geleid.

6.12 Over de klacht van verzoeker, dat verweerster mensen met een psychotische stoornis (onder wie verzoeker) categorisch uitsluit van haar reguliere aanbod op gebied van verslavingszorg, overweegt het College als volgt. Binnen het kader van de WGBH/CZ kan het College in beginsel geen oordeel geven over de vraag of een aanbieder van geestelijke gezondheidszorg op inhoudelijk-medisch goede gronden uit mag gaan van een contra-indicatie. De inhoud van de beslissing of bij een bepaalde patiënt al dan niet sprake is van een contra-indicatie is zozeer verweven met de expertise en ervaring van de behandelaars en dus met de inhoud van de dienstverlening dat die buiten de reikwijdte van de WGBH/CZ-toetsing valt (zie hierover reeds 6.3). Wel is het College gehouden om te beoordelen of verweerster verzoeker op grond van handicap of chronische ziekte op een andere wijze heeft behandeld dan een ander die deze handicap of chronische ziekte niet heeft. Verweerster heeft de aanvraag van de behandelaar van verzoeker afgewezen vanwege de contra-indicatie psychosegevoeligheid. Dit betekent dat het College gehouden is te beoordelen of verweerster bij de toegang tot haar aanbod van verslavingszorg in groepen tegenover verzoeker anders heeft gehandeld dan tegenover personen voor wie andere mogelijke contra-indicaties aan de orde zijn. Deze beoordeling ziet dan met name op de procedurele kant van de beslissing van verweerster, op de wijze waarop zij tot die beslissing is gekomen. Daarvoor is bepalend of verweerster de aanvraag op dezelfde manier heeft behandeld en daarbij dezelfde stappen heeft doorlopen.

6.13 Desgevraagd heeft verweerster het traject geschetst dat zij volgt nadat zij een aanmelding ontvangt. Verweerster heeft zich onweersproken op het standpunt gesteld dat dit traject na de aanmelding van verzoeker is gevolgd, met de aantekening dat er in dit geval nog aanvullend contact is geweest tussen verzoekers behandelaar bij Pro Persona en verweerster en dat er daarna een extra beoordeling is geweest in een MDO.

6.14 Hieruit leidt het College af dat verweerster de aanvraag, ondanks de vermelding op haar website, wel op haar individuele merites heeft onderzocht. Niet gebleken is dat verweerster verzoeker daarbij anders heeft behandeld dan personen met een andere mogelijke contra-indicatie. De omstandigheid dat er geen intakegesprek is geweest, maakt dit oordeel niet anders. Een dergelijk gesprek is naar zijn aard immers gericht op het opstarten van een behandelingstraject en niet, althans niet in de eerste plaats, op het verzamelen van informatie voorafgaand aan de beoordeling van een aanmelding. Dat dit laatste in deze zaak vooral via intercollegiaal overleg is verlopen en dat verzoeker niet bij het MDO is gevraagd, is naar het College begrijpt heel moeilijk voor verzoeker geweest. Deze omstandigheid kan echter niet leiden tot een oordeel dat verweerster hem op grond van handicap of chronische ziekte anders heeft behandeld dan anderen in een vergelijke situatie waarin een (mogelijke) contra-indicatie aan de orde was.

7 Oordeel

Stichting GGZ Momentum heeft geen verboden onderscheid gemaakt jegens [. . . .] op grond van handicap of chronische ziekte.

Aldus gegeven te Utrecht op 24 februari 2022 door mr. dr. H.J.T.M. Swaanenburg-van Roosmalen, voorzitter, prof. dr. J. Morijn en mr. dr. G. Cornelisse, leden van het College voor de Rechten van de Mens, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Ingeveld, secretaris.





mr. dr. H.J.T.M. Swaanenburg-van Roosmalen

mr. A.J. Ingeveld

Samenvatting oordeel