Coöperatie Royal FloraHolland U.A. discrimineerde niet door het bedrijf van een man van Roemeense afkomst niet toe te laten tot een aanbestedingsprocedure omdat hij de Nederlandse taal onvoldoende machtig is.

Coöperatie Royal FloraHolland U.A. discrimineerde niet door het bedrijf van een man van Roemeense afkomst niet toe te laten tot een aanbestedingsprocedure omdat hij de Nederlandse taal onvoldoende machtig is.

Oordeelnummer 2022-14
Datum: 24-02-2022
Trefwoord: Ras Ontvankelijkheid Aanbieden goederen en diensten Objectieve rechtvaardiging Belang Midden- en kleinbedrijf Bevoegdheid College Aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen en diensten Taaleis
Discriminatiegrond: Ras
Terrein: Goederen en diensten - Overige
Regelingen: Artikel 1 AWGB Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) Artikel 10 lid 2 WCRM Artikel 7 lid 1 AWGB Wet College voor de rechten van de mens (WCRM) Artikel 2 lid 1 AWGB
Situatie

Een man, die van Roemeense afkomst is, is directeur van een bedrijf dat een digitaal hulpmiddel voor de inroostering van personeel (Workforce Management (hierna: WFM-systeem)) aan Coöperatie Royal FloraHolland U.A. (hierna: RFH) ter beschikking heeft gesteld. Na enkele jaren heeft RFH de man laten weten dat zij het gebruik van het WFM-systeem wil beëindigen. Ook heeft RFH besloten dat het bedrijf van de man niet mee mag doen aan de aanbestedingsprocedure voor een nieuw WFM-systeem.

De man heeft RFH gevraagd wat de redenen zijn dat zijn bedrijf niet mee mag doen aan
de aanbestedingsprocedure voor een nieuw digitaal WFM-systeem. De Manager WFM heeft aan de man geschreven dat de hoofdreden is dat er vijf leveranciers zijn waarin RFH meer vertrouwen heeft. Ook heeft de Manager WFM geschreven dat de samenwerking met de man vervelende momenten heeft gekend en dat dit te maken heeft gehad met het feit dat hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst.

De man stelt dat RFH jegens hem verboden onderscheid op grond van ras heeft gemaakt door zijn bedrijf af te wijzen voor deelname aan de aanbestedingsprocedure, omdat hij de Nederlandse taal onvoldoende zou beheersen.

RFH is het niet met de man eens. Zij stelt dat zij bij het selectieproces vijf criteria heeft gebruikt en dat de man niet voldeed aan meerdere criteria. Daarom mocht zijn bedrijf niet deelnemen aan de aanbestedingsprocedure. Ook stelt RFH dat zij vanwege de zeer complexe toekomstige samenwerking de taaleis van een goede beheersing van de Nederlandse taal heeft gesteld. Volgens RFH voldoet de man niet aan deze eis.

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het verzoek
Het College is van oordeel dat hoewel RFH het bedrijf van de man heeft afgewezen om deel te nemen aan de aanbestedingsprocedure, zij feitelijk de man vanwege persoonlijke eigenschappen heeft afgewezen. Immers, het bedrijf van de man werd mede afgewezen omdat hij de Nederlandse taal onvoldoende zou beheersen. De man heeft dan ook een persoonlijk belang bij een verzoek om een oordeel zodat zijn verzoek ontvankelijk is.

Verboden onderscheid?
Een bedrijf mag geen verboden onderscheid op grond van ras maken bij het aanbieden van of verlenen van toegang tot diensten. De afwijzing vanwege de reden dat niet is voldaan aan de eis van een goede beheersing van de Nederlandse taal is een vorm van indirect onderscheid op grond van ras. Immers, personen van niet-Nederlandse afkomst worden door deze eis bijzonder getroffen. Het College vindt dat RFH jegens de man indirect onderscheid op grond van ras heeft gemaakt door hem af te wijzen voor deelname aan de aanbestedingsprocedure, omdat hij niet zou voldoen aan de taaleis.

Indirect onderscheid is echter niet verboden als hiervoor een goede reden bestaat. RFH heeft als reden gegeven dat er tijdens de invoering van het WFM-systeem en ook daarna een intensieve samenwerking plaatsvindt tussen medewerkers van RFH en de leverancier van het systeem. Daarom moeten medewerkers van RFH en de leverancier elkaar goed kunnen begrijpen. Daarvoor is een goede beheersing van de Nederlandse taal noodzakelijk. Het College vindt dat RFH hiermee een goede reden heeft gegeven voor het indirecte onderscheid op grond van ras, zodat dit niet verboden is.

De man heeft nog aangevoerd dat hij de Nederlandse taal wel voldoende beheerst. Het College is van oordeel dat het aan RFH is om binnen de grenzen van de redelijkheid te bepalen of de man aan de gestelde taaleis voldoet. Het College vindt dat RFH binnen deze grenzen is gebleven.

RFH heeft dan ook jegens de man geen verboden onderscheid op grond van ras gemaakt door zijn bedrijf niet te laten meedoen aan de aanbestedingsprocedure.

Oordeel

Coöperatie Royal FloraHolland U.A. heeft jegens de man geen verboden onderscheid op grond van ras gemaakt.


Oordeel
2022-14


Datum: 24 februari 2022
Dossiernummer: 2021-0215

Oordeel in de zaak van

[….]

wonende te [….], verzoeker

tegen

Coöperatie Royal FloraHolland U.A.

gevestigd te Aalsmeer, verweerster


1 Verzoek

Verzoeker vraagt het College om te beoordelen of verweerster verboden onderscheid op grond van ras heeft gemaakt door zijn bedrijf af te wijzen voor deelname aan een aanbestedingsprocedure omdat hij de Nederlandse taal onvoldoende machtig zou zijn.


2 Verloop van de procedure

2.1 Het College heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • verzoekschrift van 14 april 2021;
  • e-mail van verzoeker van 11 juni 2021;
  • verweerschrift van 16 november 2021;
  • e-mail van verzoeker van 28 december 2021.

2.2 Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 januari 2022. Partijen zijn verschenen. Verzoeker werd vergezeld door [….], een collega. Verweerster werd vertegenwoordigd door mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te Den Haag, die werd vergezeld door [….], bedrijfsjurist, en [….], logistiek manager.

3 Feiten

3.1 Verzoeker is van Roemeense afkomst. Het bedrijf van verzoeker, een besloten vennootschap waarvan verzoeker de directeur is, heeft vanaf 1 januari 2018 het gebruik van de dienst WorkGenda Saas aan verweerster ter beschikking gesteld. Het bedrijf van verzoeker en verweerster zijn daartoe een gebruiksovereenkomst aangegaan voor een periode van twee jaar. Er is afgesproken dat als verweerster de schriftelijke opzegging niet tijdig heeft ingediend, de overeenkomst stilzwijgend zal worden verlengd. WorkGenda is een digitaal hulpmiddel voor de inroostering van personeel (Workforce Management), waarmee de beschikbaarheid van ongeveer 2000 medewerkers van verweerster en de werkzaamheden die deze medewerkers kunnen verrichten, worden geregistreerd. WorkGenda maakt vervolgens digitale werkroosters die verweerster gebruikt voor het inzetten van haar medewerkers.

3.2 De strategisch inkoper van verweerster heeft verzoeker in een e-mail van 30 november 2020 geschreven dat verweerster heeft besloten om het gebruik van WorkGenda te beëindigen en het bedrijf van verzoeker niet mee te laten doen aan de aanbestedingsprocedure voor een nieuw workforce management systeem omdat verzoeker geen van belang zijnde logistieke referenties heeft. Verzoeker heeft verweerster naar aanleiding hiervan in een e-mail van 1 februari 2021 laten weten dat met ingang van 1 maart 2021 de overeenkomst tussen zijn bedrijf en verweerster voor het gebruik van WorkGenda zal eindigen. De planningsmanager van verweerster heeft verzoeker in een e-mail van dezelfde datum bericht dat 1 maart 2021 de streefdatum was voor het overstappen op een nieuw systeem en dat in haar beleving was afgesproken dat nog aan verzoeker zou worden meegedeeld wat de daadwerkelijke datum van de beëindiging zou worden.

3.3 Verweerster heeft begin 2021, in het kader van een aanbestedingsprocedure, bedrijven geselecteerd waaraan zou worden gevraagd een offerte uit te brengen voor een toekomstige samenwerking voor Workforce Management binnen de afdeling Logistiek van haar bedrijf. Verweerster heeft het bedrijf van verzoeker niet geselecteerd.

3.4 In een e-mail van 9 maart 2021 heeft de strategisch inkoper verzoeker bericht dat is besloten WorkGenda niet mee te laten doen met de aanbestedingsprocedure. Verweerster heeft een aantal andere partijen geselecteerd waarvan verweerster meent dat zij een beter digitaal systeem voor de inroostering van personeel kunnen bieden dan het bedrijf van verzoeker met WorkGenda.

3.5 Verzoeker heeft vanaf november 2020 verschillende keren aan verweerster gevraagd naar de redenen voor de beëindiging van de samenwerking met zijn bedrijf. De manager Workforce Management, hierna: de manager WFM, heeft naar aanleiding hiervan op 18 maart 2021 een telefoongesprek gevoerd met verzoeker. De manager WFM heeft in een e-mail van 23 maart 2021 het met verzoeker op 18 maart 2021 gevoerde gesprek bevestigd. De Manager WFM heeft geschreven dat de hoofdreden is dat er vijf leveranciers zijn waarin verweerster meer vertrouwen heeft dat zij een goedwerkende tool kunnen leveren. Deze leveranciers hebben betere referenties dan verzoeker, betere mogelijkheden voor een vergroting van de schaalbaarheid naar drie locaties (grootschalige implementatie en intensieve begeleiding van die implementatie) en meer financiële stabiliteit. Daarnaast heeft de manager WFM geschreven dat de samenwerking met verzoeker vervelende momenten heeft gekend die in de beleving van verweerster te maken hadden met de beheersing van verzoeker van de Nederlandse taal. Volgens de manager WFM is verzoeker als eigenaar en eerste aanspreekpunt van zijn bedrijf het Nederlands niet volledig machtig. Dit heeft in de periode van samenwerking geleid tot een aantal gevallen van moeizaam verlopende communicatie. Verweerster is daarom bang dat er ook in de toekomst veel tijd zou gaan zitten in het elkaar goed begrijpen met betrekking tot de terminologie, met mogelijke fouten tot gevolg.

3.6 Verzoeker heeft in een e-mail van 29 maart 2021 gereageerd op de e-mail van de manager WFM van 23 maart 2021. Hierin heeft hij gesteld dat verweerster hem heeft gediscrimineerd door zijn bedrijf niet mee te laten doen aan de aanbestedingsprocedure. De Corporate Compliance Officer (CCO) van verweerster heeft onderzoek gedaan naar de discriminatieklacht van verzoeker en de resultaten hiervan in een memo van 30 april 2021 teruggekoppeld aan de directie van verweerster. Hierin heeft de CCO geconcludeerd dat er geen sprake is geweest van het opzettelijk beledigen of discrimineren van verzoeker door de manager WFM. Wel is volgens haar sprake geweest van een uiterst ongelukkige formulering van een subjectieve onderbouwing van een afwijzing. Bij brief van 3 juni 2021 heeft de Chief Executive Officer (CEO) van verweerster verzoeker meegedeeld dat er geen sprake is geweest van discriminatie, waarbij hij heeft verwezen naar het onderzoek van de CCO.

4 Standpunt verzoeker

Hoewel verzoeker in de schriftelijke stukken die hij aan het College heeft toegezonden erop gewezen heeft dat er volgens hem verschillende discriminerende aspecten zaten aan de beslissing van verweerster, heeft hij ter zitting verklaard dat de beoordeling van het College zich kan beperken tot de door verweerster gehanteerde taaleis en de opmerkingen die daarover zijn gemaakt in zijn richting. Verzoeker stelt dat verweerster jegens hem verboden onderscheid op grond van ras heeft gemaakt door zijn bedrijf af te wijzen voor deelname aan de aanbestedingsprocedure, omdat hij de Nederlandse taal onvoldoende machtig zou zijn. Hiertoe voert hij aan dat zijn taalgebruik nooit een onderwerp van gesprek is geweest tijdens de drie jaar dat hij met verweerster heeft samengewerkt. Dit onderwerp is voor het eerst aan de orde gekomen in het telefoongesprek met de manager WFM van 18 maart 2021. Zij heeft toen tegen hem gezegd dat zijn Nederlands een probleem is, ondanks dat hij deze taal spreekt en dat dit komt omdat Nederlands niet zijn moedertaal is. Ook voert verzoeker aan dat verweerster geen taaleis heeft gesteld in de formele documenten van de aanbesteding, zodat het vreemd is dat die taal nu juist bij zijn bedrijf als reden voor beëindiging van de samenwerking is aangevoerd. Verzoeker wil geen diensten meer aanbieden aan verweerster, maar heeft wel besloten om een klacht in te dienen bij het College.

5 Standpunt verweerster

Verweerster betwist dat zij jegens verzoeker verboden onderscheid op grond van ras heeft gemaakt. Hiertoe voert zij aan dat zij verzoeker heeft afgewezen op goede en inhoudelijke gronden die niets met zijn afkomst te maken hebben. Zij heeft bij het selectieproces voor de aanbestedingsprocedure vijf criteria gehanteerd: referenties, schaalbaarheid, financiële stabiliteit, samenwerking en taal. Verzoeker voldeed niet aan meerdere criteria, zodat hij nooit als deelnemer zou zijn geaccepteerd. Zij heeft dan ook jegens verzoeker geen direct of indirect onderscheid op grond van ras gemaakt. Ook voert verweerster aan dat zij vanwege de zeer complexe toekomstige samenwerking een taaleis heeft gesteld, waaraan verzoeker niet voldoet. Deze taaleis houdt in een goede beheersing van de Nederlandse taal. Voor zover het College mocht oordelen dat zij in dit opzicht wel onderscheid heeft gemaakt, is dit onderscheid objectief gerechtvaardigd. Verweerster betwist dat de manager WFM tegen verzoeker heeft gezegd dat hij is afgewezen omdat Nederlands niet zijn moedertaal is.

6 Beoordeling

Bevoegdheid
6.1 Verweerster stelt dat het College niet bevoegd is om dit verzoek te beoordelen. Hiertoe voert verweerster aan dat verzoeker een beroep doet op de grond ras vanwege zijn Roemeense afkomst, maar dat het begrip ‘Roemeen’ hier niet onder valt. Hiertoe verwijst verweerster naar het oordeel van de voorganger van het College, de Commissie Gelijke Behandeling (CGB): CGB 9 februari 2006, 2006-18.

6.2 Het College legt het begrip ras, overeenkomstig onder meer het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, ruim uit. Het omvat tevens huidskleur, afkomst en nationale of etnische afstamming.

6.3 Het College overweegt dat de situatie in het CGB 2006-18 niet vergelijkbaar is met die in deze zaak. In het oordeel van de CGB ging het over de vraag of een Amsterdammer en daarvan afgeleid een Amsterdams accent onder de grond ras valt. De CGB heeft deze vraag ontkennend beantwoord omdat geen sprake is van een bepaalde fysieke, etnische, geografische, culturele, historische of godsdienstige samenhang in de groep personen die met een Amsterdams accent spreekt. De CGB heeft zich daarom niet bevoegd geacht om het verzoek te beoordelen. Verzoeker beroept zich echter op zijn Roemeense afkomst en daarmee op zijn Roemeense nationale afstamming. Het is vaste oordelenlijn van het College dat een beroep op nationale afstamming onder de grond ras valt (vgl. College voor de Rechten van de Mens 15 april 2021, 2021-39, overweging 4.2). Het College is dan ook bevoegd om dit verzoek te beoordelen.

Ontvankelijkheid
6.4 Volgens artikel 10, tweede lid, aanhef en onderdeel a, Wet College voor de rechten van de mens (WCRM) kan een verzoek om een oordeel worden ingediend door degene die meent dat in zijn nadeel onderscheid is gemaakt, als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB). Het College overweegt dat, hoewel verweerster het bedrijf van verzoeker heeft afgewezen om deel te nemen aan de aanbestedingsprocedure, verweerster feitelijk verzoeker vanwege persoonlijke eigenschappen heeft afgewezen om hieraan deel te nemen. Immers, het bedrijf van verzoeker werd mede afgewezen omdat verzoeker de Nederlandse taal onvoldoende zou beheersen. Het College is dan ook van oordeel dat verzoeker een persoonlijk belang heeft bij een verzoek om een oordeel zodat zijn verzoek ontvankelijk is (vgl. College voor de Rechten van de Mens 13 februari 2018, 2018-16, overwegingen 6.1 en 6.2).

Verboden onderscheid?
6.5 Het is verboden onderscheid op grond van ras te maken bij het aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen of diensten en bij het sluiten, uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten ter zake, indien dit geschiedt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, AWGB). Het College ziet in de bijzondere omstandigheden van dit geval aanleiding om artikel 7 AWGB ruim uit te leggen. Het bedrijf van verzoeker biedt als dienst het digitale systeem WorkGenda aan. Verweerster is de potentiële afnemer van deze dienst en de door verweerster gehanteerde aanbestedingsprocedure vormt de voorbereiding op het sluiten van een overeenkomst over de afname van deze dienst. Daarmee valt het handelen van verweerster – zeker nu dit plaatsvond in de uitoefening van haar bedrijf – binnen het bereik van artikel 7 AWGB.

6.6 Onder onderscheid wordt verstaan direct en indirect onderscheid. Er is sprake van indirect onderscheid op grond van ras indien een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen van een bepaald ras in vergelijking met andere personen bijzonder treft (artikel 1 AWGB).

6.7 Volgens de vaste oordelenlijn van het College houdt de afwijzing op grond van de eis van een goede beheersing van de Nederlandse taal een vorm van indirect onderscheid op grond van ras in. Immers, personen van niet-Nederlandse afkomst worden in vergelijking met personen van Nederlandse afkomst bijzonder getroffen door deze taaleis.

6.8 Het College overweegt dat vaststaat dat verweerster verzoeker mede heeft afgewezen voor deelname aan de aanbestedingsprocedure omdat zij in de samenwerking met verzoeker communicatieproblemen heeft ervaren die volgens haar voortvloeien uit zijn onvolledige beheersing van de Nederlandse taal. Dat verweerster heeft verklaard dat verzoeker niet voldeed aan meerdere criteria die werden gehanteerd in het aanbestedingsproces, zodat hij sowieso niet in aanmerking kwam om een offerte uit te brengen, doet hieraan niet af. Het is vaste oordelenlijn van het College dat er niet alleen sprake is van onderscheid als de beschermde grond de enige reden is geweest voor de afwijzing, maar ook als deze grond hierbij mede een rol heeft gespeeld. Het College concludeert dan ook dat verweerster jegens verzoeker indirect onderscheid op grond van ras heeft gemaakt bij de afwijzing, omdat het niet kunnen voldoen aan de taaleis hierbij mede een rol heeft gespeeld. Hierbij merkt het College nog op dat partijen van mening verschillen over de vraag of de manager WFM tegen verzoeker heeft gezegd dat hij mede is afgewezen omdat Nederlands niet zijn moedertaal is. Het ligt dan op de weg van verzoeker om zijn stelling nader te onderbouwen, maar hieraan heeft hij niet voldaan. Gelet hierop kan het College niet vaststellen wat er feitelijk is gezegd. Als echter zou komen vast te staan dat de manager WFM bedoelde uitlating wel zou hebben gedaan, zou dit niet tot een andere beoordeling van dit verzoek hebben geleid dan nu het geval is. Het gaat er in deze zaak om dat verweerster aan verzoeker een taaleis heeft gesteld en dat het College dient te beoordelen of verweerster hiermee jegens verzoeker verboden onderscheid op grond van ras heeft gemaakt. In dit verband acht het College relevant dat verweerster – anders dan verzoeker heeft gesteld – niet exclusief in de richting van verzoeker voldoende beheersing van de Nederlandse taal als eis in het aanbestedingsprocedure heeft gesteld. Verweerster heeft in de offerteaanvraag vermeld: “2.9
Voertaal. De voertaal van deze sourcing is de Nederlandse taal. Alle stukken en communicatie dienen in de Nederlandse taal te worden ingediend. Correspondentie en/of stukken gesteld in een andere taal dan de Nederlandse taal of niet voorzien van een deugdelijke vertaling in de Nederlandse taal, worden niet in aanmerking/behandeling genomen.” Ook heeft verweerster aangevoerd dat zij ook een andere grote partij heeft afgewezen omdat deze alleen in het Engels wilde communiceren.

Objectieve rechtvaardiging?
6.9 Het maken van indirect onderscheid op grond van ras is niet verboden als het onderscheid objectief gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn (artikel 2, eerste lid, AWGB). Het is aan de partij die onderscheid heeft gemaakt om feiten aan te dragen ter rechtvaardiging van dat onderscheid.

Is er sprake van een legitiem doel?
6.10 Het doel dient legitiem te zijn, in de zin van voldoende zwaarwegend dan wel te beantwoorden aan een werkelijke behoefte. Een legitiem doel vereist daarnaast dat er geen sprake is van een discriminerend oogmerk. Verweerster heeft aangevoerd dat de doelen van het onderscheid zijn om de implementatie van het nieuwe Workforce Management systeem zo snel en zo goed mogelijk te laten verlopen en om na de implementatie duidelijk te kunnen communiceren met de leverancier om eventuele problemen in het systeem op te lossen. Het College overweegt dat deze doelen voldoende zwaarwegend zijn en geen discriminerend oogmerk hebben. Er is dan ook sprake van een legitiem doel.

Is het middel passend?
6.11 Een middel is passend als het geschikt is om het legitieme doel te bereiken. Verweerster hanteert als middel dat de leverancier van het nieuwe management systeem een goede beheersing heeft van de Nederlandse taal. Het College overweegt dat dit middel geschikt is om te bereiken dat de implementatie van het nieuwe systeem zo snel en zo goed mogelijk verloopt en om na de implementatie goed te kunnen communiceren met de leverancier. Het middel is dan ook passend.

Is het middel noodzakelijk?
6.12 Een middel is noodzakelijk als het doel niet kan worden bereikt met een middel dat niet leidt tot onderscheid, althans minder bezwaarlijk is (subsidiariteitsvereiste) en het middel in een evenredige verhouding staat tot het doel van het onderscheid (proportionaliteitsvereiste). Verweerster heeft aangevoerd dat de processen en de toolinrichting in haar bedrijf, mede ook door de ingewikkelde bedrijfsomgeving, zodanig complex zijn dat het noodzakelijk is om aan de leverancier een goede beheersing van de Nederlandse taal als eis te stellen. Ook heeft verweerster aangevoerd dat zij een implementatieteam heeft opgericht dat bestaat uit medewerkers van haar bedrijf en dat binnen dat team alleen Nederlands wordt gesproken. De medewerkers van dit implementatieteam dienen intensief samen te werken met de leverancier van het nieuwe systeem om dit uit te rollen op de verschillende afdelingen van haar bedrijf, zodat een goede beheersing van de Nederlandse taal noodzakelijk is. Dit geldt ook voor de situatie na de implementatie. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft verweerster verwezen naar het oordeel van het College van 17 november 2020, 2020-100.

6.13 Het College overweegt dat verweerster hiermee voldoende heeft aangetoond dat het middel noodzakelijk is. Hierbij is van belang dat er tijdens de implementatiefase en ook daarna een intensieve samenwerking plaatsvindt tussen medewerkers van verweerster en de leverancier van het management systeem. Dit vereist dat de medewerkers van verweerster en de leverancier elkaar goed moeten kunnen begrijpen en niet gebleken is dat er een ander minder bezwaarlijk middel is dan een goede beheersing van de Nederlandse taal, waarmee het doel van het onderscheid ook kan worden bereikt. Daarnaast overweegt het College dat het door verweerster gehanteerde middel in evenredige verhouding staat tot het doel van het onderscheid. Hierbij neemt het College in aanmerking dat het belang van verweerster om het nieuwe systeem snel en goed te implementeren en daarna goed met de leverancier te kunnen communiceren, zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoeker om niet te worden afgewezen voor de aanbestedingsprocedure vanwege redenen die (indirect) te maken hebben met zijn afkomst. Het door verweerster gemaakte indirecte onderscheid op grond van ras is dan ook objectief gerechtvaardigd.

Voldoet verzoeker aan de gestelde taaleis?
6.14 Het College constateert dat een deel van het betoog van verzoeker met betrekking tot de door verweerster gehanteerde taaleis ziet op de onduidelijkheid, dan wel onbegrijpelijkheid, van verweersters conclusie dat verzoekers beheersing van het Nederlands in de voorgaande jaren communicatieproblemen zou hebben opgeleverd. Hiertoe heeft hij verwezen naar een WhatsApp-bericht dat hij van de Planner A Logistiek van verweerster heeft ontvangen en waarin deze meedeelt dat hij altijd prettig met verzoeker heeft samengewerkt en dat hij hem zeker zou aanraden bij andere organisaties. Ook heeft de Planner A Logistiek een positieve referentie over zijn bedrijf gegeven aan een potentiële klant van verzoeker. Gelet hierop vindt verzoeker de door verweerster overgelegde verklaring van de Planner A Logistiek van 9 november 2021, waarin deze verslag doet van situaties van miscommunicatie tussen verzoeker en verweerster, niet geloofwaardig. Deze verklaring moet volgens verzoeker worden gezien als een achteraf gefabriceerd document dat erop gericht is om de discriminerende opmerkingen over verzoekers beheersing van het Nederlands ‘goed te praten’. Ook heeft verzoeker aangevoerd dat uit de andere door verweerster aangedragen voorbeelden evenmin kan worden afgeleid dat hij niet voldoet aan de gestelde taaleis en dat er daardoor misverstanden zouden zijn ontstaan. Zo heeft verweerster wel degelijk in eerste instantie met hem afgesproken dat de gebruiksovereenkomst tussen hen op 1 maart 2021 zou eindigen, zodat het vermelde in de e-mail van 1 februari 2021 van de planningsmanager dat het zou gaan om een streefdatum (zie 3.2. onder ‘Feiten’) onjuist is.

6.15 Het College overweegt dat het niet aan hem is om te beoordelen of verzoeker de Nederlandse taal voldoende beheerst om mee te kunnen doen aan de aanbestedingsprocedure. Hoewel het College tijdens de zitting heeft kunnen constateren dat verzoeker geenszins gebrekkig Nederlands spreekt, valt niet uit te sluiten of als buitengewoon onaannemelijk aan te merken dat de door verweerster aangeduide communicatieproblemen zich hebben voorgedaan. Deze beoordeling van deze door verweerster ervaren communicatieproblemen en de daaraan te verbinden consequenties voor de voortzetting van de samenwerking komt binnen de grenzen van de redelijkheid toe aan verweerster. Het College is van oordeel dat verweerster binnen de grenzen van de redelijkheid is gebleven. Hierbij is van belang dat de Planner A Logistiek in zijn e-mail van 9 november 2021 een duidelijke beschrijving heeft gegeven van de ondervonden communicatieproblemen met verzoeker en ook dat verschillende afdelingen van verweerster hiervan hinder hebben ondervonden. Dat verzoeker een positieve referentie en een positief Whatsapp-bericht van de Planner A Logistiek heeft ontvangen, betekent niet dat het vermelde in zijn e-mail van 9 november 2021 onjuist is. De verklaring van verweerster dat het gebruikelijk is om een positieve referentie mee te geven aan een vertrekkende dienstverlener of medewerker om deze kansen te bieden op een nieuwe klant of op ander werk, ook als met niet 100% tevreden was over de geleverde diensten, acht het College aannemelijk.

6.16 Het College concludeert op grond van het voorgaande dat verweerster jegens verzoeker geen verboden onderscheid op grond van ras heeft gemaakt door zijn bedrijf af te wijzen voor deelname aan de aanbestedingsprocedure, omdat hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst.

6.17 Ten overvloede overweegt het College nog dat de CCO van verweerster in haar memo van 30 april 2021 een onjuiste opvatting heeft gegeven over hetgeen onder discriminatie moet worden verstaan door te stellen dat er aan de kant van de medewerkers van verweerster geen sprake is geweest van opzettelijke discriminatie. De omstandigheid dat een persoon niet de bedoeling heeft gehad om te discrimineren is niet van belang voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van discriminatie. Of er sprake is van discriminatie wordt op basis van de Nederlandse gelijkebehandelingswetgeving bepaald aan de hand van de objectiveerbare gevolgen van een bepaalde handelwijze of gedraging, ook als die onbedoeld zijn. Van een al dan niet bedoelde handelwijze die in strijd komt met de gelijkebehandelingswetgeving is in deze zaak echter niet gebleken.

7 Oordeel

Coöperatie Royal FloraHolland U.A. heeft jegens [….] geen verboden onderscheid op grond van ras gemaakt.

Aldus gegeven te Utrecht op 24 februari 2022 door mr. dr. J.P. Loof, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. B.H.M. Werker, secretaris.




mr. dr. J.P. Loof mr. B.H.M. Werker

Samenvatting oordeel