Moeder en zoon tonen niet aan dat het College van Burgemeester & Wethouders van de gemeente Zoetermeer hen discrimineerde op grond van ras door hen geen woonwagen te verhuren nadat zij verhuisd zijn naar een andere woonwagenlocatie in dezelfde gemeente.

Moeder en zoon tonen niet aan dat het College van Burgemeester & Wethouders van de gemeente Zoetermeer hen discrimineerde op grond van ras door hen geen woonwagen te verhuren nadat zij verhuisd zijn naar een andere woonwagenlocatie in dezelfde gemeente.

Oordeelnummer 2022-16
Datum: 01-03-2022
Trefwoord: Ras Bewijslast Huren/verhuren Sociale bescherming Wonen Overheid Openbare dienst
Discriminatiegrond: Ras
Terrein: Goederen en diensten - Wonen
Regelingen: Artikel 10 AWGB Artikel 7a lid 1 AWGB Algemene wet gelijke behandeling (AWGB)
Situatie

Moeder en zoon zijn woonwagenbewoners. Ze zijn eigenaar van hun woonwagens en huren beiden de woonwagenstandplaatsen van het College van Burgemeester & Wethouders van de gemeente Zoetermeer (het College van B&W). Nadat zij verhuisd zijn naar een andere woonwagenlocatie wilden zij een nieuwe woonwagen omdat hun oude woonwagens onbewoonbaar zijn geworden. Zij vroegen het College van B&W om een huurwoonwagen te plaatsen op de door hen gehuurde woonwagenstandplaatsen. Moeder en zoon vinden dat het College van B&W hen discrimineerde op grond van hun ras door hier geen gehoor aan te geven.

Het College van B&W betwist dit. Moeder en zoon huren enkel woonwagenstandplaatsen en geen woonwagens. Dat is ook zo overeengekomen met hen. Hoewel niet verplicht is om moeder en zoon een huurwagen ter beschikking te stellen, is in de gemeenteraad besloten om hen huurwoonwagens ter beschikking te stellen. De stappen daartoe zijn al gezet.


Beoordeling

Het College van B&W mag geen onderscheid op grond van ras maken bij de huisvesting. Het is aan moeder en zoon om aan te tonen dat het College van B&W hen discrimineerde op grond van ras bij het verhuren van een woonwagen. Zij zijn hier niet in geslaagd. Het College oordeelde in de lijn met de eerdere oordelen dat het College van B&W op grond van de gelijkebehandelingswetgeving niet kan worden verplicht om huurwoonwagens ter beschikking te stellen aan moeder en zoon, omdat zij niet eerder een woonwagen van het College van B&W hebben gehuurd.

Het College heeft met instemming kennisgenomen van de stappen die het College van B&W toch heeft gezet om moeder en zoon vanwege hun inkomen huurwoonwagens ter beschikking te stellen. Vanuit een breder mensenrechtenperspectief rust een positieve verplichting op de gemeente om het wonen volgens de culturele tradities van woonwagenbewoners mogelijk te maken. Vanuit dat perspectief is het een logische stap voor gemeenten om mede in ogenschouw te nemen dat als een eigen woonwagen van minderbemiddelde woonwagenbewoners niet langer bewoonbaar is, er in de praktijk een mogelijkheid voorhanden is om alsnog in aanmerking te komen voor een huurwoonwagen. Het College is niet gebleken dat moeder en zoons bij het handelen van de gemeente op enige wijze ongelijk zijn behandeld, omdat zij woonwagenbewoners zijn. Het College oordeelde dan ook dat het College van B&W moeder en zoon niet discrimineerde op grond van ras bij het niet-verhuren van een woonwagen.


Oordeel

Het College van Burgemeester & Wethouders van de gemeente Zoetermeer heeft jegens moeder en zoon geen verboden onderscheid op grond van ras gemaakt.


Oordeel

2022-16

Datum: 1 maart 2022

Dossiernummer: 2020-0144


Oordeel in de zaak van

[….] en [….]

wonende te [….], verzoekers

tegen

Het College van Burgemeester & Wethouders van de gemeente Zoetermeer

gevestigd te Zoetermeer, verweerder


1 Verzoek

Verzoekers vragen het College om te beoordelen of verweerder jegens hen verboden onderscheid op grond van ras heeft gemaakt door hen geen woonwagen te verhuren nadat zij verhuisd zijn naar de woonwagenlocatie Gooimeer.


2 Verloop van de procedure

2.1 Het College heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • verzoekschrift van 14 april 2020, ontvangen op dezelfde datum;
  • e-mails van verzoekers van 31 mei, 15, 16, 23 en 24 juni en 7 juli 2020;
  • verweerschrift van 30 november 2020;
  • brieven van verweerder van 15 januari en 2 maart 2021;
  • e-mail van verweerder van 4 juni 2021;
  • e-mail van verzoekers van 30 juni 2021;
  • brief van verweerder van 4 januari 2022.

2.2 Op verzoek van partijen heeft het College de zaak een aantal maanden aangehouden. Omdat partijen onderling geen overeenstemming hebben bereikt, heeft het College de zaak weer opgepakt en ter zitting behandeld op 18 januari 2022. Partijen zijn verschenen. Verzoekers werden bijgestaan door mr. H. van der Heide-Boertien, advocaat te Den Haag. Verweerder werd vertegenwoordigd door mr. M.B. de Witte-van den Haak, advocaat te Den Haag, die werd vergezeld door [….], gemeente Zoetermeer, en mr. M. Procé, advocaat te Den Haag.


3 Feiten

Verzoekers, moeder en zoon, zijn woonwagenbewoners. Zij woonden tot 2018 op de woonwagenlocatie het Oude Gemaal. Ze huurden een woonwagenstandplaats bij verweerder. De woonwagens/caravans die op deze woonstandplaatsen stonden waren eigendom van verzoekers. Omdat de woonwagenstandplaatsen werden opgeheven op de woonwagenlocatie het Oude Gemaal wonen verzoekers sinds 1 december 2019 op de woonwagenlocatie Gooimeer. Ook op deze locatie huren verzoekers woonwagenstandplaatsen van verweerder en wonen zij in woonwagens die zij zelf in eigendom hebben. Verzoekster woont in een caravan en verzoeker woont met zijn dochter en kleindochter in een schuur die bij de woonwagenstandplaats hoort.


4 Standpunt verzoekers

Verzoekers stellen dat verweerder jegens hen verboden onderscheid op grond van ras heeft gemaakt door hen geen nieuwe woonwagens te verhuren op de locatie Gooimeer. Omdat de caravan van verzoekster onbewoonbaar is geworden - en verweerder deze woonwagen slechts tot 1 december 2021 heeft gedoogd - en verzoeker in een schuur verblijft, vroegen zij verweerder om hen een nieuwe woonwagen beschikbaar te stellen en die aan hen te verhuren. Zij hebben geen geld om zelf een nieuwe woonwagen te kopen. Verweerder wilde hen echter in eerste instantie geen woonwagen verhuren. Na het indienen van het verzoek bij het College heeft verweerder zijn beslissing herzien en besloten toch huurwoonwagens aan hen ter beschikking te stellen omdat verzoekster een AOW-uitkering heeft en verzoeker een bijstandsuitkering. Tot op heden hebben verzoekers nog geen woonwagens gekregen. Zij voelen zich gediscrimineerd omdat verweerder wel voor andere, reguliere, sociale huurders zorgt dat zij goed kunnen wonen en snel tot actie overgaat om hun woonproblemen op te lossen.


5 Standpunt verweerder

Verweerder betwist dat hij jegens verzoekers onderscheid op grond van ras heeft gemaakt door hen geen nieuwe woonwagen te verhuren. Verzoekers huren enkel woonwagenstandplaatsen van verweerder en geen woonwagens. Dat is ook zo overeengekomen met hen. Hoewel verweerder niet verplicht is om verzoekers een huurwagen ter beschikking te stellen, is in de gemeenteraad besloten om hen huurwoonwagens ter beschikking te stellen. De stappen daartoe zijn gezet. De verwachting is dat aan verzoekers medio 2022 huurwoonwagens ter hand worden gesteld.


6 Beoordeling

6.1 Het is verboden om onderscheid op grond van ras te maken bij sociale bescherming (artikel 7a, eerste lid, van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB)). Sociale bescherming is een ruim begrip en heeft mede betrekking op de toegang tot, en het aanbod van, goederen en diensten die publiekelijk beschikbaar zijn, waaronder begrepen huisvesting (Kamerstukken II 2002/03, 28 770, nr. 3, p. 2 en 15). Het handelen van verweerder valt onder het begrip huisvesting en daarmee onder de reikwijdte van de wet.

6.2 Onbetwist is dat verzoekers woonwagenbewoners zijn. Volgens vaste jurisprudentie van onder andere het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vallen woonwagenbewoners onder het begrip ‘ras’. Het College oordeelt daarom dat verzoekers in het onderhavige geval een beroep kunnen doen op de bescherming van de AWGB.

6.3 Het is aan verzoekers om feiten aan te voeren die kunnen doen vermoeden dat sprake is van onderscheid op grond van ras. Als zij hierin slagen, ligt het op de weg van verweerder om te bewijzen dat hij geen verboden onderscheid heeft gemaakt (artikel 10, eerste lid, AWGB).

6.4 Ten aanzien van het niet verhuren van een woonwagen aan verzoekers op de locatie Gooimeer overweegt het College als volgt. Verzoekers stellen dat zij ten opzichte van andere huurders ongelijk zijn behandeld. Hoewel de eigen woonwagens en caravans onbewoonbaar zijn geworden en niet meer in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan, krijgen ze geen vervangende huurwoonwagens van verweerder. Dit terwijl andere huurders van sociale huisvesting door middel van een urgentieverklaring wel nieuwe woningen krijgen indien hun woningen onbewoonbaar zijn geworden. Verweerder voert daartegen aan dat verzoekers geen huurders maar eigenaars zijn van de woonwagens op de woonwagenstandplaatsen die zij huren van verweerder. Omdat verzoekers gelet op hun inkomen echter in aanmerking komen voor sociale huur, is in de gemeenteraad besloten om hen huurwoonwagens ter beschikking te stellen. Verweerder heeft geen voorraad woonwagens. Hij is echter inmiddels aantoonbaar bezig om aan verzoekers huurwoonwagens ter beschikking te stellen. Dit proces kost enige tijd. In dit proces is geen sprake van verboden onderscheid op grond van ras.

6.5 Het College stelt vast dat verweerder op verzoek van verzoekers en hun familieleden, al dan niet met voorrang, ieder afzonderlijk een woonwagenstandplaats heeft verhuurd op de locatie Gooimeer, zodat kon worden voorzien in de behoefte om in familieverband te wonen. Tevens stelt het College vast dat verweerder met verzoekers en de andere familieleden overeen is gekomen dat ook op de nieuwe woonwagenlocatie Gooimeer aan hen alleen woonwagenstandplaatsen zouden worden verhuurd en geen woonwagens. Het College overweegt in lijn met eerdere oordelen dat verweerder op grond van de gelijkebehandelingswetgeving niet kan worden verplicht om huurwoonwagens ter beschikking te stellen aan verzoekers, omdat verzoekers niet eerder een woonwagen hebben gehuurd van verweerder (zie bijv. College voor de Rechten van de Mens 30 maart 2021, 2021-32, overweging 6.4). Het College heeft met instemming kennisgenomen van de stappen die verweerder niettemin heeft gezet om verzoekers vanwege hun inkomen huurwoonwagens ter beschikking te stellen. Vanuit een breder mensenrechtenperspectief rust een positieve verplichting op de gemeente om het wonen volgens de culturele tradities van woonwagenbewoners mogelijk te maken. Vanuit dat perspectief is het een logische stap voor gemeenten, zo ook voor verweerder, om mede in ogenschouw te nemen dat als een eigen woonwagen van minderbemiddelde woonwagenbewoners niet langer bewoonbaar is, er in de praktijk een mogelijkheid voorhanden is om alsnog in aanmerking te komen voor een huurwoonwagen.

6.6 Het College is niet gebleken dat verzoekers bij het handelen van de gemeente op enige wijze ongelijk zijn behandeld, omdat zij woonwagenbewoners zijn.

6.7 Op grond van het voorgaande concludeert het College dat verzoekers geen feiten en omstandigheden hebben aangevoerd die kunnen doen vermoeden dat verweerder jegens hen onderscheid op grond van ras heeft gemaakt door hen geen nieuwe huurwoonwagens ter beschikking te stellen op de woonwagenstandplaatsen die zij van verweerder huren op de locatie Gooimeer. Ook anderszins is het College niet gebleken van dergelijke feiten. Het College oordeelt dan ook dat verweerder jegens verzoekers geen verboden onderscheid op grond van ras heeft gemaakt bij het niet eerder verhuren van een woonwagen op de locatie Gooimeer.


7 Oordeel

[….] heeft jegens [….] geen verboden onderscheid op grond van ras gemaakt.


Aldus gegeven te Utrecht op 1 maart 2022 door prof. dr. J. Morijn, voorzitter, mr. M. Chébti LL.M. en mr. G.M. Lieuw LL.M., leden van het College voor de Rechten van de Mens in tegenwoordigheid van mr. N. Günes, secretaris.


prof. dr. J. Morijn mr. N. Günes

Samenvatting oordeel