Onderwijsstichting Esprit heeft jegens een 58-jarige docent met een migratieachtergrond geen verboden onderscheid op grond van ras en/of leeftijd gemaakt bij de arbeidsomstandigheden en door haar contract niet te verlengen.

Onderwijsstichting Esprit heeft jegens een 58-jarige docent met een migratieachtergrond geen verboden onderscheid op grond van ras en/of leeftijd gemaakt bij de arbeidsomstandigheden en door haar contract niet te verlengen.

Oordeelnummer 2022-18
Datum: 07-03-2022
Trefwoord: Arbeidsomstandigheden Voortgezet onderwijs Onderwijs Leeftijd Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd Ras Aangaan arbeidsverhouding
Discriminatiegrond: Leeftijd Ras
Terrein: Arbeid - Arbeidsomstandigheden Arbeid - Aangaan en beëindiging arbeidsrelatie
Regelingen: Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) Artikel 3 WGBL Artikel 5 AWGB Artikel 12 lid 1 WGBL Artikel 10 AWGB Wet gelijke behandeling leeftijd bij de arbeid (WGBL)
Situatie

Een 58-jarige vrouw met een migratieachtergrond is op 1 augustus 2020 voor de duur van een jaar als voltijds leerkracht in dienst getreden van een middelbare school, die onder de verantwoordelijkheid van Onderwijsstichting Esprit (hierna: Esprit) valt. Het was een eerste dienstverband met uitzicht op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

De directeur van de school heeft de vrouw naar aanleiding van een conflict met de ouder van een leerling een externe coach aangeboden. De teamleider heeft in een functioneringsgesprek tegen de vrouw gezegd dat haar contract kon worden verlengd, als zij het coachingstraject naar tevredenheid zou afronden. Esprit heeft de vrouw half april 2021 een brief geschreven dat haar arbeidsovereenkomst na 31 juli 2021 zou eindigen, omdat haar contract afliep. De vrouw heeft naar aanleiding van deze brief aan Esprit geschreven dat zij niet meer wilde deelnemen aan het coachingstraject en hiervoor ook geen eindgesprek meer wilde voeren. De teamleider heeft hierover met de vrouw gesproken, maar de vrouw is niet teruggekomen van haar beslissing om niet langer door te gaan met het coachingstraject. Daarna heeft de teamleider het coachingstraject beëindigd. De arbeidsovereenkomst van de vrouw is op 31 juli 2021 geëindigd.

De vrouw vindt dat Esprit verboden onderscheid op grond van ras heeft gemaakt bij de arbeidsomstandigheden door haar voor wat betreft het geven van proeflessen, de lesobservaties, de functioneringsgesprekken, het toewijzen van coaches en de verplichting om op haar vrije middag naar school te komen, anders te behandelen dan haar collega’s van Nederlandse afkomst. Ook heeft Esprit haar gediscrimineerd op grond van haar ras door haar contract niet te verlengen. Daarnaast vindt de vrouw dat Esprit verboden onderscheid op grond van leeftijd heeft gemaakt door haar contract niet te verlengen en dat van jonge onbevoegde docenten wel.

Esprit is het niet met de vrouw eens. Hiertoe voert zij aan dat zij de vrouw voor wat betreft de arbeidsomstandigheden niet anders heeft behandeld dan haar collega’s en dat voor zover zij dat wel heeft gedaan, dit andere redenen had dan haar afkomst. Ook voert Esprit aan dat zij de arbeidsovereenkomst met de vrouw niet heeft verlengd omdat de vrouw het coachingstraject zelf heeft afgebroken en niet vanwege haar afkomst en/of leeftijd.

Beoordeling

Een onderwijsinstelling mag geen verboden onderscheid op grond van ras en/of leeftijd maken bij de arbeidsomstandigheden en bij het niet opnieuw aangaan van een arbeidsovereenkomst.

De bewijslastverdeling is als volgt: het is aan de vrouw om feiten aan te voeren die onderscheid op grond van ras en/of leeftijd kunnen doen vermoeden. Als zij hierin slaagt, moet Esprit bewijzen dat zij geen verboden onderscheid op grond van ras en/of leeftijd heeft gemaakt.

Verboden onderscheid op grond van ras?

Het College is van oordeel dat de vrouw geen feiten heeft aangevoerd die kunnen doen vermoeden dat Esprit haar voor wat betreft de arbeidsomstandigheden anders heeft behandeld dan haar collega’s van Nederlandse afkomst. Ook heeft de vrouw geen feiten aangevoerd die kunnen doen vermoeden dat Esprit niet bevoegde docenten van Nederlandse afkomst wel een vast contract heeft gegeven. Daarnaast is de stelling van de vrouw dat zij in redelijkheid heeft kunnen besluiten om het coachingstraject te beëindigen omdat de directeur van de school tegen haar heeft gezegd dat zij geen vast contract zou krijgen, ook geen feit dat onderscheid kan doen vermoeden. Hierbij is van belang dat Esprit deze stelling gemotiveerd heeft betwist. Daarom concludeert het College dat Esprit jegens de vrouw geen verboden onderscheid op grond van ras heeft gemaakt.

Verboden onderscheid op grond van leeftijd?

Het College is van oordeel dat de vrouw geen feiten heeft aangevoerd die onderscheid op grond van leeftijd bij het niet opnieuw aangaan van een arbeidsovereenkomst kunnen doen vermoeden. Esprit heeft de stelling van de vrouw dat jonge onbevoegde docenten wel een vast contract krijgen en oudere bevoegde docenten niet, gemotiveerd weerlegd. Het is dan aan de vrouw om haar stelling nader te onderbouwen, maar dat heeft zij niet gedaan. Het College concludeert dan ook dat Esprit jegens de vrouw geen verboden onderscheid op grond van leeftijd heeft gemaakt.

Oordeel

Onderwijsstichting Esprit heeft jegens de vrouw geen verboden onderscheid op grond van ras en leeftijd gemaakt.


Oordeel

2022-18

Datum: 7 maart 2022

Dossiernummer: 2021-0254


Oordeel in de zaak van

[….]

wonende te [….], verzoekster

tegen

Onderwijsstichting Esprit

gevestigd te Amsterdam, verweerster


1 Verzoek

Verzoekster vraagt het College om te beoordelen of verweerster verboden onderscheid op grond van ras en/of leeftijd heeft gemaakt bij de arbeidsomstandigheden en door haar contract niet te verlengen.


2 Verloop van de procedure

2.1 Het College heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • verzoekschrift van 29 april 2021, ontvangen op dezelfde datum;
  • e-mails van verzoekster van 19 juni 2021 en 6 augustus 2021;
  • verweerschrift van 20 december 2021;
  • e-mail van verzoekster van 10 januari 2022.

2.2 Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 januari 2022. Partijen zijn verschenen. Verzoekster werd vergezeld door M. Gonzales, klachtbehandelaar bij Bureau Gelijke Behandeling Flevoland. Verweerster werd vertegenwoordigd door [….], juridisch adviseur bij verweerster, die werd vergezeld door [….], directeur Mundus College, en [….], teamleider Mundus College.


3 Feiten

3.1 Verzoekster, die afkomstig is uit Iran en 58 jaar oud is, is in 1990 naar Nederland geëmigreerd. Zij is in Nederland opgeleid tot medisch bioloog. Zij is sinds 2002 werkzaam als docent in het voortgezet onderwijs. Verzoekster is op 1 augustus 2020 voor de duur van een jaar als voltijds leerkracht in dienst getreden van het Mundus College (een vmbo school), dat onder de verantwoordelijkheid van verweerster valt. Het was een eerste dienstverband met uitzicht op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Verzoekster heeft de vakken Biologie, Wiskunde en Rekenen gegeven. De school heeft verzoekster bij de indiensttreding geen interne coach toegewezen. Na enkele weken heeft verzoekster de school gevraagd om haar alsnog een coach toe te wijzen, aan welk verzoek de school heeft voldaan.

3.2 Vlak voor de kerstvakantie van 2020 heeft er een conflict plaatsgevonden tussen een ouder van een leerling en verzoekster. De directeur van het Mundus College (hierna: de directeur) heeft naar aanleiding hiervan op 17 december 2020 een gesprek gevoerd met de ouder van die leerling. Daarna heeft de directeur verzoekster een traject door een externe coach aangeboden, dat de teamleider van het Mundus College (hierna: de teamleider) verder zou oppakken.

3.3 De teamleider heeft op 13 januari 2021 een functioneringsgesprek met verzoekster gevoerd waarin zij heeft meegedeeld dat het contract met verzoekster kon worden verlengd, als verzoekster het coachingstraject naar tevredenheid zou afronden. De teamleider heeft op 9 maart 2021 een schriftelijke coachingsopdracht opgesteld, die zij en verzoekster hebben ondertekend. Ook heeft er een gesprek plaatsgevonden met de externe coach, waarin is afgesproken dat de coach lessen van verzoekster zou bezoeken en dat er twee evaluatiemomenten zouden zijn, in mei en in juni 2021. De externe coach heeft verschillende lessen van verzoekster geobserveerd. Daarnaast hebben de teamleider en het sectiehoofd Biologie lessen van verzoekster geobserveerd.

3.4 Verweerster heeft verzoekster in een brief van 16 april 2021 geschreven dat de arbeidsovereenkomst na 31 juli 2021 eindigt vanwege het verstrijken van het benoemingstijdvak van een jaar. De teamleider heeft op 21 april 2021 een gesprek met verzoekster gevoerd over haar observatie van een les van verzoekster op 8 april 2021. Tijdens dat gesprek is ook de brief van verweerster van 16 april 2021 aan de orde gekomen.

3.5 In een e-mail van 23 april 2021 heeft verzoekster aan de teamleider geschreven dat gelet op de brief van verweerster van 16 april 2021 het coachingstraject voor niets is geweest. Ook heeft zij geschreven dat zij niet meer zal deelnemen aan dit traject en hiervoor ook geen eindgesprek meer zal voeren. De teamleider heeft verzoekster naar aanleiding van deze e-mail uitgenodigd voor een gesprek op diezelfde dag, waaraan verzoekster gehoor heeft gegeven. Verzoekster is tijdens dit gesprek niet teruggekomen van haar besluit om het coachingstraject niet langer voort te zetten. Daarna heeft de teamleider het coachingstraject beëindigd. De arbeidsovereenkomst van verzoekster is op 31 juli 2021 van rechtswege geëindigd.


4 Verboden onderscheid op grond van ras?

Standpunt verzoekster

4.1 Verzoekster stelt dat verweerster jegens haar verboden onderscheid op grond van ras heeft gemaakt bij de arbeidsomstandigheden. Hiertoe voert zij aan dat verweerster haar voor wat betreft het geven van proeflessen, de lesobservaties en functioneringsgesprekken, het toewijzen van coaches en de verplichting om op haar vrije middag naar school te komen, anders heeft behandeld dan haar collega’s van Nederlandse afkomst. Ook stelt verzoekster dat verweerster jegens haar verboden onderscheid op grond van ras heeft gemaakt door opmerkingen die zijn gemaakt over haar beheersing van de Nederlandse taal en door haar contract niet te verlengen.

Standpunt verweerster

4.2 Verweerster betwist dat zij jegens verzoekster verboden onderscheid op grond van ras heeft gemaakt bij de arbeidsomstandigheden en door haar contract niet te verlengen. Hiertoe voert zij aan dat zij verzoekster voor wat betreft de arbeidsomstandigheden niet anders heeft behandeld dan haar collega’s en dat voor zover zij dat wel heeft gedaan, hieraan andere redenen ten grondslag liggen dan de afkomst van verzoekster. Ook voert verweerster aan dat zij de arbeidsovereenkomst met verzoekster niet heeft verlengd omdat verzoekster het coachingstraject zelf heeft afgebroken en niet vanwege haar afkomst.

Beoordeling

De arbeidsomstandigheden

4.3 Een werkgever mag geen onderscheid op grond van ras maken bij de arbeidsomstandigheden (artikel 5, eerste lid, aanhef en onderdeel h, Algemene wet gelijke behandeling (AWGB))

4.4 Het College legt het begrip ras, overeenkomstig onder meer het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, ruim uit. Het omvat tevens huidskleur, afkomst en nationale of etnische afstamming. Verzoekster stelt dat verweerster jegens haar onderscheid heeft gemaakt omdat zij van Iraanse afkomst is en in Iran is geboren en omdat zij de Nederlandse taal onvoldoende zou beheersen. Hiermee verwijst verzoekster naar haar afkomst zodat zij een beroep kan doen op de grond ras.

4.5 Het is aan verzoekster om feiten aan te voeren die onderscheid op grond van ras kunnen doen vermoeden. Als zij hierin slaagt, ligt het op de weg van verweerster om te bewijzen dat zij niet in strijd met de AWGB heeft gehandeld (artikel 10, eerste lid, AWGB).

Proeflessen

4.6 Verzoekster stelt dat zij twee proeflessen moest geven voordat zij bij verweerster in dienst kon treden, terwijl docenten die voor of tegelijkertijd met haar zijn aangenomen geen proeflessen hoefden te geven. Ter onderbouwing hiervan verwijst verzoekster naar één bepaalde docent die volgens haar geen proeflessen hoefde te geven. Volgens verzoekster heeft dit te maken met het feit dat zij een Iraans accent en een andere zinsopbouw heeft dan personen van Nederlandse afkomst. Verweerster betwist deze stelling van verzoekster en stelt dat zij als beleid heeft dat alle nieuwe docenten één proefles moeten geven voordat zij in dienst kunnen treden. Ook de docent waarnaar verzoekster heeft verwezen, heeft een proefles gegeven op de laatste schooldag voor de zomervakantie. Alleen in een uitzonderingsgeval wijkt zij van dit beleid af, bijvoorbeeld als er geen lesuur meer voorhanden is vanwege de zomervakantie. Verweerster stelt dat zij verzoekster in dit opzicht niet anders heeft behandeld dan haar collega’s: verzoekster heeft evenals haar collega’s één proefles gegeven en geen twee zoals verzoekster stelt.

4.7 Het College stelt vast dat verweerster de stelling van verzoekster dat zij twee proeflessen moest geven voordat zij bij verweerster in dienst kon treden en dat haar collega’s geen proeflessen hoefden te geven, gemotiveerd heeft betwist. Hoewel verzoekster de naam van één collega heeft genoemd die geen proefles zou hebben gegeven, heeft verweerster betwist dat deze docent geen proefles heeft gegeven. Het ligt dan op de weg van verzoekster om haar stelling nader te onderbouwen, bijvoorbeeld met een verklaring van die docent waaruit blijkt dat hij geen proefles heeft gegeven. Hieraan heeft verzoekster echter niet voldaan. Verzoekster is er dan ook niet in geslaagd om een feit aan te voeren dat onderscheid op grond van ras kan doen vermoeden.

Lesobservaties en functioneringsgesprekken

4.8 Verzoekster stelt dat verweerster haar lessen negenmaal heeft geobserveerd terwijl tweemaal gebruikelijk is. Ook kwamen de lesobservaties onverwachts terwijl die bij haar collega’s wel van te voren werden aangekondigd. Zo hebben er observaties plaatsgevonden door de teamleider, het sectiehoofd van Biologie, de externe coach, een docent Engels, een docent Lichamelijke Opvoeding en een stagiaire. Ook stelt verzoekster dat het bij verweerster gebruikelijk is om jaarlijks twee functioneringsgesprekken te voeren terwijl zij maar één functioneringsgesprek heeft gehad. Verzoekster stelt dat verweerster haar in deze opzichten anders heeft behandeld dan haar collega’s omdat zij van Iraanse afkomst is en een Iraans accent en een andere zinsopbouw heeft.

4.9 Het College overweegt dat verweerster de stelling van verzoekster dat het op de school van verweerster gebruikelijk is dat bij een nieuwe docent twee lesobservaties worden verricht en dat deze van tevoren worden aangekondigd, gemotiveerd heeft weerlegd. Volgens verweerster is het gebruikelijk dat de teamleider bij iedere nieuwe docent twee en zo nodig meer lesobservaties doet en dat zij deze nooit van tevoren aankondigt. Ook is het gebruikelijk dat het sectiehoofd een observatie verricht om de vakkennis te beoordelen, alsook de coach van het transformatietraject, dat erop is gericht om bepaald negatief gedrag van leerlingen om te buigen in positief gedrag. Als een nieuwe docent deelneemt aan een extern coachingstraject, zoals verzoekster, zal de coach van dit traject ook lessen observeren. Verweerster is er niet van op de hoogte dat de docenten Engels en Lichamelijke Opvoeding een les van verzoekster hebben geobserveerd, maar mogelijk dat verzoekster hun hiervoor toestemming heeft gegeven. Verweerster erkent dat zij met verzoekster maar één functioneringsgesprek heeft gevoerd en stelt dat het coachingstraject als het tweede functioneringsgesprek moet worden gezien. Het coachingstraject bevatte de pedagogische en didactische leerdoelen van verzoekster en als zij dat traject had afgerond, zou zijn beoordeeld of zij de leerdoelen had behaald. Omdat verweerster bedoelde stellingen van verzoekster gemotiveerd heeft betwist, ligt het op de weg van verzoekster om haar stellingen nader te onderbouwen. Hieraan heeft verzoekster echter niet voldaan. Hierbij wordt nog opgemerkt dat het niet uit te sluiten valt dat bij verzoekster meer lesobservaties hebben plaatsgevonden dan bij andere nieuwe docenten. Niet onaannemelijk is dat dit te maken heeft gehad met het externe coachingstraject waaraan verzoekster heeft deelgenomen en niet met haar afkomst en/of taalbeheersing. Verzoekster is er in dit opzicht dan ook niet in geslaagd om een feit aan te voeren dat onderscheid op grond van ras kan doen vermoeden.

Coaches

4.10 Verzoekster stelt dat verweerster haar bij de indiensttreding geen interne coach heeft toegewezen en alle andere nieuwe docenten wel. Zij heeft verweerster gevraagd om haar ook een interne coach toe te wijzen en die heeft zij pas in oktober 2020 gekregen. Ook stelt verzoekster dat zij moest deelnemen aan een extern coachingstraject en alle andere nieuwe docenten niet en dat de externe coach opmerkingen heeft gemaakt over haar Nederlands. Zo zouden de leerlingen haar, vanwege de manier waarop zij Nederlands spreekt, niet kunnen volgen. Volgens verzoekster heeft dit te maken met het feit dat zij van Iraanse afkomst is en dat zij een Iraans accent en een andere zinsopbouw heeft. Verweerster heeft erkend dat zij verzoekster bij de indiensttreding geen interne coach heeft toegewezen. Zij stelt echter dat dit niets te maken heeft met de afkomst en/of de taalbeheersing van verzoekster, maar met het feit dat verzoekster een zeer ervaren en gelet op haar inschaling een excellent docent is. Verweerster wijst alleen een interne coach toe aan docenten die slechts een tot drie jaar werkervaring hebben. Volgens verweerster heeft verzoekster op 24 augustus 2020 om een interne coach gevraagd en deze is haar dezelfde week nog toegewezen. Verweerster stelt dat het externe coachingstraject is ingezet naar aanleiding van het conflict in december 2020 tussen verzoekster en de ouder van een leerling. De directeur heeft toen problemen waargenomen in het pedagogische en didactische handelen van verzoekster. Zij heeft geprobeerd verzoekster te helpen door haar een coachingstraject aan te bieden. Als dit conflict niet had plaatsgevonden, zou verzoekster naar alle waarschijnlijkheid geen coachingstraject zijn aangeboden. Tot slot stelt verweerster dat de beheersing van de Nederlandse taal van verzoekster geen rol heeft gespeeld in het coachingstraject. Hiertoe heeft verweerster verwezen naar een door haar overgelegde verklaring van de externe coach van 14 december 2021 waarin is vermeld: “In een van de lesobservaties bleek dat mevrouw woorden op het bord schreef waarvan de spelling niet correct was. Ik heb haar geadviseerd zich op dat punt in haar taalvaardigheid verder te verbeteren, door zich bijvoorbeeld voor te bereiden op de woorden die ze op wilde schrijven. Dit heeft zeker niet geleid tot een advies naar de schoolleiding mijnerzijds en vormde bij mijn weten ook geen aanleiding voor het proces dat in gang is gezet.”

4.11 Het College overweegt dat verweerster de stellingen van verzoekster gemotiveerd heeft weerlegd. Uit de bewijslastverdeling volgt dan dat verzoekster haar stellingen nader moet onderbouwen. Verzoekster heeft echter geen gegevens aangedragen waaruit blijkt dat verweerster een nieuwe docent van Nederlandse afkomst met een vergelijkbare werkervaring als verzoekster wel onmiddellijk bij indiensttreding een interne coach heeft toegewezen. Ook heeft verzoekster geen gegevens naar voren gebracht waaruit blijkt dat verweerster ten aanzien van een docent van Nederlandse afkomst die in een vergelijkbaar conflict terecht was gekomen als verzoekster, heeft afgezien van een coachingstraject. Ook overweegt het College dat het advies van de externe coach om haar taalvaardigheid te verbeteren voor wat betreft de woorden die zij op het bord wil schrijven, als zodanig geen feit is dat onderscheid op grond van ras kan doen vermoeden. Dit zou mogelijk anders kunnen zijn als zou komen vast te staan dat de beheersing van de Nederlandse taal een rol heeft gespeeld in het coachingstraject van verzoekster. Hiervan is niet gebleken. Het College concludeert daarom dat verzoekster er niet in is geslaagd om feiten aan te voeren die onderscheid op grond van ras kunnen doen vermoeden voor wat betreft het toewijzen van een interne coach en het opdragen van het coachingstraject.

Verplichting om naar school te komen op vaste vrije middag

4.12 Verzoekster stelt dat verweerster haar verschillende malen heeft verplicht om op haar vrije donderdagmiddag een vergadering op school bij te wonen. Verweerster heeft haar in dit opzicht anders behandeld dan haar collega’s omdat zij op hun vrije dag niet naar school hoeven te komen. Volgens verzoekster heeft dit te maken met haar Iraanse afkomst en het feit dat zij in Iran is geboren, waardoor zij de regels niet kent. Verweerster stelt dat verzoekster een voltijds dienstverband heeft en dat zij daarom alle dagen van de week moet werken en geen vrije middag heeft. Wel is het zo dat zij op donderdag een lesvrije middag heeft en dat zij die middag naar eigen inzicht mag besteden aan schoolwerkzaamheden, zoals het voorbereiden van de lessen, nakijkwerk of het onderhouden van collegiale contacten. Verzoekster is echter verplicht om naar school te komen als er op donderdagmiddag een vergadering is. De collega’s met wie verzoekster zich vergelijkt, werken niet voltijds, waardoor zij wel een vrije dag of een vrij dagdeel hebben waarop zij geen schoolverplichtingen hebben en dus geen vergadering hoeven bij te wonen.

4.13 Het College overweegt op grond hiervan dat verweerster de stelling van verzoekster dat zij op haar vrije middag naar school moet komen als er een vergadering is en haar collega’s niet, gemotiveerd heeft betwist. Verzoekster heeft geen gegevens aangedragen waaruit blijkt dat er collega’s zijn die niet verplicht zijn om een vergadering bij te wonen op hun lesvrije dag of dagdeel. De collega’s met wie verzoekster zich vergelijkt, komen niet naar een vergadering omdat zij een vrije dag of een vrij dagdeel hebben. Zij zijn dus geen vergelijkbare gevallen. Verzoekster is er dan ook niet in geslaagd om een feit aan te voeren dat onderscheid op grond van ras kan doen vermoeden.

4.14 Het College concludeert op grond van het voorgaande dat verweerster jegens verzoekster geen verboden onderscheid op grond van ras bij de arbeidsomstandigheden heeft gemaakt.

Niet verlengen van de arbeidsovereenkomst

4.15 Een werkgever mag geen onderscheid op grond van ras maken bij het aangaan van een arbeidsverhouding (artikel 5, eerste lid, aanhef en onderdeel c AWGB). De beslissing om een arbeidsovereenkomst al dan niet te verlengen, is een beslissing over het al dan niet aangaan van een arbeidsovereenkomst. Het College zal daarom beoordelen of verweerster verboden onderscheid op grond van ras heeft gemaakt bij het (niet) aangaan van de arbeidsovereenkomst. De bewijslastverdeling als vermeld in 4.5 is van toepassing.

4.16 Verzoekster stelt dat verweerster niet bevoegde docenten van Nederlandse afkomst een contractverlenging dan wel een vast contract heeft verstrekt en haar contract niet heeft verlengd terwijl zij een bevoegde docent is. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft verzoekster de namen genoemd van een aantal niet bevoegde docenten van Nederlandse afkomst dat volgens haar een contractverlenging dan wel een vast contract heeft gekregen. Ook stelt verzoekster dat verweerster haar contract niet heeft verlengd omdat haar leerlingen gemiddeld 1,5 punt hoger hebben gescoord bij de schoolexamens dan bij het centraal schriftelijk eindexamen. Er waren echter meer leraren bij wie de leerlingen hoger hebben gescoord bij de schoolonderzoeken. Met hen heeft verweerster het contract wel verlengd. Volgens verzoekster heeft dit te maken met het feit dat zij van Iraanse afkomst is en in Iran is geboren. Voor zover verweerster haar verwijt dat zij het coachingstraject zelf heeft beëindigd, stelt verzoekster dat de directeur naar aanleiding van de brief van verweerster van 16 april 2021 tegen haar heeft gezegd dat haar contract niet zou worden verlengd. Daarom vond zij het niet meer zinvol om het coachingstraject voort te zetten.

4.17 Verweerster betwist deze stellingen van verzoekster. Docenten die hun opleiding nog niet hebben afgerond, krijgen nooit een vast contract, maar altijd een tijdelijk contract. Onbevoegde docenten mogen maximaal twee jaar op basis van een tijdelijk contract in dienst zijn en krijgen pas een vast contract als zij aan de opleidings- en functie-eisen voldoen. De niet bevoegde docenten van wie verzoekster de namen heeft genoemd en met wie zij zich vergelijkt, hadden allen een tijdelijk contract. Het feit dat de leerlingen van verzoekster ruim hoger hebben gescoord bij de schoolonderzoeken dan bij de centrale eindexamens is geen doorslaggevend argument geweest om het contract met verzoekster niet te verlengen. Verweerster stelt dat zij het contract van verzoekster niet heeft verlengd omdat verzoekster het coachingstraject zelf heeft beëindigd en daardoor de aan haar gestelde leerdoelen niet heeft gehaald. De directeur heeft ter zitting betwist dat zij naar aanleiding van de brief van verweerster van 16 april 2021 tegen verzoekster heeft gezegd dat haar contract zou worden beëindigd. Zij stelt dat zij alleen tegen verzoekster heeft gezegd dat verzoekster zich tot de teamleider moest wenden, omdat het aan de teamleider is of een contract al dan niet zal worden verlengd.

4.18 Het College stelt vast dat partijen van mening verschillen over de vragen of verweerster onbevoegde docenten een vast contract heeft gegeven, of de door de leerlingen behaalde scores voor de schoolonderzoeken een rol hebben gespeeld bij het besluit van verweerster om het contract met verzoekster niet te verlengen en of de directeur tussen 16 en 23 april 2021 tegen verzoekster heeft gezegd dat haar contract niet zou worden verlengd, zodat verzoekster in redelijkheid heeft kunnen besluiten het coachingstraject te beëindigen. Verweerster heeft de stellingen van verzoekster gemotiveerd betwist. Het is dan aan verzoekster om haar stellingen nader te onderbouwen, maar hieraan heeft zij niet voldaan. Zo heeft verzoekster geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat verweerster de door haar genoemde onbevoegde docenten van Nederlandse afkomst een vast contract heeft gegeven, bijvoorbeeld door een verklaring of een contract van zo’n docent over te leggen. Het is onaannemelijk dat het verschil in hoogte tussen de gemiddelde cijfers van het schoolonderzoek en het eindexamen een rol hebben gespeeld bij het besluit van verweerster om het contract niet te verlengen. Immers, het besluit van verweerster om het contract met verzoekster niet te verlengen, dateert van eind april 2021 en de resultaten van het eindexamen dateren pas van mei 2021. Ook heeft verzoekster haar stelling dat de directeur tussen 16 en 23 april 2021 tegen haar heeft gezegd dat haar contract niet zou worden verlengd, niet nader onderbouwd. Verzoekster is er dan ook niet in geslaagd om feiten aan te voeren die onderscheid op grond van ras bij het (niet) aangaan van een arbeidsovereenkomst kunnen doen vermoeden.

4.19 Het College concludeert op grond van het voorgaande dat verweerster jegens verzoekster geen verboden onderscheid op grond van ras heeft gemaakt bij het (niet) aangaan van een arbeidsovereenkomst.


5 Verboden onderscheid op grond van leeftijd?

Standpunt verzoekster

5.1 Verzoekster stelt dat verweerster de contracten van jonge onbevoegde docenten heeft verlengd en die van oudere bevoegde docenten niet. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft verzoekster de naam genoemd van een jonge docent van wie verweerster het contract heeft verlengd en de namen van een paar oudere docenten, onder wie zijzelf, van wie verweerster het contract niet heeft verlengd. Verweerster heeft dan ook verboden onderscheid op grond van leeftijd gemaakt door het contract met haar niet te verlengen.

Standpunt verweerster

5.2 Verweerster stelt dat het juist is dat zij het contract met de door verzoekster genoemde oudere docenten niet heeft verlengd, maar dat dit niets heeft te maken met hun leeftijd. Verweerster is met deze oudere docenten individuele trajecten aangegaan en heeft op basis daarvan geconcludeerd dat deze docenten niet (meer) binnen haar school passen. Dat verzoekster geen vast contract heeft gekregen, heeft niets te maken met haar leeftijd, maar met het feit dat verzoekster zelf het coachingstraject heeft beëindigd, waardoor zij haar leerdoelen niet heeft gehaald.

Beoordeling

5.3 Een werkgever mag geen onderscheid op grond van leeftijd maken bij het aangaan van een arbeidsverhouding (artikel 3, aanhef en onderdeel c, Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL)). De bewijslastverdeling staat in artikel 12, eerste lid, WGBL en is dezelfde als vermeld in 4.5.

5.4 Het College is van oordeel dat verzoekster er niet in is geslaagd om feiten aan te voeren die onderscheid op grond van leeftijd kunnen doen vermoeden bij het (niet) aangaan van een arbeidsovereenkomst. Het College heeft hiertoe overwogen dat verweerster de stelling van verzoekster dat verweerster geen nieuwe arbeidsovereenkomst met haar is aangegaan vanwege haar leeftijd, gemotiveerd heeft betwist. Het is dan aan verzoekster om haar stelling nader te onderbouwen. Verzoekster heeft echter geen gegevens aangevoerd waaruit blijkt dat zijzelf en de door haar genoemde oudere docenten geen nieuwe arbeidsovereenkomst hebben gekregen vanwege hun leeftijd.

5.5 Het College concludeert dat verweerster jegens verzoekster geen verboden onderscheid op grond van leeftijd heeft gemaakt bij het (niet) aangaan van een arbeidsovereenkomst.


6 Oordeel

Onderwijsstichting Esprit heeft jegens [….] geen verboden onderscheid op grond van ras en leeftijd gemaakt.


Aldus gegeven te Utrecht op 7 maart 2022 door mr. G.M. Lieuw LL.M., voorzitter, mr. dr. J.P. Loof en mr. dr. A. Eleveld, leden van het College voor de Rechten van de Mens, in tegenwoordigheid van mr. B.H.M. Werker, secretaris.


mr. G.M. Lieuw LL.M. mr. B.H.M. Werker

Samenvatting oordeel