Geen discriminatie op grond van handicap of chronische ziekte doordat DPG Media B.V. (nieuws)video’s op haar web- en mobiele applicatie niet van Nederlandse ondertiteling voorziet. Ook geen sprake van een onzorgvuldige klachtbehandeling door DPG Media B.V.

Geen discriminatie op grond van handicap of chronische ziekte doordat DPG Media B.V. (nieuws)video’s op haar web- en mobiele applicatie niet van Nederlandse ondertiteling voorziet. Ook geen sprake van een onzorgvuldige klachtbehandeling door DPG Media B.V.

Oordeelnummer 2022-21
Datum: 11-03-2022
Trefwoord: Zakelijke dienstverlening Dienstverlening Aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen en diensten Handicap of chronische ziekte Bevoegdheid College Aanbieden goederen en diensten Klachtbehandeling Handicap Toegankelijkheid
Discriminatiegrond: Handicap of chronische ziekte
Terrein: Goederen en diensten - Overige
Regelingen: Wet gelijke behandeling handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ) Artikel 5b WGBH/CZ Artikel 2a WGBH/CZ
Situatie

Een man is slechthorend en heeft ondertiteling nodig om programma’s op internet of televisie te kunnen volgen. Hij is geïnteresseerd in de online video’s die DPG Media B.V. uitzendt. Door het ontbreken van ondertiteling bij de meeste filmpjes is veel informatie van DPG Media niet beschikbaar voor de man. De man dient eerst zelf een klacht in bij DPG Media over het ontbreken van de ondertiteling bij video’s. DPG Media reageert hierop. De man dient vervolgens een klacht in bij een antidiscriminatievoorziening (ADV). Hierna volgt een briefwisseling tussen de ADV en DPG Media, waarin DPG Media onder meer aangeeft dat het voor hen niet te doen is om alle video’s te ondertitelen.

De man is van mening dat DPG Media discrimineert doordat de diensten van DPG Media niet algemeen toegankelijk zijn voor mensen met een auditieve beperking.

DPG Media betwist dat zij verboden onderscheid maakt op grond van handicap of chronische ziekte. Zij voert allereerst aan dat de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ) niet van toepassing is, omdat de Mediawet als bijzondere wet (lex specialis) voorgaat op de WGBH/CZ. DPG Media handelt niet in strijd met de wet, omdat zij op grond van de Mediawet niet verplicht is video’s op online kanalen te ondertitelen. Voor zover het College van oordeel is dat de WGBH/CZ wel van toepassing is, voert DPG Media aan dat zij wel degelijk rekening houdt met personen met een auditieve beperking. DPG Media heeft de intentie om al haar (nieuws)video’s te voorzien van ondertiteling, maar dit is op dit moment financieel en technisch nog niet haalbaar.

Beoordeling

Aanbieders van goederen en diensten moeten geleidelijk zorgen voor de algemene toegankelijkheid van hun diensten voor personen met een handicap of chronische ziekte, tenzij dat een onevenredige belasting vormt (WGBH/CZ).

Bevoegdheid College

Naar het oordeel van het College hebben de Mediawet en het Besluit van 19 september 2006 tot wijziging van de Mediawet (ondertiteling ten behoeve van mensen met een auditieve beperking) geen exclusieve werking en hebben zij geen voorrang op de algemene bepalingen in de WGBH/CZ. Het College oordeelt dat het bevoegd is om te onderzoeken en beoordelen of DPG Media heeft voldaan aan zijn verplichting om zorg te dragen voor geleidelijke verwezenlijking van de algemene toegankelijkheid van haar diensten.

Geleidelijke verwezenlijking van algemene toegankelijkheid?

Het College is van oordeel dat DPG Media op dit moment niet in strijd handelt met de verplichting om geleidelijk zorg te dragen voor algemene toegankelijkheid voor personen met een auditieve beperking. De toets is of wordt gewerkt aan geleidelijke verwezenlijking van algemene toegankelijkheid. Hiervoor is het noodzakelijk dat duidelijk is dat de aanbieder inspanningen verricht om deze algemene toegankelijkheid te bereiken. Het staat vast dat DPG Media actief bezig is om de algemene toegankelijkheid van haar video’s voor mensen met een auditieve beperking te realiseren. Het publiceren van video’s op de website en in de apps is nog volop in ontwikkeling. Een (klein) deel van deze video’s wordt ondertiteld en, daar waar geen ondertiteling is, wordt in de video’s een beknopte begeleidende tekst opgenomen die enige context aan de video geeft. DPG Media heeft ook de intentie uitgesproken om, zodra dit technisch en financieel mogelijk is, alle video’s op de website en in de applicatie te ondertitelen. Zij volgt de technologische ontwikkelingen op het gebied van geautomatiseerde ondertiteling op de voet en kijkt ook naar eventuele alternatieven. Zij heeft hiervoor speciaal iemand in dienst genomen. Naar het oordeel van het College blijkt hieruit dat DPG Media toewerkt naar verwezenlijking van algemene toegankelijkheid van haar video’s op online kanalen. Door de technische en financiële beperkingen kan op dit moment nog niet van DPG Media worden verwacht dat alle video’s zijn ondertiteld.

Het College voegt daar aan toe dat dit niet betekent dat DPG Media vanaf nu geen actie meer hoeft te ondernemen. Zij moet vooral doorgaan met het realiseren van algemene toegankelijkheid van haar video’s voor mensen met een auditieve beperking. Geleidelijke verwezenlijking betekent ook dat een aanbieder van goederen en diensten, zoals DPG Media, zich moet blijven inspannen om vooruitgang in toegankelijkheid te boeken. Dit oordeel kan dan ook worden gezien als een meetpunt aan de hand waarvan over enige tijd – bijvoorbeeld over enkele jaren – kan worden bepaald of sprake is van een voortschrijdende verwezenlijking van de algemene toegankelijkheid van de diensten waar het in dit oordeel om gaat.

Zorgvuldige klachtbehandeling?

Naar het oordeel van het College heeft DPG Media de klacht van de man voortvarend in behandeling genomen en inhoudelijk behandeld. Dat dit voor de man geen bevredigend antwoord is, betekent naar het oordeel van het College niet dat de klachtbehandeling onzorgvuldig is geweest. Ook het feit dat DPG Media in haar laatste e-mail niet meer inhoudelijk ingaat op de klacht, maar haar standpunt uit de eerdere e-mail handhaaft, maakt de klachtbehandeling niet onzorgvuldig. Het College is dan ook van oordeel dat DPG Media als aanbieder van een dienst de discriminatieklacht van de man zorgvuldig heeft behandeld.

Oordeel

DPG Media B.V. heeft niet gediscrimineerd op grond van handicap of chronische ziekte. Ook is er geen sprake van een onzorgvuldige klachtbehandeling door DPG Media B.V.


Oordeel

2022-21

Datum: 11 maart 2022

Dossiernummer: 2021-0133


Oordeel in de zaak van

[. . . .]

wonende te [. . . .], verzoeker

tegen

DPG Media B.V.

gevestigd te Amsterdam, verweerster


1 Verzoek

Verzoeker vraagt het College om te beoordelen of verweerster jegens hem verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte maakt door (nieuws)video’s op haar web- en mobiele applicatie niet van Nederlandse ondertiteling te voorzien en hierdoor niet zorg te dragen voor algemene toegankelijkheid van films voor mensen met een auditieve beperking. Verder vraagt hij het College te beoordelen of verweerster jegens hem verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte heeft gemaakt door zijn klacht over het gebrek aan ondertiteling niet zorgvuldig te behandelen.


2 Verloop van de procedure

2.1 Het College heeft in eerste instantie kennis genomen van de volgende stukken:

  • verzoekschrift van 2 maart 2021, ontvangen op 4 maart 2021;
  • verweerschrift van 20 augustus 2021.

2.2 Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 oktober 2021. Partijen zijn verschenen. Verzoeker werd bijgestaan door E. Brinkhof, klachtenconsulent Discriminatie Meldpunt Groningen. Verweerster werd vertegenwoordigd door [. . . .], Legal Counsel, die werd vergezeld door [. . . .], [. . . .] Algemeen Dagblad (AD).

2.3 Na de zitting is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. Op 23 november 2021 is het onderzoek in de zaak heropend en heeft het College nadere vragen aan verweerster gesteld. Verweerster heeft op 7 december 2021 antwoord gegeven op deze vragen. Bij e-mail van 12 januari 2022 heeft verzoeker hierop gereageerd. Vervolgens heeft het College op 31 januari 2022 het onderzoek in de zaak gesloten.


3 Feiten

3.1 Verzoeker heeft een auditieve beperking. Omdat hij de Nederlandse Gebarentaal (NGT) niet beheerst, heeft hij ondertiteling nodig om programma’s op internet of televisie te kunnen volgen. Verweerster is een groot mediahuis, dat onder meer video’s uitzendt dan wel publiceert via verschillende websites, waaronder www.ad.nl, en via mobiele applicaties (apps), zoals de app ‘AD – Nieuws, Sport & Regio’ (hierna AD-app). Verzoeker is geïnteresseerd in de online video’s die verweerster uitzendt. Door het ontbreken van de ondertiteling bij de meeste filmpjes is veel informatie van verweerster niet beschikbaar voor verzoeker.

3.2 Per e-mail van 23 augustus 2020 dient verzoeker bij verweerster een klacht in over het ontbreken van de ondertiteling bij video’s van verweerster. Verweerster reageert hierop per e-mail van 24 augustus 2020. Verzoeker stuurt vervolgens op 26 augustus en 3 september 2020 nogmaals een e-mail naar verweerster. Per e-mail van 7 september 2020 antwoordt de chef video van verweerster dat hij geen harde toezeggingen kan doen over de ondertiteling in hun video player en dat hij daarom de e-mail in cc naar de hoofredacteur heeft gestuurd.

3.3 Verzoeker dient op 3 september 2020 een klacht in bij Discriminatie Meldpunt Groningen, een antidiscriminatievoorziening, over het ontbreken van de ondertiteling bij video’s van verweerster. De klachtenconsulent stuurt op 25 september 2020 een brief naar verweerster met het verzoek om te reageren op de klacht. Namens verweerster reageert de hoofdredacteur van het AD per e-mail van 30 september 2020 op deze brief. Hij geeft aan dat er geen wettelijke plicht bestaat om online video’s te ondertitelen. Daarnaast is hij van mening dat geen sprake is van discriminatie, omdat verzoeker dezelfde toegang en dezelfde mogelijkheden heeft als andere bezoekers van hun site. De antidiscriminatievoorziening stuurt vervolgens op 24 november 2020 een reactie op deze brief naar verweerster en geeft daarin aan dat verzoeker het niet eens is met deze argumenten en verwijst daarbij naar de gelijkebehandelingswetgeving. Verweerster antwoordt vervolgens per e-mail van 24 november 2020 dat zij het probleem van verzoeker begrijpt, maar dat het voor haar niet te doen is om alle video’s te ondertitelen. De antidiscriminatievoorziening deelt verweerster vervolgens bij e-mail van 30 november mee dat verzoeker geen genoegen neemt met dit antwoord. Op 1 december 2020 schrijft verweerster dat de tijd ontbreekt om de discussie voort te zetten en dat zij het hierbij willen laten.


4 Algemene toegankelijkheid

Standpunt verzoeker

4.1 Verzoeker stelt dat verweerster jegens hem verboden onderscheid maakt op grond van handicap of chronische ziekte, doordat zij niet zorgdraagt voor ondertiteling van de door haar online uitgezonden video’s. Mensen met een auditieve beperking, zoals hij, zijn afhankelijk van de ondertiteling om de online video’s te kunnen volgen. Voor zover verweerster stelt dat de video’s vooral een illustratie zijn bij de geschreven berichten en artikelen die de kern van haar website en mobiele applicaties vormen, is het lastig om terug te vinden bij welke geschreven berichten de video’s horen. Er staat geen link naar deze berichten in de video. De diensten van verweerster zijn daarom niet algemeen toegankelijk voor mensen met een auditieve beperking. Daarnaast heeft verweerster volgens verzoeker onvoldoende onderzoek gedaan naar de technische mogelijkheden en de financiële haalbaarheid van het ondertitelen van haar video’s op de website en in de apps. Verweerster heeft niet voldoende onderbouwd dat zij werkt aan de verwezenlijking van deze algemene toegankelijkheid.

Standpunt verweerster

4.2 Verweerster betwist dat zij jegens verzoeker verboden onderscheid maakt op grond van handicap of chronische ziekte door (een deel van) de video’s die worden uitgezonden via weg- en mobiele applicatie niet te ondertitelen. Daartoe voert zij allereerst aan dat de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ) niet van toepassing is, omdat de Mediawet als bijzondere wet (lex specialis) voorgaat op de WGBH/CZ. Verweerster handelt niet in strijd met de wet, omdat zij op grond van de Mediawet niet verplicht is video’s op online kanalen te ondertitelen. Voor zover het College van oordeel is dat de WGBH/CZ wel van toepassing is, voert verweerster aan dat zij wel degelijk rekening houdt met personen met een auditieve beperking. Het plaatsen van video’s op online kanalen is nog in ontwikkeling en de video’s worden op dit moment nog gezien als ondersteuning van de geschreven berichten die op de website of in de apps staat. Daarnaast wordt een aantal van de video’s op de website en in de apps van verweerster al wel ondertiteld en voegt verweerster tekstblokken in bij de video’s, waarin kort wordt uitgelegd waar de video over gaat. Volgens verweerster is de informatievoorziening op de website daarmee dus ook toegankelijk voor mensen met een auditieve beperking. Verweerster heeft de intentie en de wens om al haar (nieuws)video’s te voorzien van ondertiteling. Dit is echter vooralsnog financieel en technisch niet haalbaar. Verweerster heeft dit een paar jaar geleden onderzocht. Zij monitort verder constant de (technologische) ontwikkelingen op het gebied van ondertiteling en zij heeft hiervoor een technisch producer in dienst genomen.

Beoordeling

4.3 Verzoeker heeft een auditieve beperking. Het College merkt dit aan als een handicap of chronische ziekte in de zin van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ). Niet in geschil is dat verzoeker een beroep kan doen op de WGBH/CZ.

4.4 Verzoeker heeft aangevoerd dat hij vanwege zijn auditieve beperking afhankelijk is van ondertiteling van video’s op de website en in de apps van verweerster. Zonder ondertiteling kan hij deze video’s niet volgen. Doordat er in de video’s geen link naar de daarbij behorende geschreven berichten wordt geplaatst, zijn deze geschreven berichten lastig te vinden. Hierdoor zijn volgens hem de diensten van verweerster niet algemeen toegankelijk voor slechthorenden en doven in Nederland. Het College concludeert hieruit dat verzoeker vraagt om een individuele doeltreffende aanpassing, maar een beroep doet op de verplichting om zorg te dragen voor algemene toegankelijkheid die is neergelegd in artikel 2a WGBH/CZ.

4.5 Uit artikel 2a in samenhang met artikel 5b van de WGBH/CZ volgt dat aanbieders van goederen en diensten tenminste geleidelijk zorg moeten dragen voor de algemene toegankelijkheid voor personen met een handicap of chronische ziekte, tenzij dat een onevenredige belasting voor hen vormt. Het College interpreteert dit artikel in het licht van artikel 01 van deze wet en van de doelstelling van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (hierna: VN verdrag handicap). In artikel 01 WGBH/CZ is bepaald dat ieder mens in staat moet worden gesteld om aansluitend bij zijn eigen mogelijkheden autonoom te zijn. Doel van het VN verdrag handicap is om de mensenrechten en fundamentele vrijheden van alle personen met een handicap te bevorderen, beschermen en waarborgen. Dit kan onder meer door drempels weg te nemen die hen kunnen beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving.

4.6 Verweerster biedt zowel printproducten (kranten en tijdschriften) als digitale producten (geschreven berichten, video’s op websites en apps) aan. Hiermee valt zij onder het bereik van artikel 5b WGBH/CZ. Zij is gehouden aan het verbod onderscheid te maken en verplicht zorg te dragen voor de algemene toegankelijkheid van de door haar aangeboden diensten onder artikel 2a WGBH/CZ.

Bevoegdheid

4.7 Verweerster voert aan dat zij op grond van de toepasselijke wetgeving niet verplicht is om video’s te ondertitelen die via online kanalen worden uitgezonden. In de Mediawet en het Besluit van 19 september 2006 tot wijziging van de Mediawet (ondertiteling ten behoeve van mensen met een auditieve beperking (Stb. 2006, 438; hierna; het Besluit) zijn specifieke regels over ondertiteling opgenomen voor aanbieders van mediadiensten, zoals verweerster. Deze wetgeving stelt eisen voor de ondertiteling van programma’s die worden uitgezonden via telvisie. Verweerster zendt geen video’s uit via deze zogenoemde lineaire kanalen, maar alleen via web- en mobiele applicatie. In de Mediawet en het Besluit is geen verplichting opgenomen om video’s te ondertitelen die worden uitgezonden via deze online kanalen. Volgens verweerster gaat de Mediawet als lex specialis voor op de Wet gelijke behandeling op grond van WGBH/CZ en handelt zij daarom niet in strijd met de wet.

4.8 Het College vat dit verweer op als een bevoegdheidsverweer. Verweerster stelt immers dat de WGBH/CZ als meer algemene wet (lex generalis) in dit geval niet van toepassing is, nu er specifieke wetgeving is over de verplichtingen voor aanbieders van mediadiensten wat betreft de ondertiteling van hun producten. Als de WGBH/CZ niet van toepassing is, is het College niet bevoegd.

4.9 Een bijzondere wet heeft voorrang op een algemene wet als deze bijzondere wet afwijkt van een algemene wettelijke bepaling en deze bijzondere wet de materie uitputtend regelt (vergelijk: Conclusie Advocaat-Generaal mr. M.E. van Hilten, 5 februari 2010, ECLI:NL:PHR:2012:BL6486, bijlage, punt 4.1 e.v.). Uit de rechtspraak volgt dat van exclusieve werking slechts sprake kan zijn indien de wet dat voorschrijft of onvermijdelijk meebrengt (zie: HR 15 november 2002, overweging 3.7.2, ECLI:NL:HR:2002:AE8194).

4.10 Het College stelt vast dat de Mediawet en het Besluit alleen de verplichtingen vastleggen ten aanzien van de ondertiteling van televisieprogramma’s. In de Mediawet en het onderliggende Besluit is niets geregeld over ondertiteling van video’s die openbaar worden gemaakt via online kanalen. Het College concludeert daaruit dat geen sprake is van een uitputtende wettelijke regeling of van overlap tussen de Mediawet en de WGBH/CZ. Evenmin brengt de wet dit onvermijdelijk mee. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Mediawet en het Besluit volgt ook niet dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever was om de specifieke situatie van ondertiteling van televisieprogramma’s uitputtend te regelen en tegelijkertijd partijen te vrijwaren van een ondertitelingsverplichting in andere situaties. Naar het oordeel van het College hebben de Mediawet en het Besluit dan ook geen exclusieve werking, vormen zij geen lex specialis ten opzichte van de WGBH/CZ en hebben zij geen voorrang op de algemene bepalingen in de WGBH/CZ. Daarnaast is het bepaalde in artikel 2a WGBH/CZ over de algemene toegankelijkheid en artikel 5b WGBH/CZ, waardoor de bescherming van de wet is uitgebreid naar het terrein van de goederen en diensten van latere datum dan de Mediawet en het Besluit. Artikel 2a WGBH/CZ is op 1 januari 2017 in werking getreden en artikel 5b is op 14 juni 2016. Op grond van deze artikelen zijn bedrijven verplicht hun goederen en (digitale) diensten zo toegankelijk mogelijk aan te bieden. Hiermee heeft de wetgever de verplichting met betrekking tot de toegankelijkheid van, onder meer, digitale diensten willen wijzigen. Ook bij de totstandkoming van deze wetswijzigingen blijkt nergens dat de wetgever de ondertiteling van televisieprogramma’s of video’s op online kanalen heeft willen uitsluiten, omdat hierover al specifieke wetgeving zou bestaan.

4.11 Op grond van het bovenstaande concludeert het College dat het bevoegd is om te onderzoeken en beoordelen of verweerster heeft voldaan aan zijn verplichting om zorg te dragen voor geleidelijke verwezenlijking van de algemene toegankelijkheid van haar diensten.

Geleidelijke verwezenlijking van algemene toegankelijkheid?

4.12 Ter zitting heeft verweerster aangevoerd dat zij sinds ongeveer vijf jaar video’s aanbiedt op de website en in de AD-app. Dit is dus nog een relatief nieuw product, dat nog volop in ontwikkeling is. Op dit moment worden de video’s vooral gezien als ondersteuning van de geschreven berichten die op de website en in de apps staan. De video’s bevatten geen nieuwe informatie. Daarnaast voegt verweerster tekstblokken toe aan de video’s waarin de inhoud kort wordt samengevat. Hierdoor is volgens verweerster het gehele digitale product, geschreven berichten en video’s, in zijn algemeenheid ook toegankelijk voor auditief beperkten.

4.13 Een paar jaar geleden heeft verweerster uitgebreid onderzocht of het ondertitelen van alle video’s op de website en/of applicatie technisch en financieel haalbaar is. Sindsdien kijkt zij periodiek, ongeveer elk half jaar, naar de technologische ontwikkelingen op het gebied van ondertiteling. Volgens verweerster is ondertitelen van alle video’s op dit moment niet haalbaar. De (spraakherkennings)software is daarvoor nog niet goed genoeg ontwikkeld en verweerster wil geen slecht ondertitelde video’s aanbieden. Daarnaast past het vooralsnog niet in het budget om alle video’s op de website en in de apps te ondertitelen. Het maken van een video is duurder dan het maken van een geschreven bericht. Daarnaast is de omloopsnelheid van een video heel groot. Ondertiteling zou de kosten van het maken van een video substantieel hoger doen uitkomen. Alleen het intypen van woorden kost ongeveer €50 per minuut en dan moet er nog een systeem worden ontwikkeld waardoor de teksten zichtbaar worden op de website of in de apps. Dit systeem bestaat nog niet. De investering in tijd en geld voor het ondertitelen van alle video’s staat op dit moment niet in verhouding met hoe lang het product, de video, wordt vertoond.

4.14 Verweerster heeft desgevraagd na de zitting nader toegelicht wat zij nu doet om haar video’s algemeen toegankelijk te maken. Zij stelt voorop dat het haar intentie is om alle video’s te voorzien van ondertiteling. Op dit moment is dat financieel niet haalbaar, mede omdat de geautomatiseerde oplossingen die mogelijk wel binnen de financiële kaders passen nog niet voldoen aan de door verweerster gestelde kwaliteitseisen. Verweerster kan zich als betrouwbaar nieuwsmedium geen taal- en spelfouten, onvolledige zinnen of andere tekstuele onduidelijkheden, veroorloven. Een andere kwaliteitseis is dat de ondertiteling beschikbaar komt binnen een tijdsduur niet langer dan twee keer de duur van de video. De conclusie van intern onderzoek was dat het inzetten van eigen medewerkers en/of opdrachtnemers of het inhuren van een bedrijf dat is gespecialiseerd in ondertiteling financieel niet haalbaar was en dat zij dus afhankelijk is van geautomatiseerde oplossingen voor ondertiteling. Deze geautomatiseerde oplossingen worden weliswaar steeds beter, maar voldoen niet aan de door verweerster gestelde kwaliteitseisen. Verweerster monitort op regelmatige basis alternatieve en/of nieuwe initiatieven op het gebied van (geautomatiseerde) ondertiteling en vraagt eventueel informatie op bij een aanbieder of nodigt een aanbieder uit voor het geven van een presentatie. Daarnaast heeft zij dit jaar ook een technisch producer in dienst genomen, die onder meer de technologische ontwikkelingen op het gebied van geautomatiseerde ondertiteling in de gaten houdt.

4.15 Het College is van oordeel dat verweerster op dit moment niet in strijd handelt met de in artikel 2a WGBH/CZ neergelegde verplichting om geleidelijk zorg te dragen voor algemene toegankelijkheid voor personen met een auditieve beperking. Daartoe overweegt het als volgt. De toets is of wordt gewerkt aan geleidelijke verwezenlijking van algemene toegankelijkheid. Hiervoor is het noodzakelijk dat duidelijk is dat de aanbieder inspanningen verricht om deze algemene toegankelijkheid te bereiken. Niet in geschil is dat verweerster actief bezig is om de algemene toegankelijkheid van haar video’s voor mensen met een auditieve beperking te realiseren. Het publiceren van video’s op de website en in de apps is nog volop in ontwikkeling. Een (klein) deel van deze video’s wordt ondertiteld en, daar waar geen ondertiteling is, wordt in de video’s een beknopte begeleidende tekst opgenomen die enige context aan de video geeft. Verweerster heeft ook de intentie uitgesproken om, zodra dit technisch en financieel mogelijk is, alle video’s op de website en in de applicatie te ondertitelen. Verweerster volgt de technologische ontwikkelingen op het gebied van geautomatiseerde ondertiteling op de voet en kijkt ook naar eventuele alternatieven. Zij heeft hiervoor speciaal iemand in dienst genomen. Naar het oordeel van het College blijkt hieruit dat verweerster toewerkt naar verwezenlijking van algemene toegankelijkheid van haar video’s op online kanalen. Dat (nog) niet alle video’s zijn ondertiteld, kan verweerster op dit moment redelijkerwijs niet worden tegenworpen, gezien de technische en financiële beperkingen waar zij mee te maken heeft. Verweerster heeft aangevoerd dat zij bij het publiceren van video’s op online kanalen, anders dan bij televisie-uitzendingen, afhankelijk is van geautomatiseerde ondertitelingssystemen om de kosten in de hand te houden. Dit heeft mede te maken met de vluchtigheid van deze video’s. Deze geautomatiseerde systemen voldoen nog niet aan de kwaliteitseisen die verweerster stelt. Dit acht het College begrijpelijk en niet onredelijk.

4.16 Dat op dit moment geen sprake is van schending van de inspanningsverplichting tot geleidelijke verwezenlijking van algemene toegankelijkheid, betekent niet dat verweerster vanaf nu geen actie meer hoeft te ondernemen. Verweerster moet vooral doorgaan met het realiseren van algemene toegankelijkheid van haar video’s voor mensen met een auditieve beperking. Geleidelijke verwezenlijking betekent ook dat een aanbieder van goederen en diensten, zoals verweerster, zich moet blijven inspannen om vooruitgang in toegankelijkheid te boeken. Dit oordeel kan dan ook worden gezien als een meetpunt aan de hand waarvan over enige tijd – bijvoorbeeld over enkele jaren – kan worden bepaald of sprake is van een voortschrijdende verwezenlijking van de algemene toegankelijkheid van de diensten waar het in dit oordeel om gaat.


5 Zorgvuldige klachtbehandeling?

Standpunt verzoeker

5.1 Verzoeker stelt dat verweerster zijn discriminatieklacht met betrekking tot het ontbreken van de ondertiteling niet zorgvuldig heeft behandeld. Verzoeker is van mening dat de reactie van verweerster, in met name de e-mail van 30 september 2020, onbevredigend en teleurstellend is en geen recht doet aan de verplichtingen die voortvloeien uit de gelijkebehandelingswetgeving. Daarnaast heeft verweerster na haar reactie van 30 september 2020 niet meer inhoudelijk gereageerd.

Standpunt verweerster

5.2 Volgens verweerster heeft zij de klacht van verzoeker zorgvuldig behandeld. Zij heeft immers uitgebreid, inhoudelijk en snel gereageerd op de klacht die verzoeker zelf heeft ingediend en op de klacht die verzoeker via de antidiscriminatievoorziening heeft ingediend.

Beoordeling

5.3 Bij het aanbieden van goederen en diensten bestaat, naast een negatieve verplichting om zich te onthouden van ongelijke behandeling, ook een positieve verplichting tot het nemen van maatregelen ter naleving van de gelijkebehandelingswetgeving. Deze verplichting houdt mede in dat een aanbieder een klacht over discriminatie zorgvuldig moet behandelen. Dit betekent onder meer dat een klacht voortvarend moet worden behandeld en dat voor een klager helder is wat er naar aanleiding van de klacht is ondernomen.

5.4 Het College stelt vast dat een medewerker van verweerster steeds enkele dagen na ontvangst van zowel de door verzoeker zelf ingediende klacht als de door de antidiscriminatievoorziening namens verzoeker ingediende klacht, schriftelijk en inhoudelijk heeft gereageerd. Naar het oordeel van het College heeft verweerster de klacht van verzoeker dan ook voortvarend in behandeling genomen en inhoudelijk behandeld. Zij heeft uitgelegd dat zij vanwege beperkingen in het budget en in de techniek op dit moment niet alle video’s kan ondertitelen, maar dat zij de ontwikkelingen op dit punt in de gaten houdt en op termijn gebruik wil maken van geautomatiseerde ondertitelingsystemen. Dat dit voor verzoeker geen bevredigend antwoord is, betekent naar het oordeel van het College niet dat de klachtbehandeling onzorgvuldig is geweest. Ook het feit dat verweerster in haar laatste e-mail niet meer inhoudelijk ingaat op de klacht, maar haar standpunt uit de eerdere e-mail handhaaft, maakt de klachtbehandeling niet onzorgvuldig.

5.5 Het College is dan ook van oordeel dat verweerster als aanbieder van een dienst de discriminatieklacht van verzoeker zorgvuldig heeft behandeld.


6 Oordeel

DPG Media B.V., handelend onder de naam ADR Nieuwsmedia heeft jegens [. . . .] geen verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte gemaakt.


Aldus gegeven te Utrecht op 11 maart 2022 door mr. dr. J.P. Loof, voorzitter, mr. dr. H.J.T.M. Swaanenburg-van Roosmalen en prof. dr. Y.M. Donders, leden van het College voor de Rechten van de Mens, in tegenwoordigheid van mr. R.E.M. Schimmel, secretaris.


mr. dr. J.P. Loof mr. R.E.M. Schimmel

Samenvatting oordeel