Stichting Het Goed heeft een man niet gediscrimineerd op grond van handicap of chronische ziekte door hem de toegang te weigeren tot de winkel.

Stichting Het Goed heeft een man niet gediscrimineerd op grond van handicap of chronische ziekte door hem de toegang te weigeren tot de winkel.

Oordeelnummer 2022-22
Datum: 14-03-2022
Trefwoord: Dienstverlening Aanbieden goederen en diensten Aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen en diensten Chronische ziekte Doeltreffende aanpassing Handicap of chronische ziekte Midden- en kleinbedrijf Zakelijke dienstverlening
Discriminatiegrond: Handicap of chronische ziekte
Terrein: Goederen en diensten - Overige
Regelingen: Wet gelijke behandeling handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ) Artikel 2 WGBH/CZ Artikel 5b WGBH/CZ
Situatie

De man heeft COPD, een ernstige longaandoening. Om die reden kan hij geen mondkapje dragen. Op de dag dat hij een afspraak heeft om te winkelen bij een kringloopwinkel van Stichting Het Goed, wordt hem de toegang tot de winkel geweigerd door het aanwezige personeel. De man legt uit dat hij om medische redenen geen mondkapje kan dragen. Na een discussie biedt de filiaalleider hem een faceshield aan, waarmee hij de winkel wel in mag. Voor de man komt dit aanbod echter te laat, hij weigert en verlaat de winkel. De man vindt dat de kringloopwinkel hem heeft gediscrimineerd door hem de toegang tot de winkel te ontzeggen.

Beoordeling

Het verzoek van de man om voor hem in verband met zijn longaandoening een uitzondering te maken op de mondkapjesplicht, kan worden gezien als een verzoek om een doeltreffende aanpassing. De winkel moet in principe een doeltreffende aanpassing verrichten als daar om wordt gevraagd, behalve als dit onevenredig belastend is. De winkel is echter niet verplicht om de door de man gevraagde doeltreffende aanpassing te bieden op de manier zoals de man dat wenst. Met het geboden alternatief, het dragen van een faceshield, had de man kunnen doen waarvoor hij naar de kringloopwinkel gekomen was. Tegelijkertijd was dit alternatief voor de winkel minder belastend met het oog op het beschermen van de eigen werknemers, waarvan een aanzienlijk deel een fysieke dan wel psychische kwetsbaarheid heeft. Daarbij is ook van belang dat Nederland ten tijde van het winkelbezoek in lockdown was en deze niet-essentiële winkel enkel op afspraak open was.

De man heeft aangegeven dat hij door zijn longaandoening ook geen faceshield kan dragen. Het College heeft het door de winkel meegebrachte faceshield ter zitting onderzocht. Daaruit blijkt dat het faceshield op ruime afstand van de neus gedragen wordt. De man heeft bovendien aangegeven dat hij elders wel een faceshield gedragen heeft op een manier die zijn ademhaling niet ernstig verstoorde. Er is dan ook sprake geweest van een doeltreffende aanpassing en daarom heeft de winkel de man niet gediscrimineerd vanwege zijn handicap of chronische ziekte. Dat het aanbod van het faceshield niet direct gedaan werd, is onprettig geweest voor de man, maar neemt niet weg dat er een doeltreffende aanpassing geboden is.

Oordeel

Stichting Het Goed heeft de man niet gediscrimineerd op grond van handicap of chronische ziekte.


Oordeel
2022-22


Datum: 14 maart 2022
Dossiernummer: 2021-0256


Oordeel in de zaak van

[….]

wonende te [….], verzoeker

tegen

Stichting Het Goed

gevestigd te Emmeloord, verweerster

1 Verzoek

Verzoeker vraagt het College om te beoordelen of verweerster verboden onderscheid op grond van handicap/chronische ziekte heeft gemaakt door hem de toegang tot de winkel te weigeren omdat hij geen mondkapje droeg.

2 Verloop van de procedure

2.1 Het College heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • verzoekschrift van 26 april 2021, ontvangen op 29 april 2021;
  • verweerschrift van 16 december 2021;
  • productie van verzoeker van 6 januari 2022.

2.2 Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 februari 2022. Partijen zijn verschenen. Verzoeker werd vergezeld door [….], getuige. Verweerster werd vertegenwoordigd door mr. M. Wirken, advocaat te Oosterhout, die werd vergezeld door [….], regiobedrijfsleider,[….], filiaalleider vestiging Eindhoven, en [….], medewerker HR-afdeling.

3 Feiten

Verzoeker heeft een ernstige longaandoening (COPD). Hij wilde op 26 april 2021 samen met de getuige een bezoek brengen aan een kringloopwinkel van verweerster. Daartoe had verzoeker per e-mail van 25 april 2021 een afspraak gemaakt, zoals op dat moment verplicht was vanwege de corona-maatregelen. Verzoeker werd aan de deur de toegang tot de winkel geweigerd, omdat hij geen mondkapje droeg. Nadat verzoeker aangaf geen mondkapje te kunnen dragen vanwege medische gronden, haalden de betrokken medewerkers de filiaalleider erbij. Na een discussie bood de filiaalleider verzoeker een faceshield aan, waarmee hij de winkel wel in zou mogen. Verzoeker weigerde dit aanbod en verliet de winkel.

4 Standpunt verzoeker

Verzoeker stelt dat hij is gediscrimineerd omdat verweerster hem zonder mondkapje niet wilde toelaten tot de winkel. Verweerster houdt zich volgens verzoeker ook niet aan de geldende wet- en regelgeving omtrent de mondkapjesplicht. Verzoeker had bij zijn winkelbezoek een kaartje om zijn hals waarop stond dat hij onder de uitzondering op de mondkapjesplicht viel. Ook had hij een ‘Eigen verklaring uitzondering mondkapjesplicht’ bij zich, en een medische verklaring. Het aanbod om met een faceshield naar binnen te gaan werd veel te laat gedaan, op een moment dat het voor verzoeker al geen zin meer had om de winkel te betreden gezien de beschikbare tijd. Bovendien is een faceshield geen geschikte aanpassing, omdat het faceshield bij verzoeker tegen de neus aan komt en hij de uitgeademde lucht weer inademt. Gezien zijn beperkte longcapaciteit is dat voor verzoeker geen optie.

5 Standpunt verweerster

Verweerster betwist dat zij verzoeker gediscrimineerd heeft. Verweerster bevestigt dat klanten bij het bezoek aan een van de winkels van verweerster een mondkapje moeten dragen. Is dat vanwege een uitzonderingspositie niet mogelijk, dan kan er een door de winkel ter beschikking gesteld faceshield gedragen worden. Dat is in lijn met de wet- en regelgeving hierover. Verzoeker is de toegang geweigerd omdat hij geen mondkapje of faceshield wilde dragen. Verweerster kon niet vaststellen dat verzoeker onder de uitzonderingen op de mondkapjesplicht viel. De filiaalleider mocht de ‘Eigen verklaring’ en de medische documenten van verzoeker niet inzien. Verweerster was dan ook niet bekend dat verzoeker een ernstige longaandoening heeft. De winkel van verweerster is geen reguliere winkel, maar een kringloopwinkel met een groot aantal medewerkers met een psychische of fysieke kwetsbaarheid. Daardoor hecht verweerster grote waarde aan duidelijke regels die de veiligheid en gezondheid van haar medewerkers goed beschermen.

6 Beoordeling

6.1 Verzoeker heeft COPD en lijdt derhalve aan een chronische ziekte in de zin van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (hierna: WGBH/CZ) (zie ook College voor de Rechten van de Mens, 2017-51, overweging 4.1).

6.2 Het is verboden om onderscheid te maken bij het aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen of diensten, indien dit geschiedt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (artikel 5b, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de WGBH/CZ). Verweerster is bij het aanbieden van goederen in haar kringloopwinkel gehouden aan dit verbod.

6.3 Het verbod om onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte te maken houdt mede in dat verweerster gehouden is om desgevraagd doeltreffende aanpassingen te verrichten, tenzij deze voor haar een onevenredige belasting vormen (artikel 2, eerste lid, van de WGBH/CZ).

6.4 Van 1 december 2020 tot 26 juni 2021 gold, op basis van artikel 2a.1 van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 (hierna: Trm), de regel dat personen van dertien jaar en ouder een mondkapje moesten dragen in publieke binnenruimten. In diezelfde regeling was in artikel 2a.4 bepaald dat op deze verplichting een uitzondering kon worden gemaakt voor personen die vanwege een beperking of een ziekte geen mondkapje konden dragen. Het verzoek van verzoeker om voor hem in verband met zijn COPD een uitzondering te maken op deze verplichting, kan worden gezien als een verzoek om een doeltreffende aanpassing in de zin van artikel 2 van de WGBH/CZ (zie ook College voor de Rechten van de Mens 22 juni 2021, 2021-80, overweging 4.8).

6.5 Verweerster is in beginsel gehouden om te voldoen aan een verzoek om een doeltreffende aanpassing, tenzij dit voor haar onevenredig belastend is. Daarbij geldt echter dat verweerster niet verplicht is de door verzoeker gevraagde doeltreffende aanpassing te bieden op de manier zoals verzoeker dat wenst. Een aanpassing is immers doeltreffend als deze geschikt is om de belemmeringen die iemand als gevolg van een handicap of chronische ziekte ondervindt, weg te nemen en als deze noodzakelijk is, in de zin dat geen andere (minder kostbare of ingrijpende) voorziening hetzelfde doel bereikt (Kamerstukken II 2001/02, 28 169, nr. 3, p. 25).

6.6 Het College stelt vast dat verweerster verzoeker weliswaar geen toegang tot de winkel heeft gegeven zonder mondkapje, maar wel een alternatief heeft geboden. Verzoeker mocht de winkel immers betreden met een faceshield, dat verweerster hem ter beschikking heeft gesteld. Naar het oordeel van het College heeft verweerster hiermee een doeltreffende aanpassing verricht, ook al is dit een andere aanpassing dan verzoeker wilde.

6.7 Het College concludeert dat verweerster met deze doeltreffende aanpassing zowel het belang van verzoeker om veilig te winkelen, als het belang van de veiligheid en gezondheid van andere winkelbezoekers en medewerkers van verweerster in acht heeft genomen. Verweerster heeft er in dat kader op gewezen dat zo’n 70 procent van haar medewerkers een fysieke dan wel psychische kwetsbaarheid heeft. Ook in het kader van de duidelijkheid voor medewerkers is het onwenselijk dat klanten zonder mondkapje de winkel betreden. Het dragen van een faceshield is een alternatief waar ook medewerkers van verweerster gebruik van maken. Dat verweerster in de periode dat verzoeker de winkel bezocht het belang van haar medewerkers en klanten zwaarder heeft laten wegen dan het individuele belang van verzoeker om zonder faceshield de winkel te bezoeken, maakt in de gegeven omstandigheden niet dat de getroffen aanpassing niet geschikt was. Daarbij is volgens het College van belang dat in april 2021 sprake was van een lockdown vanwege stijgende besmettingen. Verweerster behoort niet tot de essentiële winkels, dus de winkel was op dat moment enkel op afspraak geopend. Enkele dagen na het winkelbezoek van verzoeker werden pas de eerste versoepelingen doorgevoerd. Het College oordeelt daarom dat de aanpassing die verweerster heeft getroffen op het moment dat verzoeker de winkel bezocht, een doeltreffende aanpassing was.

6.8 Verzoeker heeft ter zitting aangedragen dat het faceshield geen wettelijk alternatief is voor een mondkapje. Daartoe verwijst hij naar de ter zitting overhandigde informatie van de Rijksoverheid (zie www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/coronavirus-covid-19/mondkapjes/mensen-met-een-beperking-of-ziekte). Het is echter niet aan het College om uitspraken te doen over de juridische status van het faceshield in het kader van de Trm. Bovendien blijkt uit de door de Rijksoverheid beschikbaar gestelde informatie dat het faceshield door de wetgever gezien wordt als praktisch alternatief als iemand vanwege een beperking of ziekte geen mondkapje kan dragen. De genoemde website van de Rijksoverheid bepaalt daarover het volgende: “Een spatscherm (faceshield) bedekt de neus en mond niet volledig, en geldt daarom niet als wettelijk alternatief voor een mondkapje. […] Als u vanwege uw beperking of ziekte geen mondkapje kan dragen, maar wel een faceshield, dan mag u daar wel voor kiezen.”

6.9 Het dragen van een faceshield had verzoeker in de gelegenheid gesteld om te doen waarvoor hij naar de winkel van verweerster was gekomen. De door verweerster geboden aanpassing was in zoverre dan ook geschikt. Verzoeker heeft verder aangevoerd dat het voor hem niet mogelijk was om een faceshield te dragen. Ter zitting is het faceshield dat verweerster aan bezoekers van haar winkels ter beschikking stelt onderzocht. Daaruit blijkt dat de afstand tussen de neus en het faceshield zo’n 7 tot 10 centimeter is. Daarmee kan aangenomen worden dat verzoeker dit kan dragen zonder dat zijn ademhaling ernstig wordt belemmerd. Bovendien heeft verzoeker ter zitting eveneens aangegeven in een andere winkel van verweerster wel een faceshield te hebben gedragen. Verzoeker kon het faceshield op een wijze dragen die zijn ademhaling niet ernstig verstoorde.

6.10 Verzoeker heeft ter zitting ook aangedragen dat het aanbod van het faceshield te laat gedaan werd. Verzoeker stond op dat moment al geruime tijd voor de winkel en was vanwege andere verplichtingen niet meer in de gelegenheid de winkel in te gaan. Verweerster heeft ter zitting verklaard dat verzoeker moest wachten omdat de filiaalleider erbij geroepen werd en de winkel erg groot is. Het College komt deze uitleg niet onaannemelijk voor. Hoewel het College begrijpt dat het vervelend voor verzoeker was om te moeten wachten, neemt dit niet weg dat verzoeker wel degelijk een geschikte aanpassing geboden is, waarmee hij de winkel kon betreden en daar kon winkelen.

6.11 Het College is op grond van het voorgaande van oordeel dat verweerster jegens verzoeker geen verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte heeft gemaakt bij het verrichten van een doeltreffende aanpassing.

7 Oordeel

Verweerster heeft geen verboden onderscheid gemaakt jegens verzoeker op grond van handicap of chronische ziekte.

Aldus gegeven te Utrecht op 14 maart 2022 door prof. dr. J. Morijn, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. Jans, secretaris.



prof. dr. J. Morijn mr. H. Jans
namens deze,
mr. N. Günes
secretaris

Samenvatting oordeel