Een vrouw toont niet aan dat een bakkerswinkel haar heeft afgewezen omdat zij een hoofddoek draagt. De bakkerswinkel behandelde de discriminatieklacht van de vrouw niet zorgvuldig.

Een vrouw toont niet aan dat een bakkerswinkel haar heeft afgewezen omdat zij een hoofddoek draagt. De bakkerswinkel behandelde de discriminatieklacht van de vrouw niet zorgvuldig.

Oordeelnummer 2022-29
Datum: 28-03-2022
Trefwoord: Sollicitatie Selectie Werving Islam Godsdienst Seniorenregeling Hoofddoek Klachtbehandeling Behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking Midden- en kleinbedrijf Werving & selectie Bewijslast
Discriminatiegrond: Godsdienst
Terrein: Arbeid - Werving en Selectie
Regelingen: Artikel 5 AWGB Artikel 10 AWGB Artikel 5 lid 1 AWGB Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) Artikel 1 AWGB
Situatie

Een vrouw draagt vanwege haar islamitische geloof een hoofddoek. Zij solliciteert naar een functie bij een bakkerswinkel. De eigenaresse van de winkel nodigt de vrouw uit voor een sollicitatiegesprek. De vrouw komt voor dit gesprek naar de winkel en spreekt met een medewerker. De vrouw wordt niet aangenomen. Volgens de vrouw is sprake van discriminatie omdat de medewerker zei dat zij alleen zou worden aangenomen als zij haar hoofddoek zou afdoen. De bakkerswinkel betwist dat het zo is gegaan. De vrouw dient daarna een discriminatieklacht in bij de bakkerswinkel. Daarop hebben partijen een e-mailwisseling.

Beoordeling

Een werkgever mag geen onderscheid maken op grond van godsdienst bij de werving en selectie. De afwijzing voor een functie valt daar ook onder. Het dragen van een hoofddoek door een persoon met het islamitisch geloof is een beschermde geloofsuiting.

Het is aan de vrouw om feiten aan te voeren die onderscheid kunnen doen vermoeden. Daarin slaagt zij niet. Partijen spreken elkaar tegen over wat er precies is gezegd en gebeurd. Hierdoor kan het College niet vaststellen dat de bakkerswinkel de vrouw heeft afgewezen omdat zij een hoofddoek draagt.

Het College is van oordeel dat de bakkerswinkel de discriminatieklacht van de vrouw onzorgvuldig heeft behandeld. De eigenaresse van de bakkerswinkel heeft wel op de klacht gereageerd maar het verhaal van de vrouw onvoldoende serieus genomen.

Oordeel

De bakkerswinkel heeft jegens een vrouw geen verboden onderscheid gemaakt op grond van godsdienst bij de afwijzing voor een functie en verboden onderscheid gemaakt op grond van godsdienst bij de behandeling van een discriminatieklacht.


OordeeL
2022-29


Datum: 28 maart 2022
Dossiernummer: 2021-0144


Oordeel in de zaak van

[. . . .]

wonende te [. . . .], verzoekster

tegen

Bakker Bertram

gevestigd te Amsterdam, verweerster

1 Verzoek

Verzoekster vraagt het College om te beoordelen of verweerster jegens haar verboden onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt door haar af te wijzen als winkelmedewerker omdat zij een hoofddoek draagt. Ook vraagt verzoekster om te beoordelen of verweerster verboden onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt door haar discriminatieklacht niet zorgvuldig te hebben behandeld.

2 Verloop van de procedure

2.1 Het College heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • verzoekschrift van 8 maart 2021, ontvangen op dezelfde dag;
  • e-mail van verzoekster van 20 april 2021;
  • e-mail van verweerster van 20 juli 2021;
  • brief van verzoekster van 26 augustus 2021;
  • e-mail van verweerster van 28 september 2021;
  • brief van verzoekster van 15 september 2021.

2.2 Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 februari 2022. Partijen zijn verschenen. Verzoekster werd vertegenwoordigd door mr. L. Hovhanisian, advocaat te Amsterdam, en werd vergezeld door [. . . .], de zus van verzoekster, S. Teppema, medewerker Meldpunt Discriminatie Amsterdam (MDRA), en mr. D. van Boven, advocaat te Amsterdam. Van de zijde van verweerster was de eigenaar aanwezig.


3 Feiten

Verzoekster is moslima en draagt vanwege haar geloof een hoofddoek. Verweerster exploiteert als eenmanszaak een bakkerswinkel. Op 8 augustus 2020 solliciteert verzoekster naar een bijbaan in de bakkerswinkel, waarop verweerster haar uitnodigt voor een sollicitatiegesprek op 11 augustus 2020. Op die dag komt verzoekster voor het gesprek in de bakkerswinkel en spreekt zij met een medewerker. Verzoekster wordt niet aangenomen. Op 9 oktober 2020 stuurt MDRA een e-mail naar verweerster met een discriminatieklacht van verzoekster. Verweerster en het MDRA hebben daarna nog een e-mailwisseling.

4 Afwijzing voor de functie van bakkersmedewerker

Standpunt verzoekster
Verweerster heeft verzoekster gediscrimineerd op grond van haar godsdienst. Verzoekster is afgewezen als winkelmedewerker omdat zij een hoofddoek draagt.

Standpunt verweerster
Verweerster betwist dat zij verzoekster gediscrimineerd heeft. Verweerster wijst niemand af vanwege het dragen van een hoofddoek. Er zijn ook meerdere winkelmedewerkers werkzaam die een hoofddoek dragen. Verweerster heeft navraag gedaan bij de destijds werkende medewerkers. Niemand herkent zich in de door verzoekster geschetste gang van zaken.

Beoordeling
4.1 In artikel 5, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB), in samenhang met artikel 1 AWGB, is bepaald dat het is verboden om onderscheid te maken op grond van godsdienst bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking. Hieronder valt ook de afwijzing voor een functie. Het College toetst de voorliggende vraag aan dit wettelijk kader.

4.2 Het dragen van een hoofddoek door een moslima kan worden beschouwd als een uiting van een geloofsovertuiging en wordt daarom beschermd door de AWGB. Hieraan doet niet af dat over het dragen van een hoofddoek door aanhangers van een bepaalde geloofsrichting verschillend kan worden gedacht (vergelijk: College 18 november 2019, 2019-119, overweging 6.2, en College 9 juni 2015, 2015-67, overweging 3.3). Verzoekster, die aanvoert dat verweerster haar vanwege haar hoofddoek heeft afgewezen, kan een beroep doen op de bescherming van de AWGB.

4.3 Op basis van de bewijslastverdeling tussen partijen is het aan verzoekster om feiten aan te voeren die onderscheid kunnen doen vermoeden (artikel 10, eerste lid, AWGB).

4.4 Het College stelt voorop dat als onbetwist tussen partijen vaststaat dat verzoekster niet met verweerster zelf, de eigenaar van de winkel, het sollicitatiegesprek heeft gevoerd. Ook staat vast dat verweerster op dat moment niet in de winkel aanwezig was.

4.5 Verzoekster voert aan dat zij de bakkerswinkel binnenkwam voor het gesprek en haar werd gevraagd om even te wachten. Zij zag een jonge en een wat oudere medewerker met elkaar praten, vermoedelijk over haar omdat zij aan het fluisteren waren. Daarop kwam de jonge medewerker, van wie verzoekster de naam en functie niet weet, naar haar toe en zei: “Ik zie dat je een hoofddoek draagt en dat doen wij hier niet“. De medewerker vroeg of verzoekster bereid was om haar hoofddoek af te doen. Verzoekster was verbijsterd en gaf aan dat dit voor haar geen optie was. De medewerker zei daarop dat het geen zin had om verder te praten, waarna verzoekster is weggegaan. Verweerster betwist dat verzoekster is afgewezen vanwege haar hoofddoek en verklaart het volgende. Verweerster heeft navraag gedaan bij de destijds werkzame winkelmedewerkers. De ‘jonge medewerker’ die verzoekster noemt, is waarschijnlijk de destijds dienstdoende manager, die niet meer bij verweerster in dienst is. Deze manager herkent zich niet in het verhaal van verzoekster en betwist dat over een hoofddoek is gesproken. Uit navraag bij alle andere medewerkers van de winkel volgt dat niemand zich herkent in het verhaal van verzoekster.

4.6 Het College overweegt dat het, nu partijen verschillende lezingen hebben, niet kan vaststellen wat er is gebeurd. Omdat verzoekster haar kant van het verhaal niet met bewijs heeft onderbouwd, is dit niet als feit komen vast te staan. Daarom komt het College tot de conclusie dat verzoekster geen feiten heeft aangevoerd die onderscheid op grond van godsdienst kunnen doen vermoeden. Derhalve is niet gebleken dat verweerster jegens verzoekster onderscheid heeft gemaakt op grond van godsdienst bij de afwijzing.


5 Heeft verweerster de discriminatieklacht zorgvuldig behandeld?

Standpunt verzoekster
Verweerster heeft verzoeksters discriminatieklacht niet zorgvuldig behandeld. Verweerster trok, in de reactie op verzoeksters klacht, het verhaal van verzoekster in twijfel en nam verzoeksters klacht niet serieus. In het kader van de zorgvuldigheid had verweerster in ieder geval in gesprek moeten treden met verzoekster.

Standpunt verweerster
Naar aanleiding van de klacht heeft verweerster gesproken met de twee medewerkers die toen werkten in de winkel. Dit heeft verweerster teruggekoppeld naar verzoekster.

Beoordeling
5.1 Het verbod van onderscheid op grond van godsdienst, zoals dit volgt uit artikel 5, eerste lid, aanhef en onderdeel a, AWGB, houdt niet alleen in dat een werkgever zich moet onthouden van het maken van onderscheid (een negatieve verplichting), maar ook dat hij maatregelen moet nemen ter naleving van deze wet (positieve verplichting). Hieronder valt ook de verplichting om een klacht over discriminatie zorgvuldig te behandelen.

5.2 Het College is van oordeel dat verweerster de discriminatieklacht onvoldoende serieus heeft genomen. Vast staat dat MDRA op 9 oktober 2020 namens verzoekster een klacht bij verweerster indient over onderscheid op grond van godsdienst. MDRA schrijft: “Verzoekster is op basis van haar uiterlijk en het feit dat zij een hoofddoek draagt afgewezen. En: “Verzoekster voelt zich niet geaccepteerd en voelt zich gediscrimineerd. Zij kan niet geloven dat dit echt gebeurd is en is er kapot van”. MDRA vraagt verweerster om hierop te reageren. Verweerster reageert hierop met een e-mail van 9 oktober 2020 en schrijft (onder andere): “Ik heb het even nagevraagd en er is niemand die hier iets vanaf weet. Is de dame wel op gesprek geweest bij ons?”. Op 21 oktober 2021 stuurt MDRA een e-mail naar verweerster en schrijft daarin (onder andere): “Verzoekster vindt het extra pijnlijk dat het er nu op lijkt dat er niet serieus naar de klacht is gekeken en dat het voorval wordt ontkend. Zij heeft niet zomaar een melding gedaan en het is niet haar bedoeling verweerster in een kwaad daglicht te stellen. Wel wenst verzoekster een serieus antwoord op haar klacht. Ook zou zij graag met u in gesprek gaan over de impact van dit voorval.” Op 17 november 2020 antwoordt verweerster: “Het voorval wordt ontkend omdat dit nooit heeft plaatsgevonden! Het verhaal van de dame klopt van geen kant (…)”.

5.3 Hoewel verweerster in haar reactie op de discriminatieklacht schrijft dat zij navraag heeft gedaan bij de medewerkers, komt haar reactie er in de kern op neer dat zij het volledige verhaal van verzoekster in twijfel trekt. Tegelijkertijd biedt verweerster verzoekster geen kans om het verhaal bij haar toe te lichten. Vast staat dat verweerster niet is ingegaan op meerdere uitnodigingen van MDRA om te praten. Het College is van oordeel dat verweerster, door dit verzuim, de klacht niet zorgvuldig heeft behandeld. Daarom oordeelt het College dat verweerster jegens verzoekster verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van godsdienst bij de behandeling van haar discriminatieklacht. Het College overweegt ten overvloede dat het met instemming kennis heeft genomen van de verklaring van verweerster ter zitting, dat het voeren van een gesprek met verzoekster zinvol zou zijn geweest en dat zij het betreurt dat dit er niet van is gekomen.

6 Oordeel

Bakker Bertram heeft jegens [. . . .]:

  • geen verboden onderscheid gemaakt op grond van godsdienst bij de afwijzing voor een functie;
  • verboden onderscheid gemaakt op grond van godsdienst bij de behandeling van een discriminatieklacht.

Aldus gegeven te Utrecht op 28 maart 2022 door mr. M. Chébti LL.M., voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Hester, secretaris.



mr. M. Chébti LL.M. mr. S.B. Hester

Samenvatting oordeel