Het College is niet bevoegd om te oordelen over handelingen die voortvloeien uit de Tbs-maatregel die aan een man is opgelegd. De Tbs-instelling maakt geen verboden onderscheid bij het zorgdragen voor een discriminatievrije woon- en behandelomgeving en door geen koosjere maaltijden te verstrekken. Ook is er geen sprake van victimisatie.

Het College is niet bevoegd om te oordelen over handelingen die voortvloeien uit de Tbs-maatregel die aan een man is opgelegd. De Tbs-instelling maakt geen verboden onderscheid bij het zorgdragen voor een discriminatievrije woon- en behandelomgeving en door geen koosjere maaltijden te verstrekken. Ook is er geen sprake van victimisatie.

Oordeelnummer 2022-36
Datum: 14-04-2022
Trefwoord: Aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen en diensten Bewijslast Belang Gezondheidszorg Wonen Bejegening Victimisatie Aanbieden goederen en diensten Bevoegdheid College Vereniging Godsdienst
Discriminatiegrond: Ras Godsdienst
Terrein: Goederen en diensten - Overige
Regelingen: Artikel 1 AWGB Artikel 7 AWGB Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) Artikel 8 AWGB Artikel 10 AWGB
Situatie

Een terbeschikkinggestelde man (TBS-er) van Surinaamse en Chinese afkomst verblijft in een Tbs-inrichting van de Pompestichting (hierna: de Pompestichting). De man stelt dat de Pompestichting hem discrimineert op grond van zijn afkomst bij het toepassen van maatregelen en het opleggen van sancties. Daarnaast doet de Pompestichting volgens de man niets wanneer hij wordt gediscrimineerd door mede terbeschikkinggestelden. De man stelt verder dat de Pompestichting hem discrimineert op grond van godsdienst door geen koosjere maaltijden te verstrekken ondanks dat hij Joods is. Tenslotte stelt de man dat hij is benadeeld vanwege zijn discriminatieklacht (victimisatie), omdat hij na zijn klacht bij het College is overgeplaatst naar een extra beveiligde afdeling.

 

Beoordeling

Discriminatie door medepatiënten

Het is aan de man om feiten aan te voeren die onderscheid doen vermoeden. De man stelt dat wanneer hij klaagt over discriminatie door medepatiënten, de Pompestichting hier niets aan doet. Daarnaast neemt de Pompestichting geen maatregelen om het probleem structureel op te lossen.

De Pompestichting weerspreekt dit en licht toe dat de soort interventies of maatregelen die op individueel niveau worden genomen, afhankelijk zijn van de behandeling van terbeschikkinggestelden in kwestie. Daarnaast kan dit vanwege privacyoverwegingen niet worden gedeeld, waardoor aan de man geen specifieke terugkoppeling kan worden gegeven over wat er is ondernomen naar aanleiding van de discriminatieklacht. Het College is gezien de toelichting van de Pompestichting van oordeel dat de man geen feiten heeft aangevoerd die doen vermoeden dat de Pompestichting is tekortgeschoten in de plicht om te zorgen voor een discriminatievrije leefomgeving.

Koosjere maaltijden

De man stelt dat hij de Joodse geloofsovertuiging heeft en dat hij daarom koosjere maaltijden wil nuttigen. De Pompestichting stelt echter dat zij redenen had om te twijfelen of de wens van de man om koosjer te eten oprecht voortvloeide uit zijn religie. Zij heeft na onderzoek geconcludeerd at dit niet zo is, waardoor hij niet in aanmerking komt voor koosjere maaltijden.

Wanneer een beroep wordt gedaan op bepaalde privileges, mag worden verlangd dat men aantoont dat de betreffende gedraging verband houdt met zijn godsdienstige overtuiging. Het College acht het ook niet onredelijk dat de Pompestichting heeft geprobeerd vast te stellen of de wens om koosjere maaltijden te krijgen ook daadwerkelijk uit zijn religie voortvloeit. Het College ziet in het gegeven dat de man zelf niet koosjer kookt en het nalaat om koosjer boodschappen te bestellen, een aanwijzing dat de man in ieder geval niet heel consequent is in het uiting geven aan zijn Joodse religie. Daarbij neemt het College ook in aanmerking dat de rabbijn die de Pompestichting heeft ingeschakeld na hem gesproken te hebben tot de conclusie is gekomen dat hij niet Joods is. Dat de Pompestichting op basis van deze uitgevoerde controle heeft geconcludeerd dat er geen gegronde redenen zijn om de man koosjere maaltijden te serveren, leidt naar oordeel van het College niet tot discriminatie.

Benadeling vanwege zijn discriminatieklacht (victimisatie)

De man stelt dat hij naar een extra beveiligde afdeling is overgeplaatst vanwege zijn klacht bij het College. Het is aan de man om dit te bewijzen. Het College overweegt dat hij geen bewijs heeft aangedragen om zijn stelling te ondersteunen. Daarbij staat vast dat de man is overgeplaatst voordat de Pompestichting op de hoogte werd gebracht van de klacht bij het College. Victimisatie is dan ook niet bewezen.

 

Oordeel

Pompestichting heeft geen verboden onderscheid gemaakt jegens de man op grond van ras en/of godsdienst en heeft niet in strijd gehandeld met het victimisatieverbod.


Oordeel
2022-36

Datum: 14 april 2022

Dossiernummer: 2021-0281

 

Oordeel in de zaak van

[….]

wonende te [….], verzoeker

tegen

Pompestichting

gevestigd te Nijmegen, verweerster

 

1 Verzoek

Verzoeker vraagt het College om te beoordelen of verweerster verboden onderscheid op grond van ras en/of godsdienst heeft gemaakt bij het opleggen van (vrijheidsbenemende) maatregelen en sancties en door onvoldoende zorg te dragen voor een discriminatievrije woon- en behandelomgeving. Ook vraagt verzoeker het College te beoordelen of verweerster verboden onderscheid maakt op grond van godsdienst door te weigeren om hem koosjere maaltijden te verstrekken, en of verweerster in strijd heeft gehandeld met het victimisatieverbod.

 

2 Verloop van de procedure

2.1 Het College heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • verzoekschrift van 10 mei 2021, ontvangen op dezelfde dag;
  • e-mails van verzoeker van 18 juli 2021, 4 september 2021, 7 augustus 2021, 26 augustus 2021, en 8 december 2021;
  • verweerschrift van 22 december 2021.

2.2 Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2021. Partijen zijn verschenen. Verzoeker heeft via een videoverbinding deelgenomen aan de zitting. Verweerster werd vertegenwoordigd door mr. dr. L.A.P. Arends, advocaat te Nijmegen, die werd vergezeld door [….], behandelcoördinator en GZ psycholoog, [….], zorgmanager, en [….], jurist bij verweerster.

 

3 Feiten

3.1 Verzoeker is van Surinaamse en Chinese afkomst. Aan verzoeker is in 2010 een Tbs-maatregel opgelegd waarna hij in verschillende forensisch psychiatrische centra (hierna: Tbs-inrichtingen) opgenomen is geweest. Verweerster is een particuliere stichting voor forensische psychiatrie, die tevens beschikt over klinieken waar langdurige forensisch psychiatrische zorg wordt geboden aan terbeschikkinggestelden met een zogenoemde ‘longstay-indicatie’.

3.2 Verzoeker verblijft van 19 juli 2017 tot en met 11 oktober 2018 in een Tbs-inrichting van verweerster. In 2020 wordt bij het ministerie een aanvraag gedaan tot plaatsing in een locatie voor Langdurige Forensisch Psychiatrische Zorg (LFPZ). Deze longstay-indicatie wordt toegekend indien het recidiverisico van de tbs-gestelde na meerdere jaren behandeling desondanks onverminderd hoog blijft. Na goedkeuring van deze aanvraag is verzoeker op 25 juli 2020 opgenomen in LFPZ Zeeland en op 25 oktober 2021 in de Zeer Intensieve Specialistische Zorg (ZISZ) afdeling in LFPZ Vught, beide locaties van verweerster. Bij aankomst in LFPZ Vught vraagt verzoeker koosjere maaltijden aan bij verweerster.

 

4 Bevoegdheid

4.1 Het is verboden om onderscheid op grond van ras en godsdienst te maken bij het aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen of diensten door instellingen die werkzaam zijn op het gebied van gezondheidszorg (Artikel 7, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) in samenhang met artikel 1 AWGB)). Verweerster is een instelling die (forensisch) psychiatrische zorg aanbiedt en is hiermee aan te merken als een instelling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel c, AWGB.

4.2 Hoewel het verlenen van forensisch psychiatrische zorg op zich een vorm is van dienstverlening die binnen het bereik van art. 7 AWGB valt, kan het College er niet aan voorbij gaan dat de psychiatrische zorg die verweerster biedt, plaatsvindt in een situatie van gedwongen vrijheidsbeneming die wordt gereguleerd door onder meer de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (hierna: Bvt). Deze wet bevat onder meer bepalingen over controle en geweldgebruik, de (beperking van de) bewegingsvrijheid binnen de inrichting en de mogelijkheid tot communicatie met de buitenwereld. Het College constateert dat een deel van de klachten van verzoeker bestaat uit handelingen en beslissingen die gereguleerd worden door Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden. Verzoeker klaagt namelijk deels over discriminatie bij de toepassing van vrijheidsbenemende maatregelen en het opleggen van disciplinaire sancties. Het College overweegt dat deze handelingen onlosmakelijk verbonden zijn aan de Tbs-maatregel die aan verzoeker is opgelegd. Het opleggen van deze Tbs-maatregel moet worden aangemerkt als een vorm van eenzijdig overheidshandelen waarop de AWGB niet van toepassing is. Dit deel van het handelen van verweerster wordt verder uitputtend gereguleerd door bovengenoemde, specifiek op dit soort situaties gerichte, Bvt. Een en ander maakt dat dit handelen van verweerster buiten de reikwijdte van de gelijkebehandelingswetgeving valt die door het College getoetst kan worden. Ten overvloede merkt het College op dat Tbs-gestelden de mogelijkheid hebben om zich tot de beklagcommissie van de betreffende instelling te wenden met klachten over genoemde handelingen (artikel 56 en 57 Bvt). Daarnaast biedt deze wet de mogelijkheid om beroep in te stellen bij de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) tegen allerlei beslissingen die in het kader van de terbeschikkingstelling kunnen worden genomen en waartegen geen beklag open staat. Voor de klachtmogelijkheid bij het College is op dit terrein dan ook geen aanvullende rol weggelegd.

4.3 Op grond van het voorgaande is het College niet bevoegd om een oordeel te geven over de klachten van verzoeker die zien op vermeend onderscheid bij de mogelijkheid tot telefonisch contact, het opleggen van beperkende maatregelen, urinecontroles en de invulling van dagbesteding. Het College is echter wel bevoegd om te oordelen op de klachten die zien op discriminatie in de leefomgeving en de dagelijkse gang van zaken, voor zover het bestreden handelen niet voortvloeit uit de Tbs-maatregel (vergelijk Commissie Gelijke Behandeling 5 juli 2012, 2012-0058). Het College zal derhalve hierna de klachten over het zorgdragen voor een discriminatievrije omgeving en over de weigering om verzoeker koosjere maaltijden aan te bieden, inhoudelijk beoordelen. Tevens zal het College beoordelen of verweerster in strijd heeft gehandeld met het victimisatieverbod.

 

5 Verboden onderscheid door onvoldoende zorg te dragen voor een discriminatievrije woon- en behandelomgeving ?

Standpunt verzoeker

Verzoeker stelt dat verweerster hem niet beschermt tegen discriminerende uitlatingen en handelingen door witte medepatiënten en medewerkers. Wanneer hij klaagt over discriminatie doet verweerster hier niets aan. Daarnaast neemt verweerster geen maatregelen om het probleem structureel op te lossen. Verweerster zorgt derhalve niet voor een discriminatievrije woon- en behandelomgeving.

Standpunt verweerster

Voor alle patiënten gelden dezelfde regels. Voor zover onderscheid wordt gemaakt tussen patiënten, gebeurt dat op basis van de specifieke omstandigheden/ gedragingen en behandelinhoudelijke overwegingen. Verweerster onderzoekt en neemt wel degelijk maatregelen op het moment dat verzoeker een discriminatieklacht indient.

Beoordeling

5.1 Zoals onder 4.1 vermeld, verbiedt de AWGB onderscheid op grond van ras en godsdienst bij het aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen en diensten door onder meer instellingen die werkzaam zijn op het gebied van gezondheidszorg. Dit verbod houdt mede in dat de aanbieder van een dienst verplicht is zorg te dragen voor een discriminatievrije omgeving. Dat betekent in de onderhavige zaak dat verweerster zorg moet dragen voor een discriminatievrije woon- en behandelomgeving voor de terbeschikkinggestelden. Tevens houdt dat in dat verweerster eventuele klachten over discriminatie zorgvuldig moet behandelen en passende maatregelen moet treffen ter voorkoming en of bestrijding van discriminatie.

5.2 Het College legt het begrip ras, overeenkomstig het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, ruim uit. Het begrip ras omvat tevens huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming (zie ook: Kamerstukken II 1990/91, 22014, nr. 3, p. 13). Nu verzoeker stelt dat hij vanwege zijn Surinaamse afkomst is gediscrimineerd, kan aan de AWGB getoetst worden.

5.3 De bewijslastverdeling tussen partijen is geregeld in artikel 10 AWGB en deze luidt als volgt. Indien de verzoekende partij erin slaagt om feiten aan te voeren die onderscheid kunnen doen vermoeden is het aan de verwerende partij om te bewijzen dat niet in strijd met de AWGB is gehandeld.

5.4 Verzoeker stelt dat witte terbeschikkinggestelden discriminerende uitspraken doen over zijn huidskleur en geloofsovertuiging, zonder dat daar consequenties aan worden verbonden. Verder wordt het bijvoorbeeld toegestaan dat tijdens dagbesteding voorwerpen worden vervaardigd waarop discriminerende leuzen, zoals ‘white power’, staan. Niet alleen grijpen medewerkers niet in op discriminatoire bejegening, maar zij doen er zelf aan mee. Verweerster is er volgens verzoeker van op de hoogte dat dit soort dingen zich structureel voordoen maar neemt geen maatregelen om dit probleem op te lossen.

5.5 Verweerster betwist de stelling dat medewerkers discriminatoire opmerkingen maken, waardoor het College dit niet kan vaststellen als een feit. Ten aanzien van de stelling dat niet wordt ingegrepen op discriminatoire bejegening door andere terbeschikkinggestelden, voert verweerster aan dat hier wel degelijk actie op is ondernomen jegens de betreffende personen. Voor zover verzoekers klacht erop ziet dat hij niet is geïnformeerd over de aard van de interventies die verweerster heeft verricht om discriminerende gedragingen door andere terbeschikkinggestelden tegen te gaan, beroept verweerster zich op het feit dat de beslissingen om interventies te plegen of maatregelen op te leggen aan zich misdragende terbeschikkinggestelden altijd bezien moeten worden vanuit het perspectief van de behandeling die de personen ondergaan. Dat behandelperspectief maakt enerzijds dat genomen beslissingen met betrekking tot een patiënt niet zo maar met derden kunnen worden gedeeld en maakt tevens dat de te verrichten interventies niet louter gericht kunnen zijn op maximale effectiviteit op korte termijn (in de zin van het tegengaan van nieuwe discriminerende gedragingen), maar bezien moeten worden op hun inpasbaarheid in het langduriger psychisch behandelplan voor betrokkenen.

5.6 Ten aanzien van de klacht dat verweerster zich niet inspant om te zorgen dat de discriminatoire handelingen volledig uitblijven, stelt verweerster dat dit ten dele wordt veroorzaakt door het feit dat verzoeker zich soms ook provocerend gedraagt. Bovendien is het voor verweerster onmogelijk om volledig te voorkomen dat terbeschikkinggestelden geen discriminerende uitlatingen doen. Het enige wat zij kan doen is hierop acteren zodra zij ervan op de hoogte is. Het College overweegt dat de mogelijkheden voor verweerster om discriminerende gedragingen tussen terbeschikkinggestelden volledig uit te bannen begrensd zijn aangezien de psychiatrische behandeling die verweerster biedt nu eenmaal plaatsvindt in een vrijheidsbenemende setting. De personen die het betreft kunnen niet zonder meer overgeplaatst of elders behandeld worden. Het College overweegt dat gezien deze context niet van verweerster kan worden gevergd dat discriminatoire bejegening tussen terbeschikkinggestelden volledig wordt uitgebannen.

5.7 Het College overweegt dat het moeilijk is om in een situatie als deze een nauwkeurig beeld te krijgen van de inspanningen die verweerster heeft verricht. Het College moet in de context van deze zaak afgaan op de verklaringen van partijen. Tegenover de stellingen van verzoeker staat het betoog van verweerster over de begrenzing van haar mogelijkheden om discriminerende gedragingen tussen terbeschikkinggestelden volledig te voorkomen en om volledige transparantie te betrachten richting verzoeker over interventies die hebben plaatsgevonden naar aanleiding van zijn klachten. Het College acht dit betoog alleszins redelijk en overtuigend. Dit brengt het College tot de conclusie dat verzoeker geen feiten heeft aangevoerd die het vermoeden vestigen dat verweerster is tekortgeschoten in haar verplichting tot het waarborgen van een discriminatievrije leefomgeving voor verzoeker of in haar verplichting om verzoekers discriminatieklachten op een zorgvuldige wijze te behandelen.

 

6 Discriminatie op grond van godsdienst door verzoeker geen koosjere maaltijden te verstrekken

Standpunt verzoekster

Verzoeker stelt dat hij Joods is en dat verweerster weigert om koosjere maaltijden aan hem te verstrekken. Hiermee maakt zij onderscheid op grond van godsdienst.

Standpunt verweerster

Verweerster stelt dat zij wel degelijk koosjere maaltijden verstrekt aan de personen die hiervoor in aanmerking komen. Zij heeft dit aanvankelijk ook voor verzoeker gedaan. Daarna is echter vastgesteld dat verzoeker niet Joods is, waardoor hij niet in aanmerking komt voor koosjere maaltijden.

Beoordeling

6.1 Het begrip godsdienst dient overeenkomstig het door de Grondwet en internationale mensenrechtenverdragen gewaarborgde recht op vrijheid van godsdienst ruim te worden uitgelegd en omvat niet alleen het huldigen van een geloofsovertuiging, maar ook het zich er naar kunnen gedragen (Kamerstukken II 1990/91, 22 014, nr. 5, p. 39-40. Vgl. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 29). Dit laatste aspect van de godsdienstvrijheid, ook wel aangeduid met de term handelings- of uitingsvrijheid, beoogt betrokkenen onder meer in staat te stellen om hun leven volgens de voor hen geldende godsdienstige voorschriften en regels in te richten en hier ook anderszins gestalte aan te geven in de leefsituatie en omgeving. In het verlengde hiervan beoogt de AWGB tevens bescherming te bieden aan gedragingen die, mede gelet op de betekenis van godsdienstige voorschriften en regels, rechtstreeks uitdrukking geven aan een godsdienstige overtuiging, waarbij in voorkomende gevallen van de betrokkene kan worden verlangd dat hij kan stellen en bewijzen dat een gedraging uitdrukking geeft aan zijn godsdienst (vergelijk o.m. EHRM 13 april 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:0413JUD005517000, Kosteski t. Macedonië, r.o. 73)

6.2 Verzoeker stelt dat hij de Joodse geloofsovertuiging heeft en dat hij daarom koosjere maaltijden wil nuttigen. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft reeds geoordeeld dat religieus dieet binnen het bereik valt van de godsdienstvrijheid (EHRM 27 juni 2000, appl.no. 27417/95). Verweerster stelt echter dat zij redenen had om te twijfelen of de wens van verzoeker om koosjer te eten oprecht voortvloeide uit zijn religie. Verzoeker bereidde immers geen koosjere maaltijden wanneer hij zelf mocht koken. Desalniettemin heeft verweerster laten onderzoeken of er gegronde redenen zouden zijn om verzoeker in zijn geuite wens tegemoet te komen. Daartoe is een rabbijn ingeschakeld die met verzoeker heeft gesproken over zijn religieuze beleving en Joodse afkomst. Het beeld dat daaruit naar voren is gekomen is dat verzoeker niet Joods is omdat hij, anders dan hij stelt, geen Joodse moeder heeft en ook verder geen blijk geeft van een zodanige religieuze beleving dat hij als Joods zou moeten worden aangemerkt.

6.3 Het College overweegt dat in een geval als deze, waarbij een beroep wordt gedaan op bepaalde privileges, verlangd mag worden dat men aantoont dat de betreffende gedraging verband houdt met of voortvloeit uit zijn godsdienstige overtuiging (vergelijk EHRM 13 april 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:0413JUD005517000, Kosteski t. Macedonië, r.o. 39). Verzoeker heeft jegens verweerster niet onderbouwd dat hij Joods is. In tegendeel, zijn gedrag heeft daarover twijfel doen ontstaan bij verweerster. Het College acht het dan ook niet onredelijk dat verweerster heeft getracht te verifiëren of de door verzoeker verzochte privileges ook daadwerkelijk uit zijn religie voortvloeien. Dit temeer in het licht van het manipulatieve gedrag dat verweerster bij een aanzienlijk deel van de terbeschikkinggestelden ervaart en in het licht van de extra kosten die het treffen van dit soort dieetvoorzieningen met zich brengt. Het College ziet in het gegeven dat verzoeker zelf niet koosjer kookt en het nalaat om koosjer boodschappen te bestellen, een aanwijzing dat verzoeker in ieder geval niet heel consequent is in het uiting geven aan zijn Joodse religie op dit punt. Daarbij neemt het College ook in aanmerking dat de rabbijn tot de conclusie is gekomen dat verzoeker niet Joods is. Dat verweerster op basis van deze uitgevoerde controle heeft geconcludeerd dat er geen gegronde redenen zijn om verzoeker tegemoet te komen in zijn wens tot het krijgen van koosjere maaltijden, levert naar het oordeel van het College dan ook geen verboden onderscheid op grond van godsdienst op.

 

7 Victimisatie na het indienen van een klacht bij het College?

Standpunt verzoeker

Verzoeker stelt dat hij door verweerster is gevictimiseerd. Nadat hij een klacht heeft ingediend bij het College, is hij overgeplaatst naar LFPZ Vught. Hij verblijft momenteel op een extra beveiligde afdeling en zijn rechten worden nog meer dan voorheen ingeperkt.

Standpunt verweerster

Verweerster betwist dat van victimisatie sprake is geweest. De overplaatsing had slechts te maken met het feit dat de behandeling niet bij hem heeft aangeslagen en dat zijn verblijf een ontwrichtend effect had. Het is daarom in een multidisciplinair overleg besloten om hem over te plaatsen.

Beoordeling

7.1 Het is verboden personen te benadelen vanwege het feit dat zij in of buiten rechte een beroep hebben gedaan op de AWGB (artikel 8a, eerste lid, AWGB). Dit wordt ook wel aangeduid als het verbod op victimsatie. Bij de beoordeling van victimisatie gelden de algemene bepalingen van het bewijsrecht van de artikelen 150 tot en met 155 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Het is aan verzoeker om te stellen en zo nodig te bewijzen dat verweerster zich jegens hem schuldig heeft gemaakt aan victimisatie.

7.2 Het College overweegt dat hoewel verzoeker vermoedt dat er een verband bestaat tussen zijn klacht en de overplaatsing, hij hiervoor geen bewijs aandraagt. Nergens blijkt uit dat de beslissing om hem over te plaatsen is ingegeven door zijn klacht bij het College. Verweerster heeft deze stelling dan ook gemotiveerd betwist. Daarbij staat vast dat verzoeker is overgeplaatst naar LFPZ Vught op 25 oktober 2021 terwijl verweerster pas per brief van 10 november 2021 op de hoogte is gesteld van de klacht die verzoeker bij het College heeft ingediend.

7.3 Het College oordeelt op grond van het voorgaande dat victimisatie niet is bewezen.

 

8 Oordeel

Pompestichting heeft geen verboden onderscheid gemaakt jegens [….] op grond van ras en/of godsdienst en heeft jegens hem niet in strijd gehandeld met het victimisatieverbod.

 

Aldus gegeven te Utrecht op 14 april 2022 door mr. dr. J.P. Loof, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. G.E. Rovere Flores, secretaris.

mr. dr. J.P. Loof mr. G.E. Rovere Flores

Samenvatting oordeel