Straver Uitvaartvervoer B.V. discrimineert niet op grond van geslacht door het contract van een vrouw niet te verlengen.

Straver Uitvaartvervoer B.V. discrimineert niet op grond van geslacht door het contract van een vrouw niet te verlengen.

Oordeelnummer 2022-37
Datum: 21-04-2022
Trefwoord: Aangaan arbeidsverhouding Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd Bescherming van de vrouw Geslacht Aanbieden betrekking Aanbieding betrekking Bewijslast Bedrijfsleven
Discriminatiegrond: Geslacht
Terrein: Arbeid - Aangaan en beëindiging arbeidsrelatie
Regelingen: Artikel 7:646 lid 1 BW (nieuw) Artikel 7:646 lid 5 BW (nieuw) Artikel 7:646 lid 12 BW (nieuw) Artikel 7:646 BW (nieuw) Burgerlijk Wetboek (nieuw)
Situatie

Een vrouw werkte als chauffeur bij een vervoersbedrijf voor rouwvervoer. Zij stelt dat haar contract niet is verlengd omdat zij een vrouw is en sommige uitvaartbedrijven de voorkeur hebben voor een mannelijke chauffeur. Straver Uitvaartvervoer B.V. betwist dat haar geslacht een rol heeft gespeeld bij de beslissing om niet te verlengen. De reden om niet te verlengen was dat meerdere klanten hebben geklaagd over haar werk en houding.

 

Beoordeling

Op grond van de bewijslastverdeling is het aan de vrouw om feiten aan te voeren die doen vermoeden dat haar contract niet is verlengd vanwege haar geslacht. Zij heeft een aantal punten naar voren gebracht om haar klacht te onderbouwen. Zo stelt zij onder andere dat de leidinggevende tijdens het aanzeggingsgesprek heeft gezegd dat haar contract niet wordt verlengd omdat sommige uitvaartondernemers geen vrouwelijke chauffeur op de rouwwagen willen. De vrouw heeft een geluidsopname van dit gesprek overgelegd.

Het College stelt vast dat soms de voorkeur is voor een man op de rouwauto vanwege de wensen van families. Ook staat vast dat de leidinggevende in het aanzeggingsgesprek heeft gezegd dat hij de vrouw daar eigenlijk niet naartoe kan sturen. Dit doet naar oordeel van het College echter geen onderscheid vermoeden bij de beslissing om het contract niet te verlengen. Uit de opname van het aanzeggingsgesprek en de schriftelijke stukken blijkt namelijk dat de reden voor het niet verlengen van haar contract, is dat er een aantal klachten over het functioneren van de vrouw is binnengekomen. Deze klachten hebben niets te maken met haar geslacht. Vast staat ook dat de vrouw wel degelijk werd ingezet bij opdrachten waarbij de voorkeur uitging naar een man, al was het soms in de volgauto in plaats van de rouwauto. Het College begrijpt de opmerking van de leidinggevende – dat hij de vrouw niet naar bepaalde opdrachten toe kon sturen – tegen de achtergrond dat zij een voorkeur zei te hebben voor het besturen van de rouwauto. Op basis hiervan is enkele feit dat een (soms voorkomende) voorkeur voor mannelijke chauffeurs op de rouwauto is benoemd in het aanzeggingsgesprek, geen feit is dat doet vermoeden dat het contract niet is verlengd omdat zij een vrouw is.

 

Oordeel

Straver Uitvaartvervoer B.V. heeft geen verboden onderscheid gemaakt jegens de vrouw op grond van geslacht.


Oordeel
2022-37

Datum: 21 april 2022

Dossiernummer: 2021-0299

 

Oordeel in de zaak van

[….]

wonende te [….], verzoekster

tegen

Straver Uitvaartvervoer B.V.

gevestigd te Gouda , verweerster

 

1 Verzoek

Verzoekster vraagt het College om te beoordelen of verweerster verboden onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt door haar arbeidsovereenkomst niet te verlengen omdat zij een vrouw is.

 

2 Verloop van de procedure

2.1 Het College heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • verzoekschrift van 12 mei 2021, ontvangen op 17 mei 2021;
  • e-mail van verzoekster van 29 juni 2021;
  • e-mail van verzoekster van 4 augustus 2021;
  • verweerschrift van 10 januari 2022.

2.2 Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2022. Partijen zijn verschenen. Verzoekster werd vergezeld door [….] en bijgestaan door E. Polak, klachtenconsulent Stichting Inclusie & Discriminatiebestrijding (IDB). Verweerster werd vertegenwoordigd door mr. A.W.A. Varkevisser, advocaat te Alphen a/d Rijn, die werd vergezeld door [….], directielid en [….], operationeel manager.

 

3 Feiten

3.1 Verweerster is een vervoersbedrijf voor rouwvervoer. Haar klanten zijn uitvaartondernemers. Verzoekster is een ervaren beroepschauffeur en sinds enige jaren werkzaam in het rouwvervoer. Zij is op 1 april 2020 in dienst getreden bij verweerster als chauffeur op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst voor de duur van 12 maanden. De arbeidsduur bedroeg 24 uur per week. Zowel het besturen van rouwauto’s als van volgauto’s kon deel uitmaken van haar werkzaamheden.

3.2 Op 23 juli 2020 geeft J. Blokland, direct leidinggevende van verzoekster, te kennen dat het er naar uitzag dat haar arbeidsovereenkomst niet verlengd zou worden vanwege klachten van ondernemers.

3.3 Op 12 februari 2021 deelt de leidinggevende aan verzoekster mee dat de arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd. Verweerster stuurt op dezelfde dag een schriftelijke aanzegging. Het contract is van rechtswege geëindigd per 31 maart 2021.

 

4 Standpunt verzoekster

Verzoekster stelt dat zij het gevoel had dat zij door haar collega’s en leidinggevende anders werd behandeld omdat zij vrouw is. Zij werd genegeerd en niet goed begeleid. Zij functioneerde echter goed. Tijdens het aanzeggingsgesprek heeft de leidinggevende gezegd dat haar geslacht (mede) reden was om haar arbeidsovereenkomst niet te verlengen.

5 Standpunt verweerster

Verweerster herkent zich niet in het beeld dat verzoekster schetst. Ze betwist dat het geslacht van verzoekster een rol heeft gespeeld bij de beslissing om de arbeidsovereenkomst niet te verlengen. De reden voor deze beslissing was gelegen in het feit dat meerdere ondernemers hadden aangegeven ontevreden te zijn over haar werk en haar houding. Bovendien werken er meerdere vrouwelijke chauffeurs bij verweerster. Als verzoekster geen vrouwen in dienst zou willen hebben, had ze deze andere vrouwelijke chauffeurs en ook verzoekster niet aangenomen.

 

6 Beoordeling

6.1 De werkgever mag geen onderscheid maken tussen mannen en vrouwen bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst (artikel 7:646, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW)). De beslissing om een arbeidsovereenkomst al dan niet te verlengen, is een beslissing over het al dan niet aangaan van een arbeidsovereenkomst. Het College zal daarom beoordelen of verweerder verboden onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt bij het (niet) verlengen van de arbeidsovereenkomst.

6.2 Onder onderscheid wordt verstaan: direct en indirect onderscheid. Direct onderscheid betekent dat een persoon op grond van geslacht op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld (artikel 7:646, vijfde lid, BW).

6.3 Indien degene die meent dat te zijnen nadeel een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in dit artikel, in rechte feiten aanvoert die dat onderscheid kunnen doen vermoeden, dient de wederpartij te bewijzen dat niet in strijd met dit artikel is gehandeld (artikel 7:646, twaalfde lid, BW).

Feiten die onderscheid kunnen doen vermoeden?

6.4 Verzoekster stelt allereerst dat zij vanaf het moment van indiensttreding anders werd behandeld omdat zij een vrouw is. Zo maakten collega’s de opmerkingen dat zij als vrouw niet in de rouwauto hoort te rijden en dat vrouwen geen verstand hebben van auto’s. Zij heeft dit niet bij haar leidinggevende gemeld, omdat hij naar haar gevoel niet benaderbaar was. Verweerster betwist deze stellingen. Nu partijen elkaar tegenspreken, en verzoekster haar stellingen niet anderszins heeft onderbouwd, kan het College niet vaststellen wat er zich precies heeft voorgedaan. Daarom kan hetgeen verzoekster hierover heeft aangevoerd, niet als feit vast komen te staan. De stelling van verzoekster dat haar leidinggevende haar stelselmatig negeerde, heeft verweerster betwist. Ook in dit opzicht kan het College geen feiten vaststellen. Daarbij overweegt het College dat nergens uit blijkt dat het vermeende gedrag van de leidinggevende enig verband zou houden met het geslacht van verzoekster.

6.5 Ten tweede heeft verzoekster aangevoerd dat zij goed functioneerde en dat er nooit verbeterpunten zijn genoemd. De beslissing om niet te verlengen, kan dan ook niet zijn ingegeven door een gebrek aan functioneren. Verweerster heeft op 23 juli 2020 slechts opgemerkt dat het verlengen van haar contract op dat moment een ‘no go’ zou zijn vanwege klachten die over haar waren binnengekomen van opdrachtgevers. De reden van de klachten heeft verweerster echter niet toegelicht, aldus verzoekster. Verweerster stelt daar tegenover dat de klachten over haar houding gingen. Nu partijen elkaar tegenspreken op dit punt, kan het College niet vaststellen of verweerster heeft toegelicht waar de klachten over gingen. Wel staat vast dat de klachten geen verband hielden met het geslacht van verzoekster. Vast staat ook dat verweerster op 23 juli 2020 heeft aangegeven op dat moment ontevreden te zijn met haar functioneren. De stelling van verzoekster dat zij goed functioneerde kan derhalve naar het oordeel van het College niet als feit worden vastgesteld.

6.6 Ten slotte stelt verzoekster dat de leidinggevende tijdens het aanzeggingsgesprek op 12 februari 2021 heeft erkend dat haar geslacht mede de reden was om haar contract niet te verlengen. Zij heeft een opname overgelegd van dit gesprek. Verweerster betwist dat de leidinggevende dit zo heeft gezegd. Dat tijdens het aanzeggingsgesprek tevens is gesproken over de voorkeur van sommige bedrijven ondernemers of families voor een mannelijke chauffeur op de rouwwagen, betekent niet dat dit de reden was om niet te verlengen. Het College stelt vast, gehoord het door verzoekster opgenomen gesprek van 12 februari 2021, dat de leidinggevende tegen verzoekster heeft gezegd dat het contract niet wordt verlengd omdat hij een aantal klachten heeft binnengekregen van opdrachtgevers. Hij vertelt vervolgens dat hij contact met hen heeft gehad om te bespreken of zij toch nog kon worden ingezet. Sommigen wilden haar nog wel een kans geven, maar anderen niet. De leidinggevende geeft hierop aan dat dit haar inzet bemoeilijkt en daardoor is besloten om haar contract niet te verlengen. Het College stelt verder vast dat de leidinggevende vervolgens, na een vraag van verzoekster, een aantal ondernemers opnoemt die niet meer met verzoekster willen werken. Daarbij merkt hij tevens op dat er ondernemers zijn waar een man wordt gevraagd voor de rouwauto. Daar kan hij verzoekster eigenlijk ook niet naartoe sturen.

6.7 Het College leidt uit het voorgaande af dat verweerster samenwerkt met ondernemers die families als klanten hebben die een voorkeur hebben voor een man op de rouwauto. Het College stelt verder vast dat de leidinggevende in het aanzeggingsgesprek heeft gezegd dat hij verzoekster daar eigenlijk niet naartoe kan sturen. Het College overweegt evenwel dit geen feit is dat kan doen vermoeden dat het geslacht van de vrouw mede een reden is geweest om het contract niet te verlengen. Daartoe overweegt het als volgt. Uit de opname van het aanzeggingsgesprek en de overgelegde stukken blijkt dat de reden voor het niet verlengen van haar contract, is gelegen in klachten over het functioneren van verzoekster waardoor zij niet meer voldoende ingezet kan worden. Er is een zestal klachten in het personeelsdossier van verzoekster opgenomen en een klacht is per e-mail ingediend. Het College constateert dat deze klachten geen verband houden met het geslacht van verzoekster. Uit de verklaringen van partijen is vast komen te staan dat de voorkeur van sommige nabestaanden voor een mannelijke chauffeur op de rouwauto, niet tot gevolg had dat verzoekster niet meer kon worden ingezet bij opdrachten bij die ondernemers. Verweerster heeft hierover toegelicht dat aan deze wens slechts gehoor wordt gegeven wanneer de planning dat toelaat. Dat komt overeen met de verklaring van verzoekster dat zij een aantal keer is ingezet om op de rouwauto te rijden, ondanks de omstandigheid dat om een man was gevraagd. Onweersproken is dat, wanneer er wel een man wordt ingepland om de rouwauto te besturen, vrouwelijke chauffeurs van verweerster nog steeds kunnen worden ingezet om in de volgauto te rijden. Het College begrijpt de opmerking van de leidinggevende – dat hij haar daar niet naartoe kan sturen – dan ook tegen de achtergrond dat verzoekster een voorkeur heeft voor het besturen van de rouwauto. Het College concludeert op basis van voorgaande dat wat in het aanzeggingsgesprek is gezegd geen feit vormt dat onderscheid kan doen vermoeden. Haar verminderde inzetbaarheid was toe te schrijven aan het feit dat een aantal ondernemers hadden aangegeven niet meer met haar te willen werken. In het licht van het voorgaande kan het College aan de opmerking tijdens het aanzeggingsgesprek niet dezelfde betekenis toekennen die verzoekster eraan toekent. Het enkele feit dat een (soms voorkomende) voorkeur voor het inzetten van mannelijke chauffeurs op de rouwauto is benoemd in dit gesprek, leidt daarom niet tot het vermoeden dat de beslissing om het contract van verzoekster niet te verlengen is ingegeven door haar geslacht.

6.8 Gelet op het voorgaande concludeert het College dat verzoekster geen feiten heeft aangevoerd die onderscheid op grond van geslacht kunnen doen vermoeden. Het College komt derhalve tot het oordeel dat verweerster jegens verzoekster geen verboden onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt bij het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst.

 

7 Oordeel

Straver Uitvaartvervoer B.V. heeft geen verboden onderscheid gemaakt jegens [….] op grond van geslacht.

 

Aldus gegeven te Utrecht op 21 april 2022 door mr. dr. H.J.T.M. Swaanenburg-van Roosmalen, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. G.E. Rovere Flores, secretaris.

mr. dr. H.J.T.M. Swaanenburg-van Roosmalen mr. G.E. Rovere Flores

Samenvatting oordeel