Het Paradijs B.V. discrimineert een man niet door hem vanwege zijn nationaliteit de toegang te weigeren tot de coffeeshop. Discriminatoire bejegening kan niet worden vastgesteld. De klachtenafhandeling was niet onzorgvuldig.

Het Paradijs B.V. discrimineert een man niet door hem vanwege zijn nationaliteit de toegang te weigeren tot de coffeeshop. Discriminatoire bejegening kan niet worden vastgesteld. De klachtenafhandeling was niet onzorgvuldig.

Oordeelnummer 2022-39
Datum: 25-04-2022
Trefwoord: Nationaliteit Bejegening Bewijslast Midden- en kleinbedrijf Zakelijke dienstverlening Horeca Aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen en diensten Dienstverlening Aanbieden goederen en diensten
Discriminatiegrond: Nationaliteit
Terrein: Goederen en diensten - Overige
Regelingen: Artikel 10 AWGB Artikel 7 AWGB Algemene wet gelijke behandeling (AWGB)
Situatie

Op 17 april 2021 wilde de man een bezoek brengen aan coffeeshop Het Paradijs B.V. (hierna: de coffeeshop). Aan de deur toonde de man zijn Verblijfsdocument 'Duurzaam verblijf burgers van de Unie' aan de medewerker die daar stond. De medewerker gaf aan dat de man ook een uittreksel van het BRP moest laten zien, om aan te tonen dat hij in Nederland verbleef. Tussen de man en de medewerker ontstond een discussie. Volgens de man is hij uiteindelijk wel binnen gelaten, maar wilde hij niets meer kopen. Volgens de coffeeshop is de man niet binnen geweest.

Later op de dag heeft de man gebeld met Het Paradijs B.V. over het voorval. Ook heeft de man berichten gestuurd via Facebook Messenger. Volgens die berichten heeft de coffeeshop navraag gedaan bij het personeel over het voorval. Ook heeft de coffeeshop toegelicht waarom de man extra documentatie moest laten zien om toegang tot de coffeeshop te krijgen.

 

Beoordeling

Toegang tot de winkel

Bij coffeeshops in Breda geldt op basis van gemeentelijk beleid het ingezetenencriterium. Het ingezetenencriterium is één van de landelijke gedoogcriteria die gelden voor coffeeshops. Dit criterium betekent in principe dat coffeeshops niet toegankelijk zijn voor mensen die niet in een Nederlandse gemeente staan ingeschreven. Het is echter afhankelijk per gemeente of dit criterium gehanteerd wordt. In Breda is dat het geval, en daarom wordt bij deze coffeeshop gevraagd naar een uittreksel van het BRP. De man zegt echter bij de deur geweigerd te zijn omdat hij niet in het bezit is van een Nederlands paspoort of identiteitsbewijs. De man geeft aan dat hij na een discussie wel naar binnen mocht, ook al had hij geen uittreksel van het BRP bij zich. De coffeeshop geeft aan dat de man niet binnen is geweest. Omdat onduidelijk is of de man wel of niet binnen gelaten is, kan het College niet oordelen over de vraag of de man al dan niet gediscrimineerd is.

Discriminatoire bejegening

Partijen verschillen van mening over wat er precies gezegd is tijdens de discussie aan de deur. Op basis van de Algemene wet gelijke behandeling is het aan de man om verder bewijs aan te dragen. Dat heeft de man niet gedaan, waardoor het College niet kan vaststellen dat er sprake geweest is van discriminatoire bejegening.

Klachtbehandeling

De man stelt dat zijn klacht over de gebeurtenissen niet zorgvuldig behandeld is door de coffeeshop. De coffeeshop geeft aan dat het zowel telefonisch als via Facebook Messenger gereageerd heeft op de klachten van de man. De coffeeshop moet zich aan het beleid van de gemeente houden, en kan niets anders voor de man betekenen dan het beleid uitleggen. Dat heeft het gedaan. Ook heeft de coffeeshop nagevraagd bij haar personeel wat er gebeurd is. Het College oordeelt dat de coffeeshop een gemotiveerde reactie gegeven heeft op de discriminatieklacht van verzoeker. Daarbij heeft de coffeeshop op alle punten die de man genoemd heeft gereageerd. Ook heeft de coffeeshop onderzoek gedaan onder de medewerkers naar de gebeurtenissen. Hoewel een reactie via Facebook in principe niet de aangewezen manier is om een klacht te behandelen, betekent dat in dit specifieke geval niet dat de klachtbehandeling door Het Paradijs B.V. onzorgvuldig is geweest.

 

Oordeel

Het Paradijs B.V. heeft geen verboden onderscheid gemaakt jegens de man op grond van nationaliteit.


Oordeel
2022-39

Datum: 25 april 2022

Dossiernummer: 2021-0245

 

Oordeel in de zaak van

[. . . .]

wonende te [. . . .] (Nederland), verzoeker

tegen

Het Paradijs B.V.

gevestigd te Breda, verweerster

 

1 Verzoek

Verzoeker vraag het College om te beoordelen of Het Paradijs B.V. verboden onderscheid jegens hem heeft gemaakt op grond van nationaliteit door hem toegang tot de coffeeshop te weigeren, hem daarbij discriminatoir te bejegenen en door zijn discriminatieklacht hierover niet zorgvuldig af te handelen.

 

2 Verloop van de procedure

2.1 Het College heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • verzoekschrift van 21 april 2021, ontvangen op dezelfde dag;
  • verweerschrift van 3 december 2021;
  • productie van verweerster van 26 februari 2022.

2.2 Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2022. Partijen zijn verschenen. Verzoeker werd vergezeld door [. . . .], zijn partner. Voor verzoeker was tevens M. Kosicka, tolk Pools-Nederlands, aanwezig. Verweerster werd vertegenwoordigd door mr. drs. G.A.C. Beckers, advocaat te Maastricht, die werd vergezeld door [. . . .], eigenaar, en bijgestaan door [. . . .], medewerker.

 

3 Feiten

3.1 Op 17 april 2021 wilde verzoeker een bezoek brengen aan verweerster, een coffeeshop. Aan de deur toonde verzoeker zijn Verblijfsdocument 'Duurzaam verblijf burgers van de Unie' (hierna: de Verblijfskaart) aan de medewerker die daar stond. De medewerker gaf aan dat verzoeker ook een uittreksel van het BRP moest laten zien, om aan te tonen dat verzoeker in Nederland verbleef. Tussen verzoeker en de medewerker ontstond een discussie.

3.2 Later op de dag heeft verzoeker met verweerster gebeld over het voorval. Ook heeft verzoeker verweerster via Facebook Messenger benaderd. Volgens die berichten heeft verweerster navraag gedaan bij het personeel over het voorval. Ook heeft verweerster toegelicht waarom verzoeker extra documentatie moest laten zien.

 

4 Toegang tot de winkel geweigerd en extra documentatie gevraagd?

Standpunt verzoeker

4.1 Verzoeker stelt dat verweerster hem discrimineert op basis van zijn nationaliteit, door hem aanvankelijk de toegang tot de winkel te weigeren, en hem om extra documentatie te vragen. Verzoeker is pas na een discussie binnengelaten.

Standpunt verweerster

4.2 Verweerster betwist dat zij verzoeker gediscrimineerd heeft. Volgens verweerster is verzoeker niet binnengelaten, omdat dat niet toegestaan is op basis van het ingezetenencriterium (hierna: i-criterium). Alle coffeeshops in Breda zijn op basis van de Nota coffeeshopbeleid Breda 2017 verplicht het i-criterium te hanteren en hierop te controleren. Het i-criterium houdt in dat niet-ingezetenen de toegang tot de coffeeshop wordt geweigerd. Het aantonen van het ingezetenschap in Nederland gebeurt op basis van een uittreksel uit de basisregistratie personen (hierna: BRP). Verzoeker kon een dergelijk uittreksel niet overleggen en is om die reden niet binnengelaten op 17 april 2021. Voor iedere bezoeker van de coffeeshop gelden dezelfde eisen: de woonplaats in Nederland moet worden vastgesteld en aan de hand van een geldig identiteitsbewijs moet de meerderjarigheid kunnen worden vastgesteld. Dit beleid leidt tot indirect onderscheid op grond van nationaliteit, maar dit onderscheid is volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie gerechtvaardigd (zie HvJ EU 16 december 2010, C-137/09 (M.M. Josemans/Burgemeester van Maastricht)).

Beoordeling

4.3 Een bedrijf mag bij het aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen en diensten geen onderscheid op grond van nationaliteit maken (artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet gelijke behandeling (hierna: AWGB)). Verweerster is bij het aanbieden van goederen en diensten in haar coffeeshop gehouden aan dit verbod.

4.4 Het begrip nationaliteit in de AWGB dient te worden begrepen als nationaliteit in staatkundige zin, onafhankelijk van de feitelijke woon- of verblijfplaats (Handelingen I 993/94, 22 014, p. 1086).

4.5 De bewijslastverdeling houdt in dat het aan verzoeker is om feiten aan te voeren die onderscheid op grond van geslacht vanwege nationaliteit kunnen doen vermoeden. Als verzoeker hierin slaagt, moet verweerster bewijzen dat zij niet in strijd met de AWGB heeft gehandeld (artikel 10, eerste lid, van de AWGB).

Feiten die onderscheid kunnen doen vermoeden?

4.6 Verzoeker stelt dat sprake is van verboden onderscheid op grond van nationaliteit, doordat hem de toegang tot de coffeeshop geweigerd werd en hij extra documentatie, in de vorm van een BRP-uittreksel, moest laten zien. Het College constateert dat verzoeker tegelijkertijd aangeeft wel degelijk binnengelaten te zijn, ook al was hij niet in bezit van de gevraagde extra documentatie. Verweerster verklaart dat verzoeker niet binnen is geweest.

4.7 Gezien de tegenstrijdige verklaringen van partijen, kan het College niet vaststellen of verzoeker wel of niet binnen in de coffeeshop geweest is. Bovendien geldt dat als verzoeker inderdaad is binnengelaten zonder extra documentatie, zijn stelling, dat hij geweigerd is op grond van zijn nationaliteit niet opgaat. Dat betekent dat het College geen feiten kan vaststellen die onderscheid op grond van nationaliteit kunnen doen vermoeden.

 

5 Discriminatoire bejegening?

Standpunt verzoeker

5.1 Verzoeker stelt discriminatoir bejegend te zijn tijdens de discussie aan de deur van de coffeeshop. De medewerker van de coffeeshop heeft schreeuwend tegen hem gezegd dat hij ‘geen Nederlander is, slechts een Europeaan’. Verzoeker zou minder rechten hebben dan Nederlanders. Verzoeker voelde zich door deze opmerkingen vernederd.

Standpunt verweerster

5.2 Verweerster betwist verzoeker discriminatoir bejegend te hebben. Volgens verweerster heeft de medewerker aan de deur enkel geprobeerd om de regelgeving met betrekking tot het i-criterium uit te leggen. De medewerker aan de deur heeft ter zitting toegelicht deze uitleg vaker te moeten geven, bijvoorbeeld aan toeristen. Dit gebeurt altijd met respect en begrip voor de ander.

Beoordeling

5.3 De verplichting voor verweerster om zich te onthouden van ongelijke behandeling op basis van artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de AWGB omvat tevens de plicht om zich te onthouden van discriminatoire bejegening. Om discriminatoire bejegening aan te nemen moet sprake zijn van een zodanige bejegening of situatie dat verzoeker vanwege zijn nationaliteit als minderwaardig is weggezet of anderszins in een negatief daglicht is geplaatst. Daarbij zijn onder meer van belang de aard van de uitingen en de context waarbinnen deze zijn gedaan.

5.4 De bewijslastverdeling als vermeld in overweging 4.5 is van toepassing.

5.5 Het College overweegt dat verweerster de stelling van verzoeker dat de medewerker van de coffeeshop tegen hem geschreeuwd heeft dat hij “slechts een Europeaan is” en “minder rechten heeft dan een Nederlander”, gemotiveerd heeft betwist. Het College overweegt dat, nu partijen elkaar tegenspreken en verzoeker zijn kant van het verhaal niet heeft onderbouwd met bewijs, dit niet als feit kan worden vastgesteld. Er zijn dan ook geen feiten vast komen te staan die discriminatoire bejegening kunnen doen vermoeden.

5.6 Het College concludeert dat verzoeker niet heeft aangetoond dat verweerster verboden onderscheid op grond van nationaliteit heeft gemaakt bij de bejegening.

 

6 Onzorgvuldige klachtbehandeling?

Standpunt verzoeker

6.1 Verzoeker stelt dat zijn klacht niet zorgvuldig behandeld is. Verweerster had excuses moeten maken voor de wijze waarop verzoeker behandeld is.

Standpunt verweerster

6.2 Verweerster betwist dat sprake is geweest van een onzorgvuldige klachtbehandeling. Verweerster voert enkel het beleid van de wetgever uit. Inherent aan die uitvoering is dat er onderscheid wordt gemaakt op grond van nationaliteit. Verweerster betreurt dat, maar kan niets anders voor verzoeker betekenen dan uitleg geven over het beleid. Dat heeft verweerster zowel telefonisch als via Facebook Messenger gedaan.

Beoordeling

6.3 Uit artikel 7, eerste lid, van de AWGB volgt, naast een negatieve verplichting om zich te onthouden van het maken van onderscheid, ook een positieve verplichting tot het nemen van maatregelen ter naleving van de AWGB. Deze verplichting houdt mede in dat een aanbieder van diensten, zoals verweerster, een klacht over discriminatie zorgvuldig moet behandelen. Een zorgvuldige klachtbehandeling vereist een deugdelijk en objectief onderzoek. Dat wil zeggen dat in ieder geval hoor en wederhoor dienen te worden toegepast. Daarnaast vereist de zorgvuldigheid dat een klacht voortvarend wordt behandeld en dat de uitkomst van het klachtonderzoek wordt teruggekoppeld naar de klager.

6.4 Het College overweegt dat een discriminatieklacht altijd om een gemotiveerde reactie vraagt. De reden van de eis van een zorgvuldige behandeling van discriminatieklachten is om inzicht te verkrijgen in het mogelijk discriminerende handelen van personen die namens bedrijven en organisaties optreden. Zo nodig kunnen zij vervolgens maatregelen treffen om dergelijk handelen in de toekomst te voorkomen (vergelijk College voor de Rechten van de Mens 29 juli 2021, oordeel 2021-105, overweging 5.2-5.3 en College voor de Rechten van de Mens 2 augustus 2021, oordeel 2021-107, overweging 6.3-6.5).

6.5 De vraag die voorligt is of de reactie van verweerster aan verzoeker via Facebook Messenger kan worden aangemerkt als een gemotiveerde reactie op de discriminatieklacht van verzoeker. Het College stelt vast dat verweerster op alle punten van verzoeker gereageerd heeft, zij het summier. Daarbij neemt het College ook in ogenschouw dat de mogelijkheden voor verweerster om meer te ondernemen dan het geven van uitleg over de regelgeving beperkt zijn. Er is navraag gedaan bij het personeel over de situatie, en dit is teruggekoppeld aan verzoeker. Verweerster heeft daarnaast de geldende regelgeving nogmaals uitgelegd. Hoewel het College een reactie via Facebook in principe niet de aangewezen manier acht om een klacht te behandelen, maakt dat gezien de eerdere communicatie tussen partijen, in dit specifieke geval niet dat de klachtbehandeling door verweerster onzorgvuldig is geweest.

 

7 Oordeel

Verweerster heeft geen verboden onderscheid gemaakt jegens verzoeker op grond van nationaliteit.

 

Aldus gegeven te Utrecht op 25 april 2022 door mr. M. Chébti LL.M., voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. Jans, secretaris.

 

mr. M. Chébti LL.M. mr. H. Jans

Samenvatting oordeel