Het College is niet bevoegd te oordelen over de vraag of De Drie Eiken B.V. jegens een vrouw onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt bij de betaling van een bonus.

Het College is niet bevoegd te oordelen over de vraag of De Drie Eiken B.V. jegens een vrouw onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt bij de betaling van een bonus.

Oordeelnummer 2022-42
Datum: 29-04-2022
Trefwoord: Arbeidsvoorwaarden Geslacht Bevoegdheid College
Discriminatiegrond: Geslacht
Terrein: Geen gelijke behandelingsterrein - Overige
Regelingen: Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) Artikel 5 AWGB Artikel 5 lid 1 AWGB

Situatie

Een vrouw was in dienst van de dochteronderneming van een holding. De Drie Eiken hield alle aandelen in die holding. De grootaandeelhouder en de Rabobank hielden de aandelen in De Drie Eiken. Op initiatief van de grootaandeelhouder hebben een aantal medewerkers van de dochteronderneming een bonus gekregen. Het was een bonus van de aandeelhouders die was gerelateerd aan de verkoop van de aandelen van de Drie Eiken. Een deel van de verkoopopbrengst is door middel van een aandeelhoudersbonus aan een aantal personen uitgekeerd door De Drie Eiken. De vrouw stelt dat zij het enige directielid was dat geen bonus kreeg. Ze was ook de enige vrouw binnen de directie. De vrouw stelt dat sprake is van onderscheid op grond van geslacht.

Beoordeling

Het verbod om onderscheid op grond van geslacht te maken bij de arbeidsvoorwaarden geldt op grond van artikel 5 AWGB geldt voor iedereen die betrokken is bij de arbeidsverhouding. De Drie Eiken is niet betrokken geweest bij de tussen de werkgever en verzoekster gesloten arbeidsovereenkomst en de daarin overeengekomen arbeidsvoorwaarden. Ook had zij geen zeggenschap had over de wijze van uitoefening van de functie door de vrouw en had zij geen  enkele taak bij het beoordelen van het functioneren van de vrouw. Het College oordeelt daarom dat dat er onvoldoende sprake was van betrokkenheid van De Drie Eiken bij de arbeidsverhouding om het handelen onder de reikwijdte van artikel 5 AWGB te kunnen brengen. Dit betekent dat het College niet bevoegd is te oordelen over de vraag of verboden onderscheid op grond van geslacht is gemaakt.

Oordeel

Het College is niet bevoegd te oordelen over de vraag of De Drie Eiken B.V. jegens de vrouw onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt.


Oordeel 2022-42

Datum: 29 april 2022

Dossiernummer: 2021-0477

Oordeel in de zaak van

[….]

wonende te [….], verzoekster

tegen

De Drie Eiken B.V.

gevestigd te Baarn, verweerster

1        Verzoek

Verzoekster vraagt het College om te beoordelen of verweerster verboden onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt, door haar na de overdracht van de aandelen aan een nieuwe aandeelhouder geen bonus (hierna te noemen: aandeelhoudersbonus) uit te betalen.

2        Verloop van de procedure

2.1     Het College heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • verzoekschrift van 30 maart 2021, ontvangen op dezelfde datum;
  • verweerschrift van 11 februari 2022.

2.2     Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2022. Partijen zijn verschenen. Verzoekster werd bijgestaan door mr. W.W.J. Ribbers, advocaat te Doetinchem. Verweerster werd vertegenwoordigd door mr. O.M. Bos-Steenbergen, advocaat te Gouda.

2.3     Verzoekster heeft tevens een verzoek om een oordeel ingediend tegen haar voormalig werkgever Van Wijnen Groep B.V. (hierna: de werkgever). Beide zaken zijn gevoegd behandeld op de zitting van 5 april 2022. In de zaak tegen de werkgever heeft het College een oordeel uitgebracht met nummer 2022-41.

3        Feiten

3.1     Verzoekster is op 25 september 2001 in dienst getreden bij de werkgever. Per 1 januari 2013 is ze benoemd als hoofd P&O en sinds 1 juni 2016 was ze Directeur Identiteit en Markt. Zij maakte in die laatste functie deel uit van de landelijke directie. De werkgever is een dochteronderneming van Van Wijnen Holding B.V. (hierna: de holding). De grootaandeelhouder [….] en de Rabobank hielden respectievelijk 57% en 43% van de aandelen in (destijds) De Drie Eiken N.V. en die hield op haar beurt alle aandelen in de holding.

3.2     Op 3 juni 2020 is er een overeenkomst gesloten tussen (destijds) De Drie Eiken N.V. en HAL Investments B.V. (hierna: de nieuwe aandeelhouder). De aandeelhouders van De Drie Eiken hebben toen al hun aandelen overgedragen aan de nieuwe aandeelhouder. De Drie Eiken N.V. werd De Drie Eiken B.V. (verweerster).

3.3     De bonus die is gegeven aan een aantal werknemers van verweerster is een bonus van de aandeelhouders die is gerelateerd aan de verkoop van de aandelen van de Drie Eiken N.V. Een deel van de verkoopopbrengst is door middel van een aandeelhoudersbonus aan een aantal personen uitgekeerd door verweerster. Verzoekster was daar niet één van. Verzoekster heeft aan de werkgever kenbaar gemaakt dat zij van mening is dat zij ongelijk is behandeld vanwege haar geslacht, omdat zij als enig lid van de landelijke directie geen aandeelhoudersbonus heeft gekregen.

3.4     Per 1 juli 2021 is het dienstverband met de werkgever met wederzijds goedvinden geëindigd.

4        Standpunt verzoekster

Verweerster heeft jegens verzoekster onderscheid op grond van geslacht gemaakt, door haar als enig vrouwelijk directielid geen aandeelhoudersbonus uit te betalen.

5        Standpunt verweerster

Tussen verzoekster en verweerster heeft nooit een arbeidsrelatie of andere rechtsverhouding bestaan. Het handelen van verweerster valt dan ook buiten de reikwijdte van artikel 5 van de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB).

6        Beoordeling

Bevoegdheid

6.1     Verweerster heeft aangevoerd dat het handelen van verweerster buiten de reikwijdte van artikel 5 AWGB valt.

6.2     Indien het handelen van verweerster buiten de reikwijdte van artikel 5 AWGB of de andere bepalingen uit de  gelijkebehandelingswetgeving valt, is het College niet bevoegd over het voorgelegde verzoek te oordelen. Het College zal daarom eerst beoordelen of het bevoegd is.

6.3     Het is verboden om onderscheid op grond van geslacht te maken bij de arbeidsvoorwaarden (artikel 5, eerste lid, onderdeel e, Algemene wet gelijke behandeling (AWGB), in samenhang met artikel 1 AWGB).

6.4     De vraag is of het handelen van verweerster binnen dit wettelijk kader valt. Artikel 5 AWGB kent een open normadressaat. Dat betekent dat ook andere betrokkenen bij de arbeidsverhouding dan de werkgever of bevoegd gezag, onder de werkingssfeer ervan vallen (zie Kamerstukken II 2001/02, 28 170, nr. 3, p. 19). Het College zal in het hierna volgende beoordelen in hoeverre verweerster betrokken was bij de arbeidsverhouding en of het handelen van verweerster onder de reikwijdte van artikel 5 AWGB valt.

6.5     Het staat vast dat verzoekster in dienst was van de werkgever als directeur. Zij was geen statutair bestuurder en daarom was van een benoeming door de algemene vergadering van aandeelhouders (AvA) of de Raad van Commissarissen geen sprake. Verweerster is dan ook niet betrokken geweest bij de tussen de werkgever en verzoekster gesloten arbeidsovereenkomst en de daarin overeengekomen arbeidsvoorwaarden. Ook stelt het College vast dat verweerster geen zeggenschap had over de wijze van uitoefening van de functie door verzoekster en dat zij geen enkele taak had bij het beoordelen van het functioneren van verzoekster. Het College overweegt op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden dat er onvoldoende sprake is van betrokkenheid van verweerster bij de arbeidsverhouding om het handelen van verweerster onder de reikwijdte van artikel 5 AWGB te kunnen brengen. Ook kan het handelen van verweerster niet onder een andere wettelijke bepaling uit de gelijkebehandelingswetgeving worden gebracht. Dit betekent dat het College niet bevoegd is te oordelen over de vraag of verweerster jegens verzoekster verboden onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt.

7        Oordeel

Het College is niet bevoegd te oordelen over de vraag of De Drie Eiken B.V. jegens [….] onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt.

Aldus gegeven te Utrecht op 29 april 2022 door mr. dr. J.P. Loof, voorzitter, mr. G.M. Lieuw LL.M. en mr. dr. A. Eleveld, leden van het College voor de Rechten van de Mens, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Pranger,  secretaris.

mr. dr. J.P. Loof                                                               

mr. A.H. Pranger

Samenvatting oordeel