Onze Lieve Vrouwe Gasthuis discrimineerde een transgender man bij het verlenen van gynaecologische zorg. De discriminatieklacht van de transgender man is zorgvuldig behandeld.

Onze Lieve Vrouwe Gasthuis discrimineerde een transgender man bij het verlenen van gynaecologische zorg. De discriminatieklacht van de transgender man is zorgvuldig behandeld.

Oordeelnummer 2022-48
Datum: 10-05-2022
Trefwoord: Gezondheidszorg Klachtbehandeling Aanbieden goederen en diensten Aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen en diensten Zorgsector Geslacht
Discriminatiegrond: Geslacht
Terrein: Goederen en diensten - Overige
Regelingen: Artikel 7 AWGB Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) Artikel 7 lid 1 AWGB Artikel 1 AWGB
Situatie

Een transgender man – die geen traject van medische transitie is gestart - heeft klachten die verband houden met zijn baarmoeder en eierstokken. Hij wendt zich hiermee tot Onze Lieve Vrouwe Gasthuis (OLVG). Een gynaecoloog van OLVG gaat de transgender man behandelen met medicatie. Enige tijd later vraagt de transgender man aan de gynaecoloog naar de mogelijkheid om zijn baarmoeder en/of eierstokken te verwijderen. De transgender man stelt deze vraag daarna nog een paar keer. De gynaecoloog antwoordt de transgender man dan, dat hij in het kader van transgenderzorg, eerst een gesprek moet voeren met een psycholoog. De transgender man vindt dat hiermee sprake is van discriminatie. OLVG betwist dit. De transgender man dient een discriminatieklacht in bij OLVG. De transgender man vindt dat OLVG zijn klacht niet zorgvuldig heeft behandeld. Het ziekenhuis ziet dit anders.

Beoordeling

Onderscheid bij het verlenen van medische zorg?
Een ziekenhuis mag bij het aanbieden en verlenen van medische zorg geen onderscheid maken op grond van geslacht. Hieronder valt ook onderscheid op grond van geslachtskenmerken, genderidentiteit en genderexpressie.

Het ziekenhuis voert aan dat het de transgender man transgenderzorg is gaan bieden – en moest gaan bieden - omdat het er alle schijn van had dat hij de operatie wilde in het kader van zijn lichamelijke transitie. De transgender man drong aan op de operatie terwijl deze medisch niet geïndiceerd was, aldus OLVG. Het College volgt dit niet. De zorgvraag van de transgender man is niet veranderd en hij heeft door de tijd heen de klachten gehouden. Zijn vraag om geopereerd te worden, heeft hij gesteld in het kader van een mogelijke oplossing voor deze klachten. Doorslaggevend is dat OLVG de transgender man niet heeft onderzocht om de medische noodzaak tot een operatie te kunnen vaststellen of uitsluiten. OLVG heeft de transgender man alleen, zonder verder lichamelijk onderzoek te doen, doorverwezen naar een psycholoog in het kader van transgenderzorg. Het College is van oordeel dat OLVG hierdoor jegens de transgender man direct onderscheid heeft gemaakt op grond van zijn genderidentiteit bij het verlenen van medische zorg. Omdat geen wettelijke uitzondering van toepassing is, komt het College tot het oordeel dat OLVG de transgender man heeft gediscrimineerd op grond van geslacht.

Zorgvuldige klachtbehandeling?
Onder het verbod van onderscheid valt ook de zorgplicht om een klacht over discriminatie zorgvuldig te behandelen. OLVG heeft aan deze zorgplicht voldaan doordat twee unitleiders van de afdeling gynaecologie met de transgender man over zijn klacht hebben gesproken. Dat het lang duurde voordat dit gesprek plaatsvond maakt dit niet anders. De klacht kwam bij OLVG binnen precies in de periode dat het COVID-19 virus uitbrak, wat zorgde voor een ongekend hoge werkbelasting voor zorgverleners. De transgender man kan zich niet vinden in de uitkomst van het gesprek. Maar dat maakt niet dat de klachtprocedure onzorgvuldig is geweest.

Oordeel

Onze Lieve Vrouwe Gasthuis heeft jegens een transgender man verboden onderscheid gemaakt op grond van geslacht bij het verlenen van medische zorg en geen verboden onderscheid gemaakt bij de behandeling van een discriminatieklacht


Oordeel
2022-48

Datum: 10 mei 2022

Dossiernummer: 2021-0229

Oordeel in de zaak van

[. . . .]

wonende te [. . . .], verzoeker

tegen

Onze Lieve Vrouwe Gasthuis

gevestigd te Amsterdam, verweerster

 

1 Verzoek

Verzoeker vraagt het College om te beoordelen of verweerster jegens hem verboden onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt door, zonder verder lichamelijk onderzoek te hebben verricht, de gang naar een psycholoog verplicht te stellen om een operatie te kunnen ondergaan. Ook vraagt verzoeker om te beoordelen of verweerster verboden onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt door zijn discriminatieklacht onzorgvuldig te behandelen.


2 Verloop van de procedure

2.1 Het College heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • verzoekschrift van 19 april 2021, ontvangen op dezelfde dag;
  • verweerschrift van 30 november 2021.

Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 maart 2022. Partijen zijn verschenen. Verzoeker werd bijgestaan door mr. H.M. Pannekoek en mr. D.S. van Boven, beiden advocaat te Amsterdam. Verweerster werd vertegenwoordigd door mr. A.C. de Die, advocaat te Amsterdam, die werd vergezeld door [. . . .], manager juridische zaken, [. . . .], gynaecoloog, en [. . . .], gynaecoloog.


3 Feiten

3.1 Verzoeker identificeert zich als transgender man. Bij geboorte heeft verzoeker lichaamskenmerken van een vrouw en wordt geregistreerd als vrouw. Verzoeker heeft geen traject voor medische transitie gestart. Wel heeft verzoeker mastectomie ondergaan. In 2017 heeft hij, mede na een daartoe verplichte diagnose van een psychiater, zijn geslachtsregistratie bij de burgerlijke stand gewijzigd van vrouw naar man.

3.2 Verzoeker wendt zich eind 2017 met een gynaecologische zorgvraag tot verweerster, een ziekenhuis. Verzoeker kampt met klachten waarmee hij al eerder bij verweerster bekend was, waaronder hoofdpijn, misselijkheid en somberheid. Later komt daar buikpijn bij. Verzoeker komt onder behandeling van [. . . .], gynaecoloog. Hij geeft aan een oplossing te willen voor zijn klachten. Hij wil daarvoor niet perse overgaan tot verwijdering van de baarmoeder en/of eierstokken. Lichamelijk onderzoek wordt niet verricht. Ter behandeling van zijn klachten krijgt hij Lucrin voorgeschreven. Dat is een hormoon dat kan worden voorgeschreven ter behandeling van endometriose (baarmoederslijmvlies dat zich buiten de baarmoeder bevindt) en myomen (vleesbomen). Vanaf maart 2018 krijgt verzoeker van elders Androgel. Dat is een mannelijk geslachtshormoon, dat kan worden voorgeschreven voor de aanmaak van mannelijke lichaamskenmerken.

3.3 Vanaf eind 2018 komt naar aanleiding van een vraag van verzoeker de mogelijkheid ter sprake om verzoekers baarmoeder en/of eierstokken te verwijderen om geen Lucrin meer te hoeven gebruiken. Begin 2019 wenst verzoeker geen operatie. Besproken wordt dat een eventuele operatie eerst via medisch maatschappelijk werk/psychologie zal gaan. In het najaar van 2019 schrijft verzoeker weer regelmatig buikkrampen te hebben en dat een operatie volgens hem op de agenda moet.

3.4 Op 6 december 2019 zegt verzoeker tegen de gynaecoloog dat hij over wil gaan tot de verwijdering van de baarmoeder en eierstokken. De gynaecoloog zegt tegen verzoeker dat een eventuele operatie via medisch maatschappelijk werk/psychologie zal gaan. Op 4 februari 2020 heeft verzoeker een gesprek met een andere arts, [. . . .], ook gynaecoloog bij verweerder. Ook deze gynaecoloog zegt tegen verzoeker dat een operatie alleen zal plaatsvinden na evaluatie door een psycholoog gespecialiseerd in genderzorg.

3.5 Op 4 maart 2020 dient verzoeker een discriminatieklacht in bij verweerster. Naar aanleiding hiervan voert verzoeker op 11 september 2020 een gesprek met twee artsen/unitleiders van de afdeling gynaecologie van verweerster.


4 Onderscheid bij verlenen van medische zorg?

Standpunt verzoeker
Verweerster heeft verzoeker gediscrimineerd op grond van geslacht. In plaats van dat verzoeker op basis van zijn lichamelijke pijnklachten verder is onderzocht, heeft verweerster hem doorverwezen naar een psycholoog in het kader van transgenderzorg. Een transgender man kan, net als een vrouw, last krijgen van zijn eierstokken en baarmoeder en hoort niet anders te worden behandeld dan een vrouw.

Standpunt verweerster
Primair stelt verweerster dat het niet aan het College is om zich over een medische inhoudelijke beoordeling uit te spreken. Secundair betwist verweerster dat zij (verboden) onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt. De verwijdering van de baarmoeder en eierstokken van verzoeker was op basis van zijn klachten niet geïndiceerd. Omdat verzoeker hierop aanstuurde is de focus verschoven naar transgenderzorg. In dit verband is het maken van onderscheid niet verboden – en zelfs geboden – omdat het feit dat verzoeker transgender man is, relevant is voor de te maken behandelkeuzes.

Beoordeling

Kan het College een oordeel geven in deze zaak?
4.1 Het is een instelling die werkzaam is op het gebied van volksgezondheid verboden om onderscheid op grond van geslacht te maken bij het aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen of diensten (artikel 7, eerste lid, aanhef, en onderdeel c, van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB), in samenhang met artikel 1 AWGB). Het aanbieden en verlenen van medische zorg door verweerster valt onder de reikwijdte van deze bepaling. Dit betekent dat, zoals in dit geval, een ziekenhuis gehouden is geen onderscheid op grond van geslacht te maken.

4.2 Er is sprake van direct onderscheid indien een persoon op grond van geslacht op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld (artikel 1, eerste lid, onder b AWGB). Onder onderscheid op grond van geslacht wordt mede verstaan onderscheid op grond van geslachtskenmerken, genderidentiteit en genderexpressie (artikel 1, tweede lid, AWGB). Verzoeker kan zich als transgender man beroepen op de bescherming van dit wetsartikel.

4.3 Het College stelt voorop dat de wetgever toegang tot diensten op het terrein van gezondheidszorg niet heeft uitgezonderd. Dit betekent dat het College kan onderzoeken of een aanbieder van deze diensten verboden onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt. De stelling van verweerster, dat verzoeker een medisch inhoudelijke beslissing ter beoordeling voorlegt, wordt niet gevolgd. Het is immers niet de aard of de inhoud van medische beslissingen die ter beoordeling voorligt, maar de vraag of verzoeker als transgender man geen gelijke toegang tot de door verweerster geboden medische (gynaecologische) zorg heeft gekregen. Deze vraag kan het College toetsen aan het genoemde wettelijk kader (artikel 10 Wet College voor de rechten van de mens).

Is er sprake van onderscheid?
4.4 Het College leidt uit de overgelegde stukken en de verklaringen ter zitting af dat verzoeker zich met gynaecologische klachten tot verweerster heeft gewend. Hij schrijft de gynaecoloog op 24 november 2017 onder andere: “Ik ben een man (…). Zit wel met een gynaecologisch probleem.” De gynaecoloog heeft ter zitting verklaard verzoeker ook onder toepassing van de gangbare gynaecologische standaarden in behandeling te hebben genomen. De vraag die nu voorligt is of verzoeker anders is behandeld bij de toegang tot de gynaecologische zorg vanwege het feit dat hij transgender man is.

4.5 Daartoe overweegt het College als volgt. Vaststaat dat verzoeker vanaf eind 2018 enkele keren naar de mogelijkheid heeft gevraagd om zijn baarmoeder en eierstokken te laten verwijderen. Ook staat vast dat verweerster deze vraag vanaf 2019 is gaan opvatten als een vraag in het kader van transgenderzorg. Daarop is een andere medische standaard van toepassing, de Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg–Somatisch. Verweerster heeft verzoeker aan deze standaard gehouden, wat betekent dat hij eerst een gesprek moet voeren met een psycholoog voordat verweerster zou overgaan tot de operatie.

4.6 Het College is van oordeel dat verweerster hierdoor verzoeker anders is gaan behandelen op grond van zijn genderidentiteit. Verweerster licht toe dat het er alle schijn van had dat verzoeker zelf de regie wilde voeren over zijn transitie, zonder de gebruikelijke medische route te volgen. Daarvoor was van doorslaggevend belang dat er geen medische noodzaak was om tot een operatie over te gaan, aldus verweerster. Het College overweegt echter dat niet is gebleken dat de zorgvraag van verzoeker veranderd zou zijn. Verzoeker heeft door de tijd heen (pijn)klachten gehouden waarvoor hij ook steeds behandeld is met medicatie. Ook heeft verzoeker de vraag om geopereerd te worden gesteld ter behandeling van zijn gynaecologische klachten. Van doorslaggevend belang acht het College echter dat verweerster bij verzoeker geen lichamelijk onderzoek heeft verricht om de noodzaak tot een operatie te kunnen vaststellen of uitsluiten. Verzoeker is slechts, zonder enig nader onderzoek, doorverwezen naar een psycholoog in het kader van transgenderzorg. Daar komt bij dat van een behoefte bij verzoeker tot een transgenderbevestigende operatie niet is gebleken. Wat daar verder van zij, onweersproken is dat verzoeker zijn geslachtsregistratie reeds heeft voltooid. Daartoe dient een verklaring van een deskundige te worden overgelegd (artikel 1:28a Burgerlijk Wetboek). Sinds de inwerkingtreding van de Transgenderwet is het onder de oude wet gestelde vereiste van lichamelijke aanpassing losgelaten. Daarmee geldt dat niet iedere lichamelijke aanpassing meer automatisch als een aanpassing in het kader van transitie dient te worden aangemerkt.

Is het onderscheid verboden?
4.7 Het College is van oordeel dat verweerster jegens verzoeker direct onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt. De genderidentiteit van verzoeker is immers bepalend geweest voor het handelen van verweerster. Het maken van direct onderscheid op grond van geslacht is verboden, behalve als er een wettelijke uitzondering op het verbod van toepassing is. Gesteld noch gebleken is dat dit aan de orde is. Daarom komt het College tot het oordeel dat verweerster jegens verzoeker verboden onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt bij het verlenen van medische zorg.

5 Zorgvuldige klachtbehandeling?

Standpunt verzoeker
Verweerster heeft zijn discriminatieklacht van 4 maart 2020 onzorgvuldig behandeld. Als onderdeel van de klachtbehandeling zou verweerster een gesprek inplannen maar verzoeker moest hier zelf achteraan gaan omdat hij niets hoorde. Dit gesprek vond vervolgens pas op 11 september 2020 plaats, wat voor verzoeker ook niet verhelderend was. Verweerster heeft verzuimd om verzoeker daarna te informeren over de conclusies van het onderzoek en de getroffen maatregelen.

Standpunt verweerster
De behandeling van verzoekers klacht had sneller gekund maar dat leidt niet tot de conclusie dat deze onzorgvuldig is geweest. Verzoekers klacht kwam binnen aan het begin van de coronacrisis. Verzoeker wilde in gesprek met de Raad van Bestuur. Dat leidde tot een langere behandelingstijd. Verzoeker is op 20 september 2020 te woord gestaan door twee unitleiders gynaecologie. Een vervolgactie na het gesprek was niet aan de orde omdat niet gebleken was dat er vervolgstappen nodig waren.

Beoordeling
5.1 Het verbod om onderscheid op grond van geslacht te maken zoals dit voortvloeit uit artikel 7, eerste lid, aanhef, en onderdeel c, AWGB, houdt niet alleen in dat een zorgaanbieder zich moet onthouden van het maken van onderscheid, maar ook dat deze maatregelen moet nemen ter naleving van de AWGB. Onder deze maatregelen wordt ook verstaan dat een klacht over discriminatie zorgvuldig wordt behandeld.

5.2 Het College overweegt als volgt. Vast staat dat de klachtbehandelaar van verweerster in maart 2020 telefonisch contact heeft opgenomen met verzoeker in verband met zijn klacht van 4 maart 2020. Verzoeker voert aan dat de klachtbehandelaar heeft toegezegd dat hij een gesprek zou krijgen, maar dat hij hierover vervolgens niets meer heeft gehoord. Daarom heeft verzoeker op 15 juli 2020 zelf contact opgenomen met de klachtbehandelaar. Ook verwijt hij verweerster dat het gesprek vervolgens pas plaatsvond op 11 september 2020.

5.3 Het College overweegt dat, hoewel hiermee sprake is van een aanzienlijk tijdsverloop, dit verweerster in de destijds gegeven omstandigheden niet aangerekend kan worden. De klachtbehandeling vond plaats in de periode dat het COVID-19 virus net was uitgebroken. De uitbraak van het virus heeft voor zorgverleners zoals verweerster geleid tot een ongekend grote zorgvraag en navenante hoge werkbelasting van het personeel. Dat verzoekers klacht in deze specifieke omstandigheden niet heel voortvarend is behandeld, kan daarom in redelijkheid niet gelden als een onzorgvuldigheid.

5.4 De stelling van verzoeker, dat het gesprek op 11 september 2020 vruchteloos was en hij ook geen terugkoppeling daarvan heeft gekregen, maakt ook niet dat verweerster zijn klacht onzorgvuldig heeft behandeld. Verweerster heeft naar het oordeel van het College aan haar zorgplicht voldaan doordat twee unitleiders van de afdeling gynaecologie met verzoeker het gesprek hebben gevoerd, en daarvoor ruggenspraak hebben gehouden met de gynaecologen. Dat verzoeker zich niet kon vinden in de uitkomst van het gesprek maakt de procedure nog niet onzorgvuldig. Het feit dat geen schriftelijke terugkoppeling is gegeven van dit gesprek maakt dit ook niet anders. Verweerster heeft voldoende duidelijk gemaakt dat zij geen vervolgacties zou ondernemen naar aanleiding van het gesprek.

5.5 Het College is op grond hiervan van oordeel dat verweerster jegens verzoeker geen verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht bij de klachtbehandeling.


6 Oordeel

Onze Lieve Vrouwe Gasthuis heeft jegens [. . . .]:

  • verboden onderscheid gemaakt op grond van geslacht bij het verlenen van medische zorg;
  • geen verboden onderscheid gemaakt bij de behandeling van een discriminatieklacht.

Aldus gegeven te Utrecht op 10 mei 2022 door mr. dr. H.J.T.M. Swaanenburg-van Roosmalen, voorzitter, mr. dr. Q.A.M. Eijkman en mr. dr. B.J.M. Frederiks, leden van het College voor de Rechten van de Mens, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Hester, secretaris.





mr. dr. H.J.T.M. Swaanenburg-van Roosmalen

mr. S.B. Hester

Samenvatting oordeel