Stichting Vrije Universiteit discrimineerde een student met autisme door onvoldoende onderzoek te verrichten naar de gevraagde doeltreffende aanpassingen.

Stichting Vrije Universiteit discrimineerde een student met autisme door onvoldoende onderzoek te verrichten naar de gevraagde doeltreffende aanpassingen.

Oordeelnummer 2022-54
Datum: 19-05-2022
Trefwoord: Aanbieden goederen en diensten Aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen en diensten Doeltreffende aanpassing Handicap Beroepsopleiding/beroepsonderwijs Onderwijs Handicap of chronische ziekte
Discriminatiegrond: Handicap of chronische ziekte
Terrein: Goederen en diensten - Onderwijs
Regelingen: Artikel 5b WGBH/CZ Wet gelijke behandeling handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ) Artikel 2 WGBH/CZ

Situatie

Een man, die autisme heeft, is student rechtsgeleerdheid en notarieel recht aan de Stichting Vrije Universiteit (VU). Pleitoefening is een verplicht vak voor beide opleidingen. Een groepsopdracht maakt onderdeel uit van dit vak. Hierbij stelt de docent groepjes van drie studenten samen die gezamenlijk een opdracht moeten uitvoeren. De docent heeft het groepje waartoe de man behoorde na enkele weken gewijzigd, waardoor hij in een ander groepje terecht kwam. De man heeft de docent geschreven dat hij hier heel ontevreden over is, omdat dit extra energie en tijd zal gaan kosten en waarschijnlijk een negatief effect zal hebben op zijn cijfer.

De man heeft zich met de moeilijkheden bij het vak Pleitoefening tot de studieadviseur gewend. Deze heeft de man laten weten dat de vakcoördinator van Pleitoefening open staat voor een gesprek, maar dat dit vanwege het coronavirus telefonisch moet worden gevoerd. Naar aanleiding daarvan heeft de man de studieadviseur geschreven dat het voeren van een telefoongesprek met de vakcoördinator niet tot zijn mogelijkheden behoort. Hij heeft voorgesteld om dit per mail op te lossen of via een telefoongesprek met zijn begeleider. De studieadviseur heeft de door de man gevraagde aanpassingen afgewezen omdat hij niet is ingegaan op eerdere mogelijkheden voor een gesprek. Daarna heeft de man nog twee maal aan de studieadviseur gevraagd om een vervangende oplossing voor het telefoongesprek en om de coördinator autismebegeleiding in te schakelen. De studieadviseur is hier niet op ingegaan.

De man vindt dat de studieadviseur hem heeft gediscrimineerd vanwege zijn handicap door alle aangedragen alternatieven voor het voeren van een telefoongesprek af te slaan. Ook heeft de studieadviseur geweigerd om de coördinator autismebegeleiding in te schakelen.

De VU is het niet met de man eens. Hiertoe voert zij aan dat de vakcoördinator, toen duidelijk was dat de man problemen ondervond bij Pleitoefening, meteen heeft geprobeerd om een oplossing te vinden. De enige mogelijkheid hiertoe was een driegesprek tussen de man, de vakcoördinator en de studieadviseur. Ook voert de VU aan dat de coördinator autismebegeleiding voor de beperkingen die de man heeft, faciliteiten heeft ingericht.
Van de man had mogen worden verwacht om vooraf afspraken te maken over de benodigde aanpassingen, zodat zij daarmee rekening had kunnen houden.  

Beoordeling

Een onderwijsinstelling mag geen onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte maken bij het aanbieden van of het verlenen van toegang tot diensten. Onder het verbod om onderscheid te maken, valt ook de verplichting om naar gelang de behoefte doeltreffende aanpassingen te verrichten, tenzij deze een onevenredige belasting vormen.

De verplichting om een doeltreffende aanpassing te verrichten, betekent dat een aanbieder van diensten moet onderzoeken in hoeverre een oplossing mogelijk is om personen met een beperking in staat te stellen mee te doen, dan wel van deze diensten gebruik te maken. Daarbij zijn overleg en actief handelen vereisten.

Het College stelt vast dat de man de studieadviseur heeft gevraagd om een vervangende oplossing voor het telefoongesprek en om de coördinator autismebegeleiding in te schakelen. De studieadviseur heeft de gevraagde aanpassingen echter afgewezen zonder met de man in overleg te treden over welke beperkingen hij ondervindt bij het voeren van een telefoongesprek, of deze beperkingen kunnen worden weggenomen met een  oeltreffende aanpassing en zo ja, met welke doeltreffende aanpassing(en). Het College is dan ook van oordeel dat de VU tekort is geschoten in haar onderzoeksverplichting.

Het College waardeert de aanpassingen die de VU beschikbaar heeft voor de begeleiding van studenten met autisme. Maar dit ontslaat de VU niet van de verplichting om in overleg met de man een onderzoek te verrichten naar een benodigde aanpassing in een onvoorziene situatie als deze, waarin sprake is van een conflict met een docent.

Het College concludeert dat de VU jegens de man verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte heeft gemaakt door niet te voldoen aan haar onderzoeksverplichting.

Oordeel

Stichting Vrije Universiteit heeft jegens de man verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte gemaakt.


Oordeel 2022-54

Datum: 19 mei 2022

Dossiernummer: 2021-0352

Oordeel in de zaak van

[. . . .]

wonende te [. . . .], verzoeker

tegen

Stichting Vrije Universiteit

gevestigd te Amsterdam, verweerster

1        Verzoek

Verzoeker vraagt het College om te beoordelen of verweerster verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte heeft gemaakt door onvoldoende doeltreffende aanpassingen te verrichten bij het voeren van een gesprek over het oplossen van het conflict rondom het vak Pleitoefening.

2        Verloop van de procedure

2.1     Het College heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • verzoekschrift van 15 juni 2021, ontvangen op dezelfde datum;
  • e-mail van verzoeker van 16 augustus 2021;
  • verweerschrift van 28 januari 2022.

2.2     Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2022. Partijen zijn verschenen. Verzoeker werd vergezeld door [. . . .], persoonlijk begeleider, [. . . .], directeur Halmzorg en M. Pieterse, woonbegeleider. Verweerster werd vertegenwoordigd door [. . . .], directeur Bedrijfsvoering, die werd vergezeld door [. . . .], senior onderwijsjurist.

3        Feiten

3.1     Verzoeker, die autisme heeft, is sinds het studiejaar 2016-2017 student rechtsgeleerdheid en notarieel recht aan de universiteit van verweerster. Verweerster heeft een coördinator autismebegeleiding in dienst, die faciliteiten heeft ingericht voor studenten met autisme. Verweerster heeft verzoeker desgevraagd een tentamenvoorziening toegekend vanwege de functiebeperkingen als gevolg van zijn handicap.

3.2     Verzoeker is begin 2020 begonnen met het vak Pleitoefening, dat verplicht is voor de bacheloropleidingen rechtsgeleerdheid en notarieel recht. Het eerste deel van dat vak bestaat uit een groepsopdracht, waarbij de groep, die bestaat uit drie studenten, wordt samengesteld door de docent van het vak Pleitoefening (hierna: de docent). De docent heeft het groepje studenten waartoe verzoeker behoorde, in een e-mail van 10 februari 2020 laten weten dat hij een groepswijziging heeft doorgevoerd. Hierdoor is verzoeker in een ander groepje terecht gekomen. Verzoeker heeft de docent dezelfde dag geschreven dat hij hier zeer ontevreden over is, omdat dit extra energie en tijd gaat kosten en waarschijnlijk een negatief effect zal hebben op zijn cijfer. Ook heeft hij de docent geschreven dat hij autisme heeft. De docent heeft verzoeker in een e-mail van 11 februari 2020 meegedeeld dat hij er vertrouwen in heeft dat er nog voldoende tijd is om te werken aan een goed processtuk en dat verzoeker met hem contact mag opnemen, mochten er toch problemen ontstaan.

3.3     Verzoeker heeft in een e-mail van 16 februari 2020 aan de coördinator van het vak Pleitoefening (hierna: de vakcoördinator) bericht dat zijn vertrouwen in de docent ernstig is geschaad vanwege de groepswisseling en dat hij autisme heeft. Hij heeft haar gevraagd of het mogelijk is om nog dat studiejaar het vak Pleitoefening te volgen bij een andere docent, of dat er een andere oplossing is. Naar aanleiding daarvan heeft de vakcoördinator verzoeker in een e-mail van 17 februari 2020 en daarna opnieuw in een e-mail van 18 februari 2020 uitgenodigd voor een gesprek op korte termijn met haar en de docent om het verdere verloop te bespreken. Verzoeker heeft beide uitnodigingen afgeslagen omdat hij vermoedde dat er van de kant van verweerster weinig concrete ideeën waren voor een oplossing en hij zich dan een dergelijk gesprek niet kon permitteren. Ook heeft hij geschreven dat hij wel bereid is tot een gesprek als die concrete ideeën er wel zijn. In een e-mail van 20 februari 2020 heeft de vakcoördinator verzoeker geschreven dat zowel zij als de docent niet op de hoogte waren van zijn functiebeperking en dat zij met hem in gesprek willen gaan om tot een oplossing te komen. Zij heeft hem gevraagd wat hij nodig heeft voor succes. Verzoeker heeft in een e-mail van dezelfde dag deze uitnodiging afgeslagen omdat nergens uit blijkt dat deze kans van slagen heeft. Ook heeft hij bericht dat hij geen suggesties heeft voor een oplossing, dat verweerster de problemen heeft veroorzaakt en dus ook verantwoordelijk is voor de oplossing.

3.4     Verzoeker heeft op 17 februari 2020 een e-mail gestuurd naar de afdeling studieadvies van verweerster. Hierin heeft hij uiteengezet wat er was voorgevallen ten aanzien van het vak Pleitoefening. Ook heeft hij namens zijn persoonlijk begeleider gevraagd of hij en zijn persoonlijk begeleider op korte termijn langs konden komen voor een gesprek over hoe verder en of dit zinvol zou zijn. Naar aanleiding hiervan hebben verzoeker en zijn persoonlijk begeleider, die coronasymptomen had, en de studieadviseur op 13 maart 2020 een telefoongesprek met elkaar gevoerd. De studieadviseur heeft verzoeker in e-mail van 19 maart 2020 meegedeeld dat de vakcoördinator open staat voor een gesprek, maar dat dit gesprek vanwege het coronavirus telefonisch moet worden gevoerd. Ook heeft zij meegedeeld dat voor het vak zelf geldt dat het helaas te laat is om te zoeken naar oplossingen om het dat jaar af te ronden. Op 1 april 2020 heeft verzoeker de studieadviseur bericht dat een telefoongesprek met de docent of met de vakcoördinator niet tot zijn mogelijkheden behoort. Zijn opties waren om dit per mail op te lossen, wat zijn voorkeur had, of via een telefoongesprek met zijn begeleider. Hij wilde in een gesprek het probleem met verweerster oplossen en vond daarom een gesprek met de docent en de vakcoördinator van geen waarde. De studieadviseur heeft in een e-mail van 9 april 2020 de door verzoeker gevraagde vervangende oplossing afgeslagen omdat hij eerdere mogelijkheden om in gesprek te gaan, heeft afgewezen en opnieuw heeft laten weten een gesprek niet zinvol te achten. Daarna heeft verzoeker in zijn e-mails van 10 en 16 april 2020 opnieuw aan de studieadviseur gevraagd om een vervangende oplossing voor het telefoongesprek en om de coördinator autismebegeleiding in te schakelen.

3.5     In een e-mail van 30 april 2020 heeft de directeur Bedrijfsvoering verzoeker - niet vrijblijvend – op 12 mei 2020 uitgenodigd voor een persoonlijk gesprek op de campus omdat hij verschillende keren per mail zijn mening op een vrij onbehoorlijke toon kenbaar heeft gemaakt aan de vakcoördinator en aan studieadviseurs. De directeur van de instelling waar verzoeker woont, heeft in een brief van 1 mei 2020 aan de directeur Bedrijfsvoering geschreven dat zij aanwezig zal zijn bij het gesprek op 12 mei 2020. Ook heeft zij geschreven dat zij heeft begrepen dat het de bedoeling is dat verzoeker tijdens dat gesprek zelf het woord voert, wat haar vermoeden bevestigt dat hij, noch de docenten, noch de studiebegeleider goed op de hoogte zijn van de beperkingen die verzoeker heeft.

3.6     Verzoeker heeft in december 2020 het vak Pleitoefening alsnog gehaald met een vervangende opdracht.

4        Standpunt verzoeker

Verzoeker stelt dat verweerster jegens hem verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte heeft gemaakt door onvoldoende doeltreffende aanpassingen te verrichten. Hiertoe voert hij aan dat zijn hoofdklacht geen betrekking heeft op de plotse wijzigingen in de groepsindeling voor het vak Pleitoefening en op de contacten met de docent en de coördinator van dit vak daarover, maar op het handelen van de studieadviseur. Deze heeft in een telefoongesprek van 13 maart 2020 tegen hem gezegd dat zij pas naar zijn situatie wilde kijken nadat hij telefonisch (vanwege corona) met haar en de vakcoördinator had gesproken. Hij heeft de studieadviseur verschillende malen uitgelegd dat het vanwege zijn handicap niet mogelijk is om een conflict te bespreken in een telefoongesprek. Daarom heeft hij verschillende alternatieven aangedragen voor de manier waarop het conflict aan de orde zou kunnen worden gesteld. De studieadviseur heeft deze echter alle zonder inhoudelijke argumenten afgewezen. Ook heeft de studieadviseur niets gedaan met zijn verzoeken om de coördinator autismebegeleiding bij het gesprek te betrekken. De studieadviseur heeft dan ook in strijd gehandeld met artikel 2, eerste lid, Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ) door geen alternatief te bieden.

5        Standpunt verweerster

5.1     Verweerster betwist dat zij jegens verzoeker verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte heeft gemaakt. Hiertoe voert zij aan dat studenten met autisme doorgaans alleen tentamenvoorzieningen aanvragen. Ook verzoeker heeft alleen tentamenvoorzieningen aangevraagd en deze zijn hem toegewezen. Ook voert verweerster aan dat in februari 2020 al is geprobeerd om voor verzoeker een oplossing te vinden voor de gerezen problemen rondom Pleitoefening. Hiertoe wordt verwezen naar de e-mail van de vakcoördinator van 20 februari 2020, waarin zij hem heeft gevraagd wat hij nodig had om het vak goed te kunnen afronden. Uit het telefoongesprek van 13 maart 2020 tussen de studieadviseur, verzoeker en zijn begeleider, kwam naar voren dat de enige optie een driegesprek tussen verzoeker, de vakcoördinator en de studieadviseur was.

5.2     Daarnaast voert verweerster aan dat er vanaf eind maart 2020 verschillende verzoeken van begeleiders van de instelling van verzoeker binnen kwamen om namens verzoeker het gesprek te mogen voeren. Verweerster heeft als beleid om rechtstreeks met studenten en dus zonder tussenpersoon te communiceren. Dit neemt niet weg dat een student altijd een begeleider kan meenemen en deze toestemming mag verlenen om namens de student te spreken, maar de student moet wel zelf bij het gesprek aanwezig zijn. Verzoeker is hier echter niet op ingegaan, maar heeft volhard in zijn stellingname.

5.3     Verweerster is pas uit de brief van de directeur van de instelling waar verzoeker woont van 1 mei 2020 en uit het gesprek van 12 mei 2020 met deze directeur duidelijk geworden welke beperkingen verzoeker feitelijk heeft. Voor deze beperkingen heeft de coördinator autismebegeleiding faciliteiten ingericht, zoals een buddysysteem. Verzoeker is op de hoogte van dit systeem maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt tijdens de periode waarop deze klacht betrekking heeft. Verweerster heeft geprobeerd om aan verzoeker duidelijk te maken dat de enkele verwijzing naar de diagnose autisme richting docenten of vakcoördinatoren niet volstaat om specifieke voorzieningen georganiseerd te krijgen, maar dat hij vooraf afspraken moet maken, zodat rekening kan worden gehouden met zijn functiebeperking.

6        Beoordeling

6.1     Een instelling op het gebied van onderwijs mag bij het aanbieden van of het verlenen van toegang tot diensten geen onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte maken (artikel 5b, eerste lid, aanhef en onderdeel c, WGBH/CZ). Verweerster is een instelling die onderwijsdiensten aanbiedt. Haar handelen valt daarmee onder het bereik van deze bepaling.

6.2     Het verbod van onderscheid houdt mede in dat degene tot wie dit verbod zich richt, gehouden is naar gelang de behoefte doeltreffende aanpassingen te verrichten, tenzij deze voor hem een onevenredige belasting vormen (artikel 2, eerste lid, WGBH/CZ). Een doeltreffende aanpassing is een aanpassing die geschikt en noodzakelijk is om belemmeringen als gevolg van een handicap of een chronische ziekte weg te nemen. Met de omschrijving “naar gelang de behoefte” heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat de verplichting tot het verrichten van een aanpassing niet generiek is, maar afhankelijk van de situatie moet worden ingevuld. Daarbij moet het ook voor de wederpartij kenbaar zijn dat er behoefte is aan een aanpassing en tevens welke aanpassing in concreto gewenst is. Dit heet het kenbaarheidsvereiste (Kamerstukken II 2001/02, 28 169, nr. 3, p. 2).

6.3     De verplichting om een doeltreffende aanpassing te verrichten, brengt mee dat een aanbieder van diensten verplicht is om te onderzoeken in hoeverre een oplossing mogelijk is om personen met een beperking in staat te stellen mee te doen c.q. van deze diensten gebruik te maken. Daarbij geldt: “Overleg en actief handelen is vereist” (Kamerstukken II 2013/14, 33 990, nr. 3, p. 7). Deze verplichting gaat pas in wanneer een behoefte aan een doeltreffende aanpassing kenbaar is gemaakt.

6.4     Verzoeker heeft autisme. Dit is een handicap als bedoeld in de WGBH/CZ. Verzoeker kan dan ook een beroep doen op de bescherming die deze wet biedt.

Is er voldaan aan het kenbaarheidsvereiste?

6.5     Het College overweegt op grond van het vorenstaande dat verzoeker, nadat hem op 13 maart 2020 te kennen was gegeven dat de enige mogelijkheid voor het oplossen van het conflict rondom het vak Pleitoefening, was, het voeren van een telefoongesprek (vanwege corona) met de studieadviseur en de vakcoördinator, duidelijk heeft gemaakt dat het voeren van een telefoongesprek niet tot zijn mogelijkheden behoort. Hij heeft verweerster in zijn e-mails van 1, 10 en 16 april 2020 verschillende andere mogelijkheden tot communicatie voorgesteld, zoals via de e-mail, of via zijn begeleider, dan wel via chatmail in aanwezigheid van zijn begeleider en de coördinator autismebegeleiding van verweerster. Het College overweegt dat verzoeker hiermee aan verweerster om een doeltreffende aanpassing heeft gevraagd om zijn beperkingen die hij ondervindt bij het voeren van een gesprek weg te nemen. Hij heeft dan ook voldaan aan het kenbaarheidsvereiste als bedoeld in overweging 6.2. Daarmee is voor verweerster een verplichting ontstaan om actief en in overleg te onderzoeken in hoeverre een oplossing mogelijk is om verzoeker in staat te stellen om bedoeld gesprek te voeren.

Is er voldaan aan de onderzoeksverplichting?

6.6     Met betrekking tot de vraag of verweerster aan haar onderzoeksverplichting heeft voldaan, stelt het College vast dat de studieadviseur met de e-mail van 9 april 2020 heeft gereageerd op het verzoek van verzoeker van 1 april 2020 om een aanpassing bij het voeren van een gesprek met haar en met de vakcoördinator. De studieadviseur heeft in haar e-mail het verzoek om een aanpassing zonder meer afgewezen, omdat verzoeker tegelijkertijd twijfels had geuit over het nut van een gesprek. Ook staat vast dat de studieadviseur deze e-mail heeft geschreven zonder met verzoeker in overleg te treden over welke beperkingen hij ondervindt bij het voeren van een telefoongesprek, of deze beperkingen kunnen worden weggenomen met een doeltreffende aanpassing en zo ja, met welke doeltreffende aanpassing(en). Daarnaast heeft de studieadviseur ook in de e-mails van verzoeker van 10 en 16 april 2020 geen aanleiding gezien om met verzoeker te overleggen over een aanpassing die de beperkingen als gevolg van zijn handicap zou kunnen wegnemen. Zij heeft verzoeker alleen geschreven dat een chatgesprek geen geschikte manier is voor een gesprek en dat hem eerder verschillende mogelijkheden zijn geboden voor een gesprek. Dit heeft ertoe geleid dat het verweerster, zoals is vermeld in het verweerschrift, pas met de brief van 1 mei 2020 van de directeur van de instelling waar verzoeker woont, duidelijk is geworden welke beperkingen verzoeker feitelijk heeft bij het voeren van het voorgestelde gesprek.

6.7     Verweerster heeft in algemene zin aangevoerd dat de gang van zaken en het handelen van de studieadviseur moeten worden bezien in het perspectief van de eerste weken van de coronacrisis. Er moest in die periode op allerlei vlak enorm geïmproviseerd worden, ook op het vlak van het voeren van gesprekken met studenten die te maken hadden met een probleemsituatie en er waren op dat moment binnen de universiteit nog weinig faciliteiten beschikbaar in de sfeer van videoverbindingen en dergelijke, die de mogelijkheden tot het voeren van een gesprek met verzoeker hadden kunnen vereenvoudigen. Verweerster heeft verder nog aangevoerd dat de coördinator autismebegeleiding voor beperkingen zoals die van verzoeker faciliteiten heeft ingericht, zoals een buddysysteem. Verzoeker heeft hier echter geen gebruik van gemaakt tijdens de periode waarop zijn klacht betrekking heeft. Ook heeft verweerster aangevoerd dat verzoeker vooraf afspraken had moet maken over de benodigde aanpassingen, zodat zij rekening had kunnen houden met zijn functiebeperking.

6.8     Het College heeft begrip voor de ingewikkeldheden waarmee verweerster zich aan het begin van de coronacrisis geconfronteerd zag en neemt met waardering kennis van de faciliteiten die verweerster beschikbaar heeft voor de begeleiding van studenten met autisme. Desalniettemin overweegt het College dat het door verweerster gehanteerde systeem van faciliteiten voor studenten met autisme die vooraf moeten worden aangevraagd, haar niet ontslaat van de verplichting om in overleg met de student een onderzoek te verrichten naar de benodigde aanpassing in een onvoorziene situatie als deze, waarin sprake is van een noodzaak tot mondeling overleg vanwege een conflict tussen een student en een docent. In die onderzoeksverplichting is verweerster tekort geschoten. Dat de technische mogelijkheden voor en ervaring met het voeren van gesprekken via videoverbindingen aan de zijde van verweerster in maart en april 2020 beperkt waren, doet hier niet aan af.

6.9     Het College concludeert op grond van het voorgaande dat verweerster niet heeft voldaan aan de wettelijke verplichting om, toen haar de behoefte aan een doeltreffende aanpassing bekend is geworden, in overleg met verzoeker actief te zoeken naar een passende oplossing voor het voeren van het benodigde gesprek. Verweerster heeft dan ook jegens verzoeker verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte gemaakt bij het (niet) verrichten van een doeltreffende aanpassing bij het voeren van een gesprek over het oplossen van het conflict rondom het vak Pleitoefening.

7        Oordeel

Stichting Vrije Universiteit heeft jegens [. . . .] verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte gemaakt.

Aldus gegeven te Utrecht op 19 mei 2022 door mr. dr. J.P. Loof, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. B.H.M. Werker, secretaris.

mr. dr. J.P. Loof                                                               

mr. B.H.M. Werker        

Samenvatting oordeel