Vereniging voor Christelijk Speciaal Onderwijs op Goeree-Overflakkee discrimineerde een vrouw niet door in een vacature voor de functie van leerkracht en onderwijsassistent de functie-eis op te nemen dat een sollicitant het geloof dagelijks in de praktijk dient te brengen.

Vereniging voor Christelijk Speciaal Onderwijs op Goeree-Overflakkee discrimineerde een vrouw niet door in een vacature voor de functie van leerkracht en onderwijsassistent de functie-eis op te nemen dat een sollicitant het geloof dagelijks in de praktijk dient te brengen.

Oordeelnummer 2022-56
Datum: 24-05-2022
Trefwoord: Bijzonder onderwijs Personeelsadvertentie Functie-eis Onderwijs Godsdienst Aangaan arbeidsverhouding Sollicitatie Levensovertuiging Behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking
Discriminatiegrond: Godsdienst
Terrein: Arbeid - Werving en Selectie
Regelingen: Artikel 1 AWGB Artikel 5 lid 2 AWGB Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) Artikel 5 lid 1 AWGB
Situatie

Vereniging voor Christelijk Speciaal Onderwijs op Goeree-Overflakkee (hierna: de vereniging) heeft een vacature geplaatst voor de functie van leerkracht en onderwijsassistent, op SBO de Wegwijzer. Deze school valt onder de verantwoordelijkheid van de vereniging. De vereniging heeft in de vacaturetekst als functie-eis opgenomen dat een sollicitant het geloof dagelijks in de praktijk dient te brengen. Een vrouw heeft belangstelling voor de functie maar heeft niet gesolliciteerd omdat zij het geloof niet dagelijks in de praktijk brengt.

De vrouw vindt dat de vereniging haar discrimineert door deze functie-eis te stellen. De vereniging is het hier niet mee eens. Zij meent dat zij als instelling van bijzonder onderwijs het recht heeft om eisen te stellen aan de functievervulling.

Beoordeling

Het College stelt vast dat de vereniging in de vacaturetekst de eis stelt dat een sollicitant het geloof dagelijks in de praktijk dient te brengen. Dit mag niet, tenzij er een wettelijke uitzondering is. In de wet staat dat een instelling van bijzonder onderwijs, zoals de vereniging, eisen mag stellen aan haar personeel, die verband houden met de grondslag van de instelling. Er moet dan wel sprake zijn van een wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd vereiste.

Het College is van oordeel dat de functie-eis wezenlijk en legitiem is. De eis is wezenlijk omdat de docenten een belangrijke rol spelen in de bevestiging van de grondslag van de vereniging. De eis is legitiem, omdat deze niet dient voor een doel dat geen verband houdt met de grondslag van de vereniging. Ook is het College van oordeel dat de functie-eis gerechtvaardigd is. De vereniging heeft voldoende aangetoond dat het risico op aantasting van haar grondslag waarschijnlijk en ernstig zou zijn als zij de vrouw als leerkracht of onderwijsassistent zou aanstellen.

Oordeel

Vereniging voor Christelijk Speciaal Onderwijs op Goeree-Overflakkee heeft jegens de vrouw geen verboden onderscheid gemaakt op grond van godsdienst.


Oordeel
2022-56

Datum: 24 mei 2022

Dossiernummer: 2021-0390

Oordeel in de zaak van

[. . . .]

wonende te [. . . .], verzoekster

tegen

Vereniging voor Christelijk Speciaal Onderwijs op Goeree-Overflakkee

gevestigd te Middelharnis, verweerster

 

1 Verzoek

Verzoekster vraagt het College om te beoordelen of verweerster verboden onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt door in een vacature voor de functie van leerkracht en onderwijsassistent de functie-eis op te nemen dat een sollicitant het geloof dagelijks in de praktijk dient te brengen.

2 Verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • Verzoekschrift van 2 juli 2021, ontvangen op dezelfde dag;
  • e-mail van verzoekster van 26 augustus 2021;
  • verweerschrift van 8 maart 2022, ontvangen op 9 maart 2022.

Het College heeft de zaak met toepassing van artikel 31, eerste lid, van het Besluit werkwijze onderzoek gelijke behandeling via de vereenvoudigde procedure in behandeling genomen en de zaak met instemming van verzoekster en verweerster zonder zitting afgedaan.

3 Feiten

3.1 SBO de Wegwijzer heeft een vacature open gesteld voor de functie van leerkracht en onderwijsassistent gericht op het oudere kind. In de vacaturetekst vermeldt de school dat zij bij voorkeur op zoek is naar bevoegde en ervaren leerkrachten en onderwijsassistenten, maar dat ook niet-bevoegde personen bij interesse mogen reageren. Deze school valt onder het bevoegd gezag van verweerster.

3.2 In de vacaturetekst is ten aanzien van de identiteit van de school het volgende opgenomen: “De Wegwijzer is een protestants-christelijke school voor Speciaal Basis Onderwijs. De leidraad op onze school is de Bijbel en wat de Bijbel zegt over Gods liefde, de liefde voor onze naaste, de tien geboden en goed rentmeesterschap. Vanuit deze identiteit geeft het betrokken team iedere dag invulling aan onze identiteit. Onze identiteit is verweven in alles wat wij doen op onze school. Dit bepaalt voor een belangrijk deel onze houding naar leerlingen en ouders. Praktisch gezien beginnen en eindigen we iedere dag met een gebed, vertellen verhalen vanuit de Bijbel en leren psalmen en andere geestelijke liederen.”

3.3 Verzoekster is rooms-katholiek opgevoed maar brengt dit niet dagelijks in de praktijk. Zij neemt naar aanleiding van hetgeen in de vacaturetekst is opgenomen omtrent de identiteit van de school contact op met verweerster om na te gaan of een sollicitatiebrief nog wel kans van slagen heeft. De directeur ad interim schrijft in zijn reactie dat zij zoeken naar mensen die hun geloof dagelijks in de praktijk (proberen) te brengen. Dat is een belangrijke voorwaarde om op de school te kunnen werken. Om deze reden past het profiel van verzoekster in die zin niet bij de school.

3.4 Verzoekster heeft niet gesolliciteerd naar de vacante functie bij verweerster.

4 Standpunt verzoekster

Er is sprake van verboden onderscheid op grond van godsdienst omdat verweerster als functie-eis het dagelijks in de praktijk brengen van het geloof stelt. Verzoekster komt ondanks het aanbod zich aan te passen niet in aanmerking voor de functie omdat zij het geloof niet dagelijks in de praktijk brengt.

5 Standpunt verweerster

Er is geen sprake van verboden onderscheid op grond van godsdienst. Verweerster stelt een beroep te kunnen en mogen doen op de wettelijke uitzondering in artikel 5, tweede lid, aanhef en onderdeel b, Algemene wet gelijke behandeling (hierna: AWGB). Verweerster merkt op dat in haar statuten is neergelegd dat zij een instelling is op godsdienstige grondslag. De grondslag en het doel van verweerster zijn neergelegd in de statuten. Wanneer verzoekster zou worden aangesteld als onderwijsassistent of leerkracht vindt het risico op aantasting van de grondslag waarschijnlijk plaats. Dit is ernstig gelet op de verplichting die verweerster heeft ten aanzien van ouders, medewerkers en leerlingen om uitdrukking te geven aan de grondslag. Verweerster is van mening dat zij haar grondslag consistent en consequent handhaaft en zij zal dit gelet op de verplichting naar de ouders en medewerkers die een bewuste keuze hebben gemaakt voor de school vanwege de identiteit van de school en het onderwijspersoneel blijven doen.

6 Beoordeling

Ontvankelijkheid
6.1 Het College stelt vast dat verzoekster niet heeft gesolliciteerd naar de vacante functie bij verweerster. Verzoekster heeft aangegeven niet te hebben gesolliciteerd omdat er specifiek werd gezocht naar mensen met een bepaalde geloofsovertuiging en levenshouding. Door de reactie op haar e-mail heeft zij er voor gekozen om niet verder te gaan met de sollicitatieprocedure.

6.2 Het College overweegt dat hoewel verzoekster niet heeft gesolliciteerd naar de functie, zij wel belang heeft bij een oordeel. Verzoekster stelt met haar diploma te kunnen werken als onderwijsassistent. In de vacaturetekst worden geen bijzondere kwalificaties gevraagd. Op voorhand kan daarom niet worden gezegd dat verzoekster in redelijkheid niet voor de functies in aanmerking had kunnen komen. Verzoekster is dan ook ontvankelijk in haar verzoek (HvJ 23 april 2020, C‑507/18, ECLI:EU:C:2020:289 (NH/Associazione Avvocatura per i diritti LGBTI).

Verboden onderscheid?
6.3 Een werkgever mag geen onderscheid op grond van godsdienst maken bij de aanbieding van een betrekking (artikel 5, eerste lid, aanhef en onderdeel a, Algemene wet gelijke behandeling (AWGB)).

6.4 Zowel direct als indirect onderscheid op grond van godsdienst is verboden. Van direct onderscheid is sprake als een persoon vanwege godsdienst op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie. Onder indirect onderscheid op grond van godsdienst wordt verstaan onderscheid op grond van een neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze die personen met een bepaalde godsdienst in vergelijking met andere personen bijzonder treft (artikel 1 AWGB).

6.5 Verweerster heeft jegens verzoekster direct onderscheid op grond van godsdienst gemaakt bij het aanbieden van een betrekking door de eis te stellen van het dagelijks in de praktijk brengen van het geloof. Verzoekster is rooms-katholiek opgevoed maar brengt dit niet meer in de praktijk vanwege privéredenen. Verweerster behandelt haar hierdoor op een andere wijze dan kandidaten die wel dagelijks het geloof in de praktijk brengen. Direct onderscheid is verboden, tenzij een wettelijke uitzondering van toepassing is.

Wettelijke uitzondering
6.6 Verweerster beroept zich op de wettelijke uitzondering, als bedoeld in artikel 5, tweede lid, aanhef en onderdeel b, AWGB. Op grond hiervan mag een instelling van bijzonder onderwijs ten aanzien van personen die voor haar werkzaam zijn, onderscheid maken op grond van godsdienst, voor zover dit kenmerk vanwege de aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteit of de context waarin deze wordt uitgeoefend een wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd beroepsvereiste vormt, gezien de grondslag van de instelling. Een zodanig onderscheid mag niet verder gaan dan passend is, gelet op de houding van goede trouw en loyaliteit aan de grondslag van de instelling die van de voor haar werkzame personen mag worden verlangd, en mag niet leiden tot onderscheid op een andere in artikel 1 genoemde grond.

Instelling van bijzonder onderwijs
6.7 Het College stelt voorop dat het primair aan verweerster is om haar grondslag en haar doel vast te stellen. Het College toetst slechts of sprake is van een instelling op godsdienstige grondslag (Kamerstukken II 1990/91, 22 014, nr. 3, p. 18). De grondslag en het doel van verweerster zijn neergelegd in haar statuten en zijn verder uitgewerkt in het Strategisch beleidsplan voor 2019-2023. De grondslag van verweerster is het woord Gods (artikel 2 van de statuten). Verweerster heeft ten doel de bevordering van het verzorgen van christelijk speciaal basisonderwijs op Goeree-Overflakkee. Zij tracht dit doel te bereiken door ondersteuning te bieden bij het oprichten en/of in stand houden van scholen voor christelijk speciaal basisonderwijs op Goeree-Overflakkee, die in stand worden gehouden door de Vereniging voor Protestants Christelijk Primair Onderwijs op Goeree Overflakkee, of een rechtsopvolger daarvan en door alle overige wettige middelen die ter verwezenlijking van het beoogde doel bevorderlijk kunnen zijn (artikel 3 van de statuten). In het Strategisch beleidsplan is als missie vermeld: “In gods licht ieder kind accepteren en begeleiden. De missie van de Vereniging geeft de ambitie en de richting aan waarmee zij de komende jaren willen werken. Alle medewerkers, kinderen en ouders worden uitgenodigd en gestimuleerd om zich met deze missie te identificeren en daar vanuit te handelen.” Verweerster stelt dat de school uitvoering geeft aan haar grondslag in de dagelijkse schoolpraktijk. Er wordt elke dag schooldag bij dagopeningen en -sluitingen gebeden. Daarnaast worden verhalen uit de Bijbel verteld en worden psalmen en andere geestelijke liederen geleerd.

6.8 Het College overweegt dat verweerster op grond van de tekst van de statuten en het strategisch beleidsplan kan worden aangemerkt als een instelling van bijzonder onderwijs, zoals bedoeld in artikel 5 AWGB.

Is er sprake van een wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd beroepsvereiste, gezien de grondslag van de instelling?
6.9 Het stellen van bepaalde eisen aan een functie ligt primair bij de instelling zelf (Kamerstukken II 1990/91, 22 014, nr. 3, p. 18 en Kamerstukken II 1990/91, 22 014, nr. 5, p. 51). Het College beoordeelt of verweerster zich er terecht op beroept dat de gestelde functie-eis vanwege de aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteit of de context waarin deze wordt uitgeoefend een wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd beroepsvereiste vormt, gezien de grondslag van de instelling.

6.10 Verweerster stelt de eis van actieve geloofsbelijdenis. In de statuten is vastgelegd dat dit een protestants-christelijke grondslag betreft. Het is aan verweerster om te bepalen of een (potentiële) sollicitant heeft voldaan aan de vereisten van haar identiteit.

6.11 Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd beroepsvereiste, richt het College zich op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) en met name op het arrest van 17 april 2018, zaak C-414/16, Egenberger/ Evangelisches Werk für Diakonie und Entwicklung, ECLI:EU:C:2018:257 (hierna: het Egenberger-arrest) en het arrest van 11 september 2018, zaak C-68/17, IR/JQ, ECLI:EU:C:2018:696. De criteria zijn ontleend aan artikel 4 van richtlijn 2000/78/EG (Kamerstukken II 2012/13, 32 476, nr. 7, p. 11).

6.12 Het begrip ‘wezenlijk’ houdt volgens voornoemd arrest (punt 65) in dat de eis van het dagelijks in de praktijk brengen van het geloof voor verweerster noodzakelijk moet zijn vanwege het belang van de betreffende beroepsactiviteit voor de bevestiging van de grondslag of vanwege de uitoefening van het recht op autonomie door de instelling. Het begrip ‘legitiem’ houdt volgens het Egenberger-arrest (punt 66) in dat het hanteren van het vereiste niet mag dienen om een doel na te streven dat geen verband houdt met de grondslag van verweerster of met de uitoefening van haar recht op autonomie. Het begrip ‘gerechtvaardigd’ brengt volgens voornoemd arrest (punt 67) onder meer met zich mee dat verweerster verplicht is om in het licht van de feitelijke omstandigheden van het specifieke geval aan te tonen dat het vermeende risico van aantasting van haar grondslag of haar recht op autonomie waarschijnlijk en ernstig is, zodat de invoering van een dergelijke vereiste inderdaad noodzakelijk is.

Wezenlijk
6.13 Verweerster voert aan dat de functie-eis noodzakelijk is omdat hiermee in de dagelijkse onderwijspraktijk uitdrukking kan worden gegeven aan de protestants-christelijke grondslag van de school. De school is dit niet alleen verplicht naar de ouders en de leerlingen die bewust gekozen hebben voor de school vanwege haar protestants-christelijke identiteit, maar ook richting medewerkers die vanwege deze identiteit gekozen hebben om werkzaam te zijn op de school. Hierdoor is niet alleen de wijze waarop inhoudt wordt gegeven aan het onderwijs van belang, maar ook de wijze waarop binnen het onderwijs accent gelegd dient te worden op basis van Bijbels gerelateerde normen en waarden en de wijze waarop leerlingen in dat verband benaderd worden en waarbij uitdrukking gegeven wordt aan de protestants-christelijke grondslag. Nu verzoekster heeft aangegeven niets te doen met haar oorspronkelijke geloof acht verweerster haar niet in staat de grondslag van de onderwijsinstelling te bevestigen.

6.14 Het College overweegt dat de functie-eis wezenlijk is omdat het onderwijzende personeel een belangrijke rol speelt in de bevestiging van de grondslag van verweerster. Het is volgens verweerster de taak van het onderwijzend personeel om de grondslag te bevestigen. In de praktijk betekent dit dat tijdens de lessen met de leerlingen wordt nagedacht over wat ze horen of meemaken, deze gebeurtenissen worden vertaald naar de Bijbel en met de leerlingen aandacht wordt besteed aan hoe op grond van de Bijbel met elkaar wordt omgegaan.

Legitiem
6.15 Verweerster voert aan dat de functie-eis legitiem is, aangezien er geen sprake is van het nastreven van een ander doel dan de grondslag van verweerster. Dit criterium is van belang om te waarborgen dat het vereiste inzake het behoren tot een geloof of het aanhangen van een overtuiging waarop de grondslag is gebaseerd, niet dient om een doel na te streven dat geen verband houdt met die grondslag of met de uitoefening van haar recht op autonomie. Het College overweegt dat het vereiste legitiem is omdat het dient om een doel na te streven dat verband houdt met de grondslag. Namelijk het bevorderen van het verzorgen van christelijk speciaal basisonderwijs.

Gerechtvaardigd
6.16 Verweerster stelt dat wanneer verzoekster zou worden aangesteld als onderwijsassistent of leerkracht het risico op de aantasting van de grondslag waarschijnlijk plaatsvindt. Wanneer er sprake is van aantasting van de grondslag, dan ervaart verweerster dat als ernstig gelet op de verplichting die zij ten aanzien van ouders, medewerkers en leerlingen heeft, om uitdrukking te geven aan de grondslag. Verzoekster geeft aan dat zij zelf rooms-katholiek is opgevoed maar hier vrijwel niks meer mee doet door privé-redenen. Verzoekster heeft er geen moeite mee om uitdrukking te geven aan de protestants-christelijke identiteit van verweerster. Verzoekster heeft respect voor ieders geloof.

6.17 Het College stelt voorop dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie EU voortvloeit dat het risico van aantasting van de grondslag van verweerster of haar recht op autonomie in het concrete geval waarschijnlijk en ernstig moet zijn, wil deze gemaakt onderscheid kunnen rechtvaardigen. Het College is van oordeel dat verweerster, gelet ook op het vermelde in de statuten en in het Strategisch beleidsplan voor 2019-2023 en op de wijze waarop zij in de dagelijkse schoolpraktijk uitvoering geeft aan haar grondslag, voldoende heeft aangetoond dat het risico op aantasting van haar grondslag waarschijnlijk en ernstig zou zijn als zij verzoekster als leerkracht of onderwijsassistent zou aanstellen in haar onderwijsinstelling. De omstandigheid dat verzoeksters geloofsovertuiging niet overeenstemt met de protestants-christelijke identiteit van verweerster en verzoekster het geloof niet dagelijks in de praktijk brengt is daarvoor toereikend, mede in het licht van de beleidsvrijheid die (bijzondere) scholen op dit punt moet worden gelaten (vergelijk College voor de Rechten van de Mens 25 augustus 2020, 2020-74, overweging 6.18 en College voor de Rechten van de Mens 18 mei 2021, 2021-59).

Evenredigheidsvereiste
6.18 Verweerster stelt dat het belang om de grondslag van haar onderwijsinstelling te handhaven en om hieraan richting de leerlingen, ouders en personeel uitdrukking te kunnen geven, zwaarder weegt dan het belang van verzoekster om bij verweerster te werken. Verzoekster geeft aan dat zij twee keer bij een christelijke school heeft gesolliciteerd en daar is afgewezen.

6.19 Het College constateert dat verzoekster wordt gehinderd in haar mogelijkheden tot het vinden van een baan binnen het basisonderwijs op Goeree-Overflakkee vanwege het door verweerster gehanteerde beleid. Het concludeert desalniettemin dat aan het belang van verweerster om de grondslag van haar onderwijsinstelling te handhaven meer gewicht moet worden toegekend dan aan verzoeksters individuele belang, mede omdat het handhaven van die grondslag niet zonder meer door minder onderscheidmakende eisen kan worden verwezenlijkt. De gestelde functie-eis voldoet dan ook aan het evenredigheidsvereiste.

6.20 Het College concludeert dat verweerster een beroep toekomt op de wettelijke uitzondering op het verbod van onderscheid van artikel 5, tweede lid, aanhef en onderdeel b, AWGB. Verweerster heeft dan ook jegens verzoekster geen verboden onderscheid op grond van godsdienst gemaakt door bij het aanbieden van een betrekking als functie-eis te stellen het dagelijks in de praktijk brengen van het geloof.

7 Oordeel

Vereniging voor Christelijk Speciaal Onderwijs op Goeree-Overflakkee heeft geen verboden onderscheid gemaakt jegens [. . . .] op grond van godsdienst.

Aldus gegeven te Utrecht op 24 mei 2022 door mr. M. Chébti LL.M voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. I.M. van der Elsken, secretaris.





mr. M. Chébti LL.M

mr. I.M. van der Elsken

Samenvatting oordeel