Een vrouw is niet ontvankelijk in haar verzoek om een oordeel over het handelen van Wildlands Adventure Zoo Emmen B.V.

Een vrouw is niet ontvankelijk in haar verzoek om een oordeel over het handelen van Wildlands Adventure Zoo Emmen B.V.

Oordeelnummer 2022-58
Datum: 31-05-2022
Trefwoord: Aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen en diensten Godsdienst Ontvankelijkheid Aanbieden goederen en diensten
Discriminatiegrond: Godsdienst
Terrein: Goederen en diensten - Overige
Regelingen: Artikel 1 AWGB Artikel 7 lid 1 AWGB Algemene wet gelijke behandeling (AWGB)

Situatie

Vanaf 15 november 2021 verleende Wildlands Adventure Zoo Emmen B.V. (hierna: de dierentuin) bezoekers enkel toegang tot de dierentuin als zij een geldig coronatoegangsbewijs konden laten zien bij de ingang. Op dat moment was de dierentuin op basis van de wet enkel verplicht om bezoekers om een coronatoegangsbewijs te vragen als die het restaurant, winkels en/of voorstellingen wilden bezoeken. In plaats van op vijf aparte locaties in het park te controleren op het coronatoegangsbewijs, besloot de dierentuin om daar op een centrale plek, namelijk bij de ingang, naar te vragen.

De vrouw is aangesloten bij de Baptistengemeenschap. Zij is uit overtuiging niet in het bezit van een coronatoegangsbewijs. Daardoor heeft zij gedurende de tijd dat het coronatoegangsbewijs verplicht was in de dierentuin, geen gebruik gemaakt van haar abonnement.

Beoordeling

De eerste vraag die het College moet beantwoorden, is of het College over het verzoek van de vrouw kan oordelen. Daarvoor moet het College beoordelen of de vrouw een beroep kan doen op de grond godsdienst als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling. Het gaat daarbij in dit geval om de handelingsvrijheid; een aspect van de godsdienstvrijheid dat beoogt betrokkenen in staat te stellen om hun leven volgens godsdienstige voorschriften en regels in te richten. Die handelingsvrijheid brengt met zich mee dat de wet ook gedragingen beschermt die rechtstreeks uitdrukking geven aan een godsdienstige overtuiging. Er moet dan echter wel sprake zijn van een rechtstreeks verband tussen de handeling, in dit geval het niet verkrijgen van een coronatoegangsbewijs, en de geloofsovertuiging.

Het College oordeelt dat de vrouw dat verband in deze procedure onvoldoende heeft aangetoond. Hoewel het handelen gebaseerd is op een diepgevoelde opvatting aan zijde van de vrouw, zijn de bezwaren van de vrouw tegen het coronatoegangsbewijs terug te herleiden naar twijfels over de betrouwbaarheid van de beschikbare vaccins en van de Covid-19 testen. Het College constateert dan ook op grond van wat de vrouw heeft aangevoerd tijdens de procedure dat de bezwaren van de vrouw vooral van medische aard zijn en niet kenbaar een uitdrukking vormen van een geloofsovertuiging.

Omdat de vrouw in deze procedure niet heeft kunnen aantonen dat sprake is van een gedraging waarmee zij uitdrukking geeft aan een godsdienstige overtuiging, kan zij ten aanzien van de dierentuin geen aanspraak maken op de bescherming van de AWGB. Het College kan de vrouw daarom niet ontvangen in haar verzoek om een oordeel te geven over de vraag of de dierentuin jegens haar verboden onderscheid op grond godsdienst heeft gemaakt.

Oordeel

De vrouw is niet ontvankelijk in haar verzoek tegen Wildlands Adventure Zoo Emmen B.V.


Oordeel 2022-58

Datum: 31 mei 2022

Dossiernummer: 2021-0763

Oordeel in de zaak van

[. . . .]

wonende te [. . . .], verzoekster

tegen

Wildlands Adventure Zoo Emmen B.V.      

gevestigd te Emmen, verweerster

1        Verzoek

Verzoekster vraagt het College om te beoordelen of verweerster verboden onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt door haar de toegang tot de dierentuin te weigeren, omdat zij geen coronatoegangsbewijs kon laten zien.

2        Verloop van de procedure

2.1     Het College heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • verzoekschrift van 23 december 2021, ontvangen op dezelfde dag;
  • brief van verzoekster van 22 februari 2022;
  • verweerschrift van 1 april 2022.

2.2     Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 april 2022. Partijen zijn verschenen. Verzoekster werd bijgestaan door H. Willems, klachtenconsulent bij anti-discriminatievoorziening Vizier Oost. Verweerster werd vertegenwoordigd door [. . . .], HR-manager.

3        Feiten

3.1     Verzoekster is aangesloten bij de Baptistengemeenschap. Verweerster exploiteert een dierentuin. Verzoekster heeft een abonnement om de dierentuin van verweerster te bezoeken.

3.2     Vanaf 15 november 2021 verleende verweerster bezoekers alleen toegang tot de dierentuin als zij een geldig coronatoegangsbewijs konden laten zien bij de ingang. Met een coronatoegangsbewijs wordt het officiële bewijs bedoeld dat door de overheid wordt afgegeven bij het halen van de juiste vaccinaties, bij een negatieve testuitslag of bij herstel van corona. Van dit bewijs wordt een QR-code gemaakt, die in de CoronaCheck app of vanaf papier gescand kan worden. Op dat moment rustte op grond van de Tijdelijke regeling maatregelen Covid-19 (hierna: Trm) op verweerster niet de verplichting om bij het toelaten van bezoekers tot de dierentuin te vragen om een coronatoegangsbewijs. Deze (wettelijke) plicht was er wel als bezoekers in de dierentuin het restaurant, winkels en/of voorstellingen wilden bezoeken.

3.3     Verzoekster heeft gedurende de tijd dat het coronatoegangsbewijs verplicht was in de dierentuin, geen gebruik gemaakt van haar abonnement. Verweerster bood haar abonnementhouders in die periode de mogelijkheid hun abonnement tijdelijk stop te zetten in verband met de beperkte toegankelijkheid van de dierentuin.

4        Standpunt verzoekster

Verzoekster stelt dat verweerster jegens haar verboden onderscheid op grond van geloofsovertuiging heeft gemaakt door bij de ingang van het park om een coronatoegangsbewijs te vragen. Het verkrijgen van een coronatoegangsbewijs druist in tegen de beginselen van haar geloofsovertuiging. Verzoekster wil zich niet laten testen of vaccinneren tegen het coronavirus. Ook de bij het coronatoegangsbewijs horende QR-code beschouwt zij als een ongepast, want duivels, symbool. Als verweerster enkel gecontroleerd had op de plaatsen waar dat vanuit de overheid verplicht gesteld was, had verzoekster het park wel kunnen bezoeken.

5        Standpunt verweerster

Verweerster betwist dat zij verboden onderscheid op grond van godsdienst jegens verzoekster heeft gemaakt. Verweerster heeft verzoekster nooit in absolute zin de toegang ontzegd en zeker niet op basis van haar godsdienst. Een bezoeker die niet over een vaccinatiebewijs beschikte, kon immers met een testbewijs alsnog de dierentuin bezoeken. Op basis van de Trm golden verschillende regels voor de binnen– en buitenlocaties van de dierentuin. Gevolg daarvan was dat bezoekers op vijf verschillende locaties in de dierentuin hun coronatoegangsbewijs hadden moeten laten zien. Het was praktisch niet haalbaar om op die verschillende locaties om het coronatoegangsbewijs te vragen, waardoor besloten is op een centrale plek, bij de ingang, hierop te controleren. Bovendien rust op verweerster de plicht om medewerkers, bezoekers en dieren te beschermen tegen corona.

6        Beoordeling

Kan het College over dit verzoek oordelen?
6.1     Het is verboden om onderscheid te maken op grond van godsdienst bij het aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen of diensten, indien dit geschiedt in de uitoefening van een bedrijf (artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet gelijke behandeling (hierna: AWGB)). Verweerster is als bedrijf dat een dierentuin exploiteert gehouden aan dit verbod.

6.2     Het College oordeelt eerst over de vraag of verzoekster in het onderhavige geval een beroep kan doen op de grond godsdienst als bedoeld in de AWGB. Hiertoe overweegt het College als volgt.

6.3     Het is vaste oordelenlijn van het College en zijn rechtsvoorganger, de Commissie Gelijke Behandeling (CGB), dat het bij een geloofsovertuiging om een overtuiging omtrent het leven gaat waarbij een opperwezen centraal staat (vergelijk CGB 23 februari 2005, oordeel 2005-28, overweging 5.5). Verzoekster behoort tot de Baptistengemeenschap. Het College stelt vast dat dit een kerkgenootschap is (zie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 augustus 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:7452 en CGB 1 januari 1995, 1995-26, overweging 5).

6.4     Het begrip godsdienst dient overeenkomstig het door de Grondwet en mensenrechtenverdragen gewaarborgde recht op vrijheid van godsdienst ruim te worden uitgelegd en omvat niet alleen het huldigen van een geloofsovertuiging, maar ook het zich er naar kunnen gedragen (Kamerstukken II 1990/91, 22 014, nr. 5, p. 39-40, vgl. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 29). Dit laatste aspect van de godsdienstvrijheid, ook wel aangeduid als handelingsvrijheid, beoogt betrokkenen onder meer in staat te stellen om hun leven volgens godsdienstige voorschriften en regels in te richten en hier ook anderszins gestalte aan te geven in de leefsituatie en omgeving (Kamerstukken II 1990/91, 22 014, nr. 3, p. 3). Hieruit volgt dat de AWGB tevens bescherming biedt aan gedragingen die, mede gelet op de betekenis van godsdienstige voorschriften en regels, rechtstreeks uitdrukking geven aan een godsdienstige overtuiging (zie CRM 1 oktober 2019, oordeel 2019-100, overweging 4.12). Een bepaalde geloofshandeling wordt alleen beschermd als sprake is van een ‘sufficiently close and direct nexus between the act and the underlying belief’ (zie EHRM 15 januari 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0115JUD004842010 (Eweida e.a. t. het Verenigd Koninkrijk), overweging 81 en 82). 

6.5     Verzoekster stelt dat het verkrijgen van een coronatoegangsbewijs niet past binnen haar geloofsovertuiging. De vraag die het College moet beantwoorden is of deze handeling van verzoekster rechtstreeks uitdrukking geeft aan haar geloofsovertuiging.

6.6     Verzoekster heeft de relatie tussen de handeling en haar geloofsovertuiging met een aantal punten onderbouwd. Zij geeft aan dat haar lichaam door God aan haar is geschonken. Daarom wil zij zich niet laten vaccineren met een vaccin dat slechts tijdelijk goedgekeurd is. Dit vaccin zou bovendien schade aan kunnen richten in haar lichaam. Verzoekster weigert specifiek de corona-vaccins, tegen andere vaccins heeft zij geen bezwaren. De corona-vaccins bevatten namelijk een spike-eiwit, dat veranderingen in het DNA teweeg brengt. Met betrekking tot de weigering om zich te laten testen op Covid-19 stelt verzoekster dat de gebruikte testen ethylalcohol bevatten, wat slecht is voor de hersenen. Op basis van haar geloof mag zij geen dingen nemen die slecht zijn voor haar lichaam. Een bijkomend probleem voor verzoekster is dat zij voor een test een eind moet reizen, wat belastend voor haar is gezien haar gezondheid. De QR-code als bewijs voor een negatieve testuitslag, vaccinatie, of herstel van corona, merkt verzoekster aan als “mark of the devil” en “number of the beast”. Zij verwijst daarbij naar het einde der tijden zoals dat beschreven is in de Bijbel. Verzoekster heeft hierbij toegelicht dat dit specifiek voor de QR-code van het coronatoegangsbewijs geldt, vanwege de combinatie met de inbreuk op het lichaam die vereist is door vaccineren of testen.  

6.7     Het College onderkent dat verzoekster haar handelen baseert op een diepgevoelde opvatting. Verzoekster heeft echter onvoldoende aangetoond dat haar handelen rechtstreeks verband heeft met de fundamentele beginselen van haar godsdienst of een daarop terug te voeren gedragspatroon dat uitdrukking geeft aan haar godsdienstige opvattingen. De bezwaren van verzoekster zijn terug te herleiden naar twijfels over de betrouwbaarheid van de beschikbare vaccins en van de Covid-19 testen. De enkele verwijzing naar het einde der tijden in de Bijbel is dan onvoldoende om aan te kunnen nemen dat bij verzoekster sprake is van een concrete gedraging die uitdrukking geeft aan haar geloofsovertuiging. Het College hecht in dit verband belang aan het feit dat verzoekster ter zitting heeft aangegeven dat zij vanuit haar geloofsovertuiging geen principiële bezwaren heeft tegen vaccinaties of andere medische behandelingen. Haar bezwaren vloeien voort uit de experimentele aard van de Covid-vaccinaties, de mogelijke nadelige gevolgen voor de gezondheid als gevolg van die experimentele aard hiervan en de gezondheidsrisico’s die worden veroorzaakt door stoffen die verwerkt zitten in de Covid-tests. Het College constateert op grond hiervan dat verzoeksters bezwaren vooral van medische aard zijn en niet kenbaar een uitdrukking vormen van een geloofsovertuiging (zie in dit kader ook EHRM 8 april 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:0408JUD004762113 (Vavřička e.a. t. Tsjechië), par. 330 e.v. en EHRM 15 januari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0115DEC002653695 (Boffa e.a. t. San Marino).

6.8     Voor zover verzoekster heeft toegelicht waarom de QR-code door haar wordt beschouwd als een duivels symbool waarvan zij zich om godsdienstige redenen verre zou moeten houden, constateert het College dat verzoekster ook in dit verband heeft aangevoerd dat het duivelse karakter van de QR-code niet het gevolg is van de wijze waarop QR-codes er in het algemeen uitzien, maar direct verband houdt met de vaccinatie- of testverplichtingen waaraan iemand moet voldoen om in aanmerking te komen voor de specifieke QR-code op het coronatoegangsbewijs. Die vaccinatie- of testverplichtingen stuitten bij verzoekster op de hierboven reeds aangeduide medische bezwaren. Dit maakt dat het College ook op dit punt geen verband ziet met handelen dat op enigerlei wijze een directe uitdrukking vormt van een geloofsovertuiging.

6.9     Omdat verzoekster in deze procedure niet heeft kunnen aantonen dat sprake is van een gedraging waarmee zij uitdrukking geeft aan een godsdienstige overtuiging, kan zij ten aanzien van verweerster geen aanspraak maken op de bescherming van de AWGB. Het College kan verzoekster daarom niet ontvangen in haar verzoek om een oordeel te geven over de vraag of verweerster jegens haar verboden onderscheid op grond godsdienst heeft gemaakt.

7        Oordeel

[. . . .] is niet ontvankelijk in haar verzoek tegen Wildlands Adventure Zoo Emmen B.V.

Aldus gegeven te Utrecht op 31 mei 2022 door mr. M. Chébti LLM, voorzitter, mr. dr. G. Cornelisse en mr. dr. J.P. Loof, leden van het College voor de Rechten van de Mens, in tegenwoordigheid van mr. H. Jans, secretaris.

mr. M. Chébti LL.M. 

mr. H. Jans

 

Samenvatting oordeel