Stichting Klassieke Concerten Nederland heeft een vrouw gediscrimineerd doordat de dirigent van het orkest onder beheer van de stichting de vrouw seksueel heeft geïntimideerd.

Stichting Klassieke Concerten Nederland heeft een vrouw gediscrimineerd doordat de dirigent van het orkest onder beheer van de stichting de vrouw seksueel heeft geïntimideerd.

Oordeelnummer 2022-59
Datum: 02-06-2022
Trefwoord: Seksuele intimidatie Geslacht Vrij beroep Bescherming van de vrouw Discriminatie op de werkvloer Arbeidsomstandigheden Intimidatie
Discriminatiegrond: Geslacht
Terrein: Arbeid - Arbeidsomstandigheden
Regelingen: Artikel 7:646 lid 6 BW (nieuw) Artikel 1c WGB Burgerlijk Wetboek (nieuw) Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB)
Situatie

Een vrouw is beroepsmuzikant bij een professioneel orkest. Zij werkt voor het orkest in de periode najaar 2012 tot en met najaar 2013. Gedurende deze periode ervaart zij het gedrag van de dirigent als seksueel intimiderend. De dirigent stelt in november 2012 aan de vrouw voor dat zij gedurende de concertreeks bij hem thuis kan inwonen, om zo kosten en energie te besparen. Gedurende deze overnachtingen belanden de vrouw, de dirigent en dienst partner gezamenlijk in bed. Daar worden tussen hen seksuele handelingen verricht. In de daarop volgende maanden vindt vaker seksueel contact plaats tussen de vrouw en de dirigent. In de zomer van 2013 geeft de vrouw aan niet meer door te willen gaan met het seksueel contact. Zij wordt na de concertreeks van het najaar van 2013 niet meer ingehuurd.

De vrouw klaagt bij het College dat Stichting Klassieke Concerten Nederland (‘stichting KCN’), de stichting die het orkest exploiteert, onvoldoende heeft gedaan om de seksuele intimidatie tegen te gaan. Stichting KCN heeft geen (inhoudelijk) verweer gevoerd.

Het College heeft gelijktijdig een zaak behandeld van een andere vrouw, die klaagt over seksuele intimidatie door dezelfde dirigent. Het College heeft in deze zaak oordeel 2022-60 uitgegeven.

Beoordeling

Omdat stichting KCN geen (inhoudelijk) verweer heeft gevoerd, stelt het College de feiten vast op basis van de verklaringen van de vrouw. Het College stelt vervolgens vast dat tussen de vrouw en de dirigent veelvuldig seksuele handelingen van verschillende aard hebben plaatsgevonden.

Vervolgens moet het College beoordelen of het seksuele gedrag tot doel of gevolg heeft gehad dat de waardigheid van de vrouw is aangetast. Daarover overweegt het College dat de dirigent als artistiek leider van het orkest een machtspositie bekleedt, omdat hij degene is die in feite bepaalt wie wordt aangenomen en wie als solist zal optreden. Hij liet de vrouw herhaaldelijk in onzekerheid of zij daadwerkelijk in geplande concerten mocht meespelen door beslissingen daarover steeds uit te stellen. Het College overweegt dat iedere werknemer een fundamenteel recht heeft op een veilige werkomgeving, waarbij geen misbruik wordt gemaakt van machtsongelijkheid. Het feit dat door de dirigent binnen deze situatie van machtsongelijkheid initiatieven zijn ontplooid waardoor de vrouw zich gedwongen voelde om met hem seksuele handelingen te verrichten opdat zij niet haar werk en inkomsten zou verliezen, kan naar oordeel van het College dan ook niet anders worden begrepen als dat de seksuele gedragingen tot gevolg hadden dat verzoekster in haar waardigheid is aangetast. De vrouw is daarom seksueel geïntimideerd door de dirigent.

Omdat de dirigent een leidinggevende positie bekleedt, kan zijn seksueel intimiderende gedrag volgens vaste oordelenlijn van het College rechtstreeks worden toegerekend aan stichting KCN als werkgever van de vrouw.

Oordeel

Stichting Klassieke Concerten Nederland heeft jegens de vrouw verboden onderscheid gemaakt op grond van geslacht.


Oordeel
2022-59

Datum: 2 juni 2022

Dossiernummer: 2020-0280

Oordeel in de zaak van

[. . . .]

wonende te [. . . .], verzoekster

tegen

Stichting Klassieke Concerten Nederland

gevestigd te Harderwijk, verweerster


1 Verzoek

Verzoekster vraagt het College om te beoordelen of verweerster verboden onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt doordat de dirigent en artistiek leider van het muziekgezelschap – dat door verweerster wordt geëxploiteerd – haar seksueel geïntimideerd heeft.

2 Verloop van de procedure

2.1 Het College heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • verzoekschrift van 19 juni 2020, ontvangen op 22 juni 2020;
  • e-mail van verzoekster van 30 juli 2020;
  • e-mail van verzoekster van 23 april 2021;
  • brief van verweerster van 11 juni 2021, ontvangen op 14 juni 2021.

2.2 Het College heeft de ontvankelijkheid van de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2021. Op 29 november 2021 heeft het College een tussenoordeel uitgesproken (2021-142). In het tussenoordeel heeft het College de klacht van verzoekster jegens verweerster ontvankelijk verklaard.

2.3 Op 30 september 2021 heeft het College op verzoek van verzoekster twee informanten gehoord: [. . . .] (hierna: informant 1) en [. . . .] (hierna: informant 2). Deze verhoren zijn getranscribeerd. Het College heeft verweerster de transcripten toegestuurd en haar in de gelegenheid gesteld te reageren. Verweerster heeft op 1 februari 2022 schriftelijk gereageerd, waarop voornoemde informanten op 18 maart 2022 schriftelijk hebben gereageerd.

2.4 Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 maart 2022. Partijen zijn verschenen. Verzoekster werd bijgestaan door J. Jager en mr. F.J. Resius, vertrouwenspersonen van MORES.online. Verweerster werd vertegenwoordigd door [. . . .], interim directeur, en bijgestaan door mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam.

2.5 Het College heeft de zaak ter zitting behandeld, tegelijkertijd met het verzoek van een andere verzoekster jegens dezelfde verweerster over een soortgelijke klacht. In die zaak heeft het College oordeel 2022-60 uitgebracht.

3 Feiten

3.1 Verzoekster is musicus (fluitist). In de periode september/oktober 2012 tot en met oktober/november 2013 maakt zij op freelancebasis deel uit van het [. . . .] (hierna: het orkest). Dit orkest staat onder de artistieke leiding van [. . . .] (hierna: de dirigent) en het beheer is bij verweerster ondergebracht. Verweerster is een stichting die zich bezighoudt met het organiseren, financieren, promoten en op alle manieren geheel of gedeeltelijk faciliteren van de organisatie van concerten van klassieke muziek.

3.2 In november 2012 stelt de dirigent aan verzoekster voor dat zij gedurende de concertreeks van het orkest bij hem thuis kan inwonen, om zo kosten en energie te besparen. Gedurende het verblijf belanden verzoekster, de dirigent en diens partner gezamenlijk in bed en is er seksueel contact. De partner van de dirigent stelt later tegen verzoekster dat wat er is gebeurd niet vreemd gevonden moet worden, omdat dit ‘gewoon zijn manier van doen’ is en hij zo met iedereen doet. In de maanden die volgen vindt vaker seksueel contact plaats tussen verzoekster en de dirigent, waarbij soms ook de partner aanwezig is en deelneemt aan het seksuele contact.

3.3 In juli/augustus 2013 geeft verzoekster bij de dirigent aan niet meer door te willen gaan met het seksueel contact tussen hen beiden. De dirigent geeft daarop aan dat verzoekster zijn bedoelingen en filosofie niet begrijpt en stelt wederom voor dat zij met hem en zijn partner naar bed gaat. Verzoekster herhaalt dat zij dit niet meer wil. Daarop trekt de dirigent alle solo- en orkestopdrachten van verzoekster in. Verzoekster verlaat het huis van de dirigent, maar keert diezelfde avond op aandringen van de partner van de dirigent terug. De dirigent spreekt dan met verzoekster af dat zij de volgende reeks concerten (in de periode september/oktober 2013) van het orkest mag spelen en dat zij eventueel ook daarna mag meespelen als zij zich goed gedraagt. Verzoekster speelt de concerten in september/oktober 2013, maar wordt daarna niet meer ingehuurd.

4 Standpunt verzoekster

Verzoekster stelt dat zij seksueel is geïntimideerd door de dirigent. Verweerster, haar werkgever, heeft daartegen niets, althans onvoldoende, gedaan. De dirigent is degene die feitelijk alle macht in handen heeft, omdat hij degene is die bepaalt wie wel of niet voor het orkest mag spelen. Zij heeft meerdere keren geprobeerd zich aan het seksuele contact te onttrekken, maar dit is haar langere tijd niet gelukt, omdat zij was bang haar werk en inkomsten te verliezen. Zodra zij aangaf het seksuele contact niet meer te willen, trok de dirigent alle geplande opdrachten (‘opties’) met haar in.

5 Standpunt verweerster

Verweerster heeft geen (inhoudelijk) verweer gevoerd.

6 Beoordeling

6.1 Het College heeft in het onder 2.2 vermelde tussenoordeel de klacht van verzoekster jegens verweerster ontvankelijk verklaard. Het College heeft in dit tussenoordeel geoordeeld dat verzoekster onder gezag van verweerster, een rechtspersoon, arbeid heeft verricht. Daardoor kan het optreden van verweerster op grond van artikel 1c Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB) in samenhang met artikel 7:646 Burgerlijk Wetboek (BW) getoetst worden aan het verbod op seksuele intimidatie (zie College voor de Rechten van de Mens 29 november 2021, 2021-142, overweging 6.4).

6.2 Het is een werkgever verboden om onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen bij de arbeidsomstandigheden (artikel 7:646, eerste lid, BW). Het verbod op direct onderscheid houdt mede in een verbod op seksuele intimidatie (artikel 7:646, zesde lid, BW). Onder seksuele intimidatie als in deze wet bedoeld wordt verstaan: enige vorm van verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag met een seksuele connotatie dat als doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast, in het bijzonder wanneer een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende situatie wordt gecreëerd (artikel 7:646, achtste lid, BW).

6.3 Het begrip ‘seksuele connotatie’ is in de wetgeving niet nader omschreven, omdat de wetgever de vraag wat wel of niet gezien kon worden als seksueel intimiderend gedrag zoveel mogelijk bedoelde te objectiveren. Het is volgens de wetgever niet de bedoeling om "in rechte te strijden over de innerlijke belevingswereld van de betrokkenen", dat wil zeggen de pleger en het slachtoffer (Kamerstukken II 2005/06, 30 237, nr. 6, p. 8). De Centrale Raad van Beroep heeft eerder geoordeeld dat het moet gaan om “gedrag dat een normaal weldenkend mens heeft kunnen beleven als seksueel van aard” (CRvB 15 mei 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AF9717, r.o. 3.2).

Heeft de dirigent/artistiek leider verzoekster seksueel geïntimideerd?
6.4 Verweerster heeft slechts bij brief van 11 juni 2021 gereageerd op verzoeksters klacht. Het College heeft het daarin opgenomen standpunt van verweerster begrepen als een ontvankelijkheidsverweer en heeft daarover tussenoordeel 2021-142 uitgesproken. Verweerster heeft vervolgens niet inhoudelijk op verzoeksters klacht gereageerd. Het College heeft verweerster ter zitting in de gelegenheid gesteld alsnog een inhoudelijke reactie te geven. Daarop heeft verweerster aangegeven dat zij om haar moverende redenen van die gelegenheid geen gebruik maakt. Nu verweerster het relaas van verzoekster niet inhoudelijk heeft bestreden, vormt verzoeksters verklaring en de daarbij door haar overgelegde stukken voor het College het uitgangspunt bij het vaststellen van de feiten. In dat verband overweegt het College dat de twee informanten die het in het kader van het onderzoek heeft gehoord allebei (en los van elkaar) hebben verklaard over een gedragspatroon van de dirigent dat overeenkomt met de verklaring van verzoekster. Het College ziet daarom geen aanleiding om de inhoud van de verklaring van verzoekster in twijfel te trekken.

6.5 Het College stelt de feiten in lijn met de verklaring van verzoekster en in aanvulling op de feiten zoals beschreven onder overwegingen 3.1 tot en met 3.3 als volgt vast. In de periode van november 2012 tot juli/augustus 2013 hebben tussen de dirigent en verzoekster veelvuldig seksuele handelingen van verschillende aard plaatsgevonden. Daarmee is naar oordeel van het College in dit geval sprake geweest van verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag met een seksuele connotatie.

6.6 Ten aanzien van de vraag of het seksuele gedrag tot doel of gevolg heeft gehad dat verzoeksters waardigheid is aangetast, overweegt het College als volgt. Uit verzoeksters verklaring blijkt dat de seksuele handelingen steeds plaatsvonden op initiatief en aandringen van de dirigent. Verzoekster heeft verklaard dat zij op meerdere momenten heeft geprobeerd zich te onttrekken aan situaties waarin zij één-op-één met de dirigent samen was. De angst voor verlies van werk en inkomen was voor haar dusdanig groot dat dit haar niet goed lukte, aldus verzoekster. Verzoekster heeft daarenboven verklaard dat de dirigent op psychisch en emotioneel niveau steeds de juiste snaren bij haar wist te raken, waardoor zij niet van hem kon loskomen. Het College acht verzoeksters vrees voor verlies van inkomen niet onredelijk, nu de dirigent als artistiek leider van het orkest een machtspositie bekleedde, hij regelmatig bij verzoekster benadrukte hoeveel tijd, geld en energie hij in haar had geïnvesteerd en haar herhaaldelijk in onzekerheid liet of zij daadwerkelijk in geplande concerten mocht meespelen door een definitieve beslissing daarover steeds uit te stellen. Dit getuigt, zo overweegt het College, van een bijzonder hoge mate van afhankelijkheid van verzoekster ten opzichte van de dirigent. Iedere werknemer heeft een fundamenteel recht op een veilige werkomgeving, waarbij geen misbruik wordt gemaakt van machtsongelijkheid. Het feit dat door de dirigent binnen deze situatie van machtsongelijkheid initiatieven zijn ontplooid waardoor verzoekster zich gedwongen voelde om met hem seksuele handelingen te verrichten opdat zij niet haar werk en inkomsten zou verliezen, kan naar het oordeel van het College dan ook niet anders worden begrepen dan dat de seksuele gedragingen tot gevolg hadden dat verzoekster in haar waardigheid is aangetast. Het gegeven dat verzoekster zich niet fysiek heeft verzet tegen het seksuele contact doet hieraan niet af. Ten overvloede overweegt het College daarbij dat achteraf is gebleken dat verzoekster inderdaad geen (solo)concerten meer mocht spelen toen zij zich in het najaar van 2013 definitief onttrok aan de seksuele contacten met de dirigent.

Kan de seksuele intimidatie verweerster worden aangerekend?
6.7 Het is vaste oordelenlijn van het College dat het gedrag of de handelwijze van een medewerker die namens de werkgever gezag uitoefent rechtstreeks valt toe te rekenen aan de werkgever zelf. Van een medewerker in een gezaghebbende positie mag worden verwacht dat deze zich bewust is van de bijzondere positie die hij bekleedt ten opzicht van anderen (vgl. College voor de Rechten van de Mens 28 februari 2022, 2022-15, overweging 4.1 en 4.9; vgl. Kamerstukken II 2002/03, 28 770, nr. 5, p. 28).

6.8 Het College heeft in het tussenoordeel reeds vastgesteld dat de dirigent bij verweerster in dienst is als artistiek leider van het orkest en het bijbehorende koor. Het College heeft toen ook vastgesteld dat de dirigent in feite (onder meer) bepaalde wie werd aangenomen en wie als solist zou optreden. Bovendien is hij degene die bepaalt welke muziek wordt opgevoerd en op welke wijze dat gebeurt. De musici met wie de dirigent werkt, staan derhalve onder zijn (artistieke) gezag. Zijn rol is bovendien bepalend, nu zijn invloed op de samenstelling van het orkest en de door het orkest opgevoerde muziek zodanig zwaarwegend is dat het College niet anders kan dan oordelen dat de dirigent jegens de musici een leidinggevende positie bekleedt. Het College is, gelet op de aard van de functie van de dirigent, dan ook van oordeel dat het seksueel intimiderende gedrag van de dirigent jegens verzoekster rechtstreeks valt toe te rekenen aan verweerster als werkgever. Het gegeven dat de dirigent volgens verweerster zelf ook steeds op projectbasis wordt ingehuurd als zzp-er en dus niet in vaste dienst is bij verweerster doet hier niet aan af. Verweerster heeft daarom jegens verzoekster direct onderscheid op grond van geslacht gemaakt.

6.9 Direct onderscheid is verboden, tenzij een in de wet geëxpliceerde wettelijke uitzondering van toepassing is. In het geval van seksuele intimidatie kan een dergelijke uitzondering niet van toepassing zijn (artikel 7:646, dertiende lid, BW). Het College oordeelt dat verweerster jegens verzoekster verboden onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt doordat verzoekster seksueel geïntimideerd is door de dirigent.

7 Oordeel

Stichting Klassieke Concerten Nederland heeft verboden onderscheid gemaakt jegens [. . . .] op grond van geslacht.

Aldus gegeven te Utrecht op 2 juni 2022 door mr. dr. J.P. Loof, voorzitter, mr. dr. A. Eleveld en mr. drs. H.A.G. Nijman, leden van het College voor de Rechten van de Mens, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Ingeveld, secretaris.





mr. dr. J.P. Loof

mr. A.J. Ingeveld

Samenvatting oordeel