Stichting Klassieke Concerten Nederland heeft een vrouw gediscrimineerd doordat de dirigent van het orkest onder beheer van de stichting de vrouw seksueel heeft geïntimideerd.

Stichting Klassieke Concerten Nederland heeft een vrouw gediscrimineerd doordat de dirigent van het orkest onder beheer van de stichting de vrouw seksueel heeft geïntimideerd.

Oordeelnummer 2022-60
Datum: 02-06-2022
Trefwoord: Intimidatie Discriminatie op de werkvloer Geslacht Seksuele intimidatie Arbeidsomstandigheden Vrij beroep Bescherming van de vrouw
Discriminatiegrond: Geslacht
Terrein: Arbeid - Arbeidsomstandigheden
Regelingen: Burgerlijk Wetboek (nieuw) Artikel 7:646 lid 6 BW (nieuw) Artikel 1c WGB Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB)
Situatie

Een vrouw is beroepsmuzikant bij een professioneel orkest. Zij begint in het najaar van 2013 voor het orkest, dat door Stichting Klassieke Concerten Nederland (‘stichting KCN’) wordt geëxploiteerd. Gedurende deze periode blijft de vrouw met regelmaat overnachten bij de dirigent thuis. Daar vinden tussen de vrouw en de dirigent veelvuldig seksuele handelingen van verschillende aard plaats, die de vrouw stelt als onwenselijk te hebben ervaren. Medio 2015 brengt de vrouw stichting KCN op de hoogte van het bestaan van de seksuele contacten. In de loop van 2016 eindigt het dienstverband van de vrouw bij stichting KCN.

De vrouw klaagt bij het College dat stichting KCN onvoldoende heeft gedaan om haar te beschermen tegen seksuele intimidatie. Stichting KCN stelt dat sprake was van een gelijkwaardige (seksuele) relatie tussen twee volwassenen en dat daarom van seksuele intimidatie nooit sprake is geweest.

Het College heeft gelijktijdig een zaak behandeld van een andere vrouw, die klaagt over seksuele intimidatie door dezelfde dirigent. Het College heeft in deze zaak oordeel 2022-59 uitgegeven.

Beoordeling

Het College stelt als feit vast dat tussen de vrouw en de dirigent veelvuldig seksuele handelingen van verschillende aard hebben plaatsgevonden. De vraag die het College vervolgens moet beoordelen is of het seksuele gedrag tot doel of gevolg had dat de vrouw in haar waardigheid is aangetast.

Is er een vermoeden van seksuele intimidatie?
Het is in de eerste plaats aan de vrouw om feiten aan te voeren die dit kunnen doen vermoeden. De vrouw slaagt erin om dat vermoeden te vestigen. Daarover overweegt het College dat de dirigent als artistiek leider van het orkest een machtspositie bekleedt, omdat hij degene is die in feite bepaalt wie wordt aangenomen en wie als solist zal optreden. Daardoor was de vrouw in overwegende mate van zijn beslissingen afhankelijk voor haar mogelijkheden om te voorzien in levensonderhoud. Uit e-mails die door de vrouw en de dirigent over en weer zijn gestuurd, blijkt dat de dirigent regelmatig bij de vrouw benadrukte hoeveel tijd, geld en energie hij in haar had geïnvesteerd en dat hij met regelmaat refereerde aan de rol die hij zou kunnen spelen bij (de ontwikkeling van) haar carrière.

Wordt het vermoeden weerlegd?
Het is aan stichting KCN om het vermoeden te weerleggen. De stichting heeft gesteld dat zij niet wist dat de vrouw enige mate van ongemak ervoer bij de seksuele contacten tussen haar en de dirigent. De vrouw maakte destijds in e-mails regelmatig opmerkingen als ‘ik mis je’ en ‘ik hou van je’, waaruit volgens de stichting ook wederkerigheid van de relatie blijkt. Op het moment dat de vrouw zich bij het bestuur meldde met het bestaan van de (seksuele) relatie tussen haar en de dirigent gaf de vrouw uitdrukkelijk aan geen nadere actie of onderzoek te verwachten. Het College is van oordeel dat dit onvoldoende bewijs is om het vermoeden van seksuele intimidatie te weerleggen. De uitingen van de vrouw als ‘ik mis je’ en ‘ik hou van je’ zijn geen overtuigend bewijs dat de seksuele contacten volledig vrij en wederzijds gewenst waren, gelet op de hoge mate waarin de vrouw afhankelijk was van (de macht van) de dirigent.

Kan de seksuele intimidatie aan de stichting worden toegerekend?
Omdat de dirigent een leidinggevende positie bekleedt, kan zijn seksueel intimiderende gedrag volgens vaste oordelenlijn van het College rechtstreeks worden toegerekend aan stichting KCN als werkgever van de vrouw.

Overwegingen ten overvloede
Het College maakt ook nog enkele overwegingen ten overvloede. De stichting heeft aangegeven sinds 2018 het beleid te hebben dat een-op-een contact zoveel mogelijk wordt voorkomen en zij heeft aansluiting gezocht bij een (externe) klachtenregeling. Het College vindt het echter belangrijk om te benadrukken dat de stichting zich eerder en actiever had moeten opstellen om situaties zoals die van de vrouw te voorkomen. Dit is onderdeel van haar zorgplicht om haar werknemers te beschermen tegen seksuele intimidatie. Iedere werknemer heeft een fundamenteel recht op een veilige werkomgeving, waarbij geen misbruik wordt gemaakt van machtsongelijkheid.

Oordeel

Stichting Klassieke Concerten Nederland heeft jegens de vrouw verboden onderscheid gemaakt op grond van geslacht.


Oordeel
2022-60

Datum: 2 juni 2022

Dossiernummer: 2020-0282

Oordeel in de zaak van

[. . . .]

wonende te [. . . .], verzoekster

tegen

Stichting Klassieke Concerten Nederland

gevestigd te Harderwijk, verweerster

1 Verzoek

Verzoekster vraagt het College om te beoordelen of verweerster verboden onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt doordat de dirigent en artistiek leider van het muziekgezelschap – dat door verweerster wordt geëxploiteerd – haar seksueel geïntimideerd heeft.

2 Verloop van de procedure

2.1 Het College heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • verzoekschrift van 19 juni 2020, ontvangen op 22 juni 2020;
  • e-mail van verzoekster van 30 juli 2020;
  • e-mail van verzoekster van 23 april 2021;
  • verweerschrift van 28 juni 2021, ontvangen op de volgende dag;
  • e-mail van verweerster van 17 september 2021.

2.2 Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2021. Op 30 september en 6 oktober 2021 heeft het College op verzoek van verzoekster vier informanten gehoord: [. . . .] (hierna: informant 1), [. . . .] (hierna: informant 2), [. . . .] (hierna: informant 3) en [. . . .] (hierna: informant 4). Deze verhoren zijn getranscribeerd. Het College heeft verweerster de transcripten toegestuurd en haar in de gelegenheid gesteld te reageren. Verweerster heeft op 1 februari 2022 schriftelijk gereageerd, waarop voornoemde informanten op 18 maart 2022 hebben gereageerd.

2.3 Het College heeft de zaak vervolgens ter zitting behandeld op 30 maart 2022. Partijen zijn verschenen. Verzoekster werd bijgestaan door J. Jager en mr. F.J. Resius, vertrouwenspersonen van MORES.online. Verweerster werd vertegenwoordigd door [. . . .], interim directeur, en bijgestaan door mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam.

2.4 Het College heeft de zaak ter zitting behandeld, tegelijkertijd met het verzoek van een andere verzoekster jegens dezelfde verweerster over een soortgelijke klacht. In die zaak heeft het College oordeel 2022-59 uitgebracht.

3 Feiten

3.1 Verzoekster is musicus (fluitist). In het najaar van 2013 start zij op freelancebasis bij het [. . . .] (hierna: het orkest). Dit orkest staat onder de artistieke leiding van [. . . .] (hierna: de dirigent) en het beheer is bij verweerster ondergebracht. Verweerster is een stichting die zich bezighoudt met het organiseren, financieren, promoten en op alle manieren geheel of gedeeltelijk faciliteren van de organisatie van concerten van klassieke muziek.

3.2 Gedurende haar dienstverband bij het orkest blijft verzoekster met regelmaat overnachten bij de dirigent thuis. Aldaar vinden tussen de dirigent en verzoekster veelvuldig seksuele handelingen van verschillende aard plaats. Medio 2015 brengt verzoekster verweerster op de hoogte van het bestaan van de seksuele contacten tussen haar en de dirigent. In de loop van 2016 eindigt verzoeksters dienstverband bij verweerster.

4 Standpunt verzoekster

Verzoekster stelt dat zij seksueel is geïntimideerd door de dirigent. Verweerster, haar werkgever, heeft daartegen niets – althans onvoldoende – gedaan. De dirigent is degene die feitelijk alle macht in handen heeft, omdat hij degene is die bepaalt wie wel of niet voor het orkest mag spelen. De dirigent bood haar veel (solo)concerten en een vast dienstverband aan. Zij gaf aanvankelijk bij de dirigent aan dat zij zich niet prettig voelde bij zijn avances jegens haar, maar dan volgde steeds een drama: dan vertelde hij haar dat ze geen concerten meer zou spelen en dan zou ze ‘niets’ zijn. Zij was bang dat zij haar inkomsten zou verliezen als zij ‘nee’ zei en zij had geen andere werkopties.

5 Standpunt verweerster

Verweerster stelt dat geen sprake is geweest van seksuele intimidatie in welke vorm dan ook. Het viel haar op dat verzoekster en de dirigent een diepgaande connectie hadden op muzikaal en filosofisch vlak. Echter, verzoekster heeft verweerster pas medio 2015 geïnformeerd over het bestaan van een (seksuele) relatie tussen haar en de dirigent. Verzoekster heeft toen uitdrukkelijk opgemerkt dat de relatie op dat moment reeds beëindigd was en dat zij van verweerster geen nadere actie verwachtte. Verweerster heeft op basis van de haar beschikbare informatie geconcludeerd dat sprake was van een gelijkwaardige relatie tussen volwassen mensen. Op geen enkel moment is haar gebleken dat bij verzoekster sprake zou zijn van enige vorm van onvrijwilligheid; verzoekster heeft bij het bestuur of de directie van verweerster ook nooit aangegeven enig probleem te hebben gehad met het bestaan van de seksuele relatie.

6 Beoordeling

6.1 Het is een werkgever verboden om onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen bij de arbeidsomstandigheden (artikel 7:646, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW)). Artikel 7:646 BW is van toepassing op werkgevers die een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht met een werknemer hebben gesloten. Artikel 1c Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB) bepaalt dat artikel 7:646 BW van overeenkomstige toepassing is op situaties waarin iemand arbeid verricht onder gezag van een natuurlijke persoon, rechtspersoon of het bevoegd gezag, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of een ambtelijke aanstelling. Verzoekster is op freelancebasis werkzaam geweest voor verweerster, een rechtspersoon, en heeft onder verweersters gezag arbeid verricht. Het College toetst het optreden van verweerster daarom aan artikel 7:646 BW.

6.2 Het verbod op direct onderscheid houdt mede in een verbod op seksuele intimidatie (artikel 7:646, zesde lid, BW). Onder seksuele intimidatie als in deze wet bedoeld wordt verstaan: enige vorm van verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag met een seksuele connotatie dat als doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast, in het bijzonder wanneer een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende situatie wordt gecreëerd (artikel 7:646, achtste lid, BW).

6.3 Het begrip ‘seksuele connotatie’ is in de wetgeving niet nader omschreven, omdat de wetgever de vraag wat wel of niet gezien kan worden als seksueel intimiderend gedrag zoveel mogelijk bedoelde te objectiveren. Het is volgens de wetgever niet de bedoeling om "in rechte te strijden over de innerlijke belevingswereld van de betrokkenen", dat wil zeggen de pleger en het slachtoffer (Kamerstukken II 2005/06, 30 237, nr. 6, p. 8). De Centrale Raad van Beroep heeft eerder geoordeeld dat het moet gaan om “gedrag dat een normaal weldenkend mens heeft kunnen beleven als seksueel van aard” (CRvB 15 mei 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AF9717, r.o. 3.2).

Heeft de dirigent verzoekster seksueel geïntimideerd?
6.4 Het College stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat tussen verzoekster en de dirigent veelvuldig expliciet seksuele handelingen van verschillende aard hebben plaatsgevonden. Daarmee is naar oordeel van het College in dit geval sprake geweest van verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag met een seksuele connotatie.

6.5 Verweerster stelt zich hoofdzakelijk op het standpunt dat de seksuele handelingen tussen verzoekster en de dirigent hebben plaatsgevonden binnen de context van een gelijkwaardige relatie tussen twee volwassenen waarbij sprake was van wederzijdse instemming. Het College begrijpt dit standpunt zo dat verweerster meent dat het seksuele gedrag niet tot doel of gevolg heeft gehad verzoeksters waardigheid aan te tasten. Het College overweegt daartoe als volgt.

6.6 Op grond van de in artikel 7:646, twaalfde lid, BW neergelegde bewijslastverdeling is het aan verzoekster om feiten aan te voeren die seksuele intimidatie kunnen doen vermoeden. Als zij daarin slaagt, is het vervolgens aan verweerster om te bewijzen dat niet in strijd met artikel 7:646 BW is gehandeld. Een en ander betekent in dit geval dat het College in de eerste plaats moet beoordelen of de door verzoekster aangedragen feiten voldoende zijn om het vermoeden te vestigen dat door de seksuele contacten tussen haar en de dirigent verzoeksters waardigheid is aangetast.

Voert verzoekster voldoende feiten aan om aantasting van haar waardigheid te doen vermoeden?
6.7 In dit verband acht het College in de eerste plaats relevant dat de seksuele contacten plaatsvonden in een periode waarin tussen verzoekster en de dirigent sprake was van een arbeidsrelatie met een ongelijke machtpositie. Deze machtsongelijkheid draagt bij aan bovenvermeld vermoeden. De dirigent bekleedt weliswaar geen directie- of bestuursfunctie bij verweerster, maar wordt door verweerster ingehuurd als artistiek leider van het orkest en bijbehorende koor. In die rol bepaalt de dirigent in feite wie wordt aangenomen als lid van het orkest en wie als solist optreedt. Bovendien is hij degene die bepaalt welke muziek wordt opgevoerd en op welke wijze dat gebeurt. Verzoekster stond derhalve in de betreffende periode onder het (artistieke) gezag van de dirigent en was beroepsmatig – en voor haar mogelijkheden om te voorzien in levensonderhoud voor haarzelf en haar kind – in overwegende mate afhankelijk van zijn beslissingen.

6.8 Verzoekster heeft verklaard dat zij vreesde voor verlies van haar werk en inkomen, in het bijzonder omdat zij op dat moment een pasgeboren kind had. Het College acht deze vrees niet onredelijk. Beide partijen hebben aan het College een serie e-mails overgelegd die deel uitmaken van een continue correspondentie over en weer tussen verzoekster en de dirigent. Hierin ziet het College terug dat de dirigent regelmatig bij verzoekster benadrukte hoeveel tijd, geld en energie hij in haar had geïnvesteerd. Hieruit leidt het College af dat de dirigent in de context van de seksuele contacten met verzoekster niet naliet te refereren aan de rol die hij speelde in haar professionele leven en zou kunnen spelen in de ontwikkeling van haar carrière. Het College constateert tevens dat de e-mails passages bevatten waarin de dirigent zich op dwingende wijze met zeer persoonlijke aangelegenheden van verzoekster bemoeit, zoals de financiële aangelegenheden van haar gezin, de wijze waarop zij haar kinderoppas regelde en het laten plaatsen van een spiraaltje als anticonceptiemiddel. Ook deze gegevens dragen naar het oordeel van het College bij aan het vermoeden dat verzoekster in haar waardigheid is aangetast.

6.9 Ten slotte constateert het College dat informant 1 en informant 2, die allebei in het verleden voor het orkest en bijbehorend koor hebben samengewerkt met de dirigent, in hun verklaring voor het College een patroon van gedrag van de dirigent hebben geschetst dat overeenkomt met het gedragspatroon zoals geschetst door verzoekster. Dat gedragspatroon ziet globaal op een afwisseling tussen uitbundig complimenteren en vervolgens afstoten en afkraken van de musicus in kwestie en het met regelmaat benadrukken hoeveel grote kansen hij de musicus bood. De informanten en verzoekster verklaren allen dat zij ‘geen energie’ meer kregen van de dirigent op het moment dat zij aangaven niet (langer) in seksuele gedragingen met hem betrokken te willen worden en dat hij zich dan wendde tot een ander voor het spelen van (solo)concerten. Het College stelt vast dat verweerster de exacte aard van de feiten waarover beide informanten hebben verklaard weliswaar heeft betwist, maar overweegt dat deze betwisting geen afbreuk doet aan het beeld van het gedragspatroon aan de zijde van de dirigent. Ook de verklaringen van deze informanten dragen derhalve bij aan het vermoeden, in die zin dat zij maken dat de verklaringen van verzoekster over het gedrag van dirigent en haar vrees voor haar positie binnen het orkest niet onaannemelijk zijn.

6.10 Een en ander brengt het College tot de conclusie dat er voldoende feiten zijn aangedragen om het vermoeden te vestigen dat de seksuele gedragingen van de dirigent jegens verzoekster haar in haar waardigheid hebben aangetast, of ten minste dat effect hebben gehad.

Slaagt verweerster erin om het vermoeden te weerleggen?
6.11 Verweerster stelt hier tegenover dat de door haar overgelegde e-mails juist blijk geven van de wederkerigheid en gelijkwaardigheid van de relatie. Verzoekster maakt in haar e-mails naar de dirigent herhaaldelijk en frequent opmerkingen als ‘ik mis je’ en ‘ik hou van je’. De bemoeienis van de dirigent met de zeer persoonlijke en intieme aangelegenheden van verzoekster vloeide nu juist voort uit het bestaan van de affectieve en seksuele relatie tussen de dirigent en verzoekster, aldus verweerster. Die relatie stond als zodanig geheel los van hun werkrelatie, maar oefende daarop wel enige invloed uit, al was het maar omdat de toenmalige partner van verzoekster ook in het orkest speelde en niet op de hoogte was van de seksuele contacten tussen verzoekster en de dirigent.

6.12 Verweerster heeft daarnaast verklaard dat haar bestuur en directie niet wisten dat verzoekster enige mate van ongemak ervoer bij de seksuele contacten die plaatsvonden tussen haar en de dirigent. Verweerster stelt dat haar directie wel vermoedde dat er een zeer diepgaande relatie tussen verzoekster en de dirigent bestond en dat de directie zich op enig moment heeft afgevraagd hoe de partners van beiden hier tegenover stonden, maar dat zij geenszins wist of kon vermoeden dat sprake was van enige mate van ongemak of onvrijwilligheid aan de zijde van verzoekster. Verweerster stelt dat haar niet kan worden verweten dat zij verzoekster geen bescherming tegen seksuele intimidatie heeft geboden. Toen verzoekster verweerster medio 2015 op de hoogte bracht van het bestaan van de seksuele contacten tussen haar en de dirigent, heeft verzoekster juist gezegd dat zij geen nadere actie of onderzoek van verweerster verwachtte, aldus verweerster.

6.13 Het College overweegt dat de door verweerster aangedragen feiten en argumenten onvoldoende zijn om het vermoeden van seksuele intimidatie te weerleggen. Hoewel het College constateert dat de tekst van de e-mails tussen verzoekster en de dirigent inderdaad passages bevatten die kunnen worden uitgelegd als uitingen van liefde van verzoekster jegens de dirigent, ziet het College deze niet als een overtuigend bewijs dat de seksuele contacten tussen verzoekster en de dirigent volledig vrij en wederzijds gewenst waren. Soortgelijke bewoordingen werden immers ook gebruikt in een situatie waarin verzoekster in hoge mate afhankelijk was van beslissingen van de dirigent en zich genoodzaakt zag hem tevreden te houden.

6.14 Daarnaast overweegt het College dat het gegeven dat bestuur en directie van verweerster niet op de hoogte waren van de seksuele contacten tussen verzoekster en de dirigent en door verzoekster nooit zijn gevraagd om in te grijpen weliswaar relevant is voor de vraag of het bestuur en of de directie persoonlijk iets te verwijten valt, maar los staat van de vraag of verweerster als rechtspersoon en werkgever aangesproken kan worden onder het gelijkebehandelingsrecht.

Kan de seksuele intimidatie verweerster worden aangerekend?
6.15 Vaste oordelenlijn van het College is dat het gedrag of de handelwijze van een medewerker die namens de werkgever gezag uitoefent rechtstreeks valt toe te rekenen aan de werkgever zelf. Van een medewerker in een gezaghebbende positie mag worden verwacht dat deze zich bewust is van de bijzondere positie die hij bekleedt ten opzicht van anderen (vgl. College voor de Rechten van de Mens 28 februari 2022, 2022-15, overweging 4.1 en 4.9; vgl. Kamerstukken II 2002/03, 28 770, nr. 5, p. 28).

6.16 Onder 6.7 heeft het College reeds vastgesteld dat de dirigent bij verweerster in dienst is als artistiek leider van het orkest en bijbehorende koor. In die rol bepaalt de dirigent in feite (onder meer) wie wordt aangenomen en wie als solist optreedt. De invloed van de dirigent op de samenstelling van het orkest en de door het orkest opgevoerde muziek is zodanig zwaarwegend dat het College niet anders kan dan concluderen dat de dirigent jegens de musici een leidinggevende positie bekleedt. Het College is, gelet op de aard van de functie van de dirigent, dan ook van oordeel dat het seksueel intimiderende gedrag van de dirigent jegens verzoekster alleen al om die reden rechtstreeks valt toe te rekenen aan verweerster. Het gegeven dat de dirigent volgens verweerster zelf ook steeds op projectbasis wordt ingehuurd als zzp-er en dus niet in vaste dienst is bij verweerster doet hier niet aan af. Verweerster heeft daarom jegens verzoekster direct onderscheid op grond van geslacht gemaakt.

6.17 Direct onderscheid is verboden, tenzij een in de wet geëxpliceerde wettelijke uitzondering van toepassing is. In het geval van seksuele intimidatie kan een dergelijke uitzondering niet van toepassing zijn (artikel 7:646, dertiende lid, BW). Het College oordeelt dat verweerster jegens verzoekster verboden onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt doordat verzoekster seksueel geïntimideerd is door de dirigent.

Overwegingen ten overvloede
6.18 Ten overvloede merkt het College nog het volgende op met betrekking tot de zorgplicht van verweerster om personen als verzoekster te beschermen tegen seksuele intimidatie. Het College heeft met instemming kennisgenomen van de maatregelen die verweerster vanaf 2018 heeft getroffen. Zij heeft een onderzoek laten uitvoeren over (seksueel) grensoverschrijdend gedrag binnen haar organisatie en het door haar geëxploiteerde muziekgezelschap. Tevens heeft zij beleid ingevoerd dat één-op-één contacten zoveel mogelijk beperkt worden en heeft zij aansluiting gezocht bij een (externe) klachtencommissie. Deze maatregelen dragen naar oordeel van het College in belangrijke mate bij aan het waarborgen van het fundamentele recht dat alle werknemers hebben op een veilige werkomgeving, waarbij geen misbruik wordt gemaakt van machtsongelijkheid.

6.19 Gelet op al de voorgaande overwegingen hecht het College er evenwel aan te benadrukken dat verweerster zich eerder en actiever had moeten opstellen om situaties zoals die van verzoekster, waarin een werknemer zich gedwongen voelde om seksuele handelingen te verrichten opdat zij niet haar werk en inkomsten zou verliezen, te voorkomen of in ieder geval te beperken. Het enkele feit dat iemand die bij verweerster in dienst is en die bovendien een positie bekleedt met een dusdanig grote mate van macht en invloed over andere werknemers, een geestelijk of lichamelijk intieme relatie aangaat met een werknemer over wie hij macht en invloed heeft, zou voor verweerster al voldoende aanleiding moeten zijn (geweest) om een onderzoek in te stellen. Verweerster heeft verklaard dat zij voor de bekentenis of melding van verzoekster medio 2015 al vermoedens had van het bestaan van een dergelijk intieme relatie tussen verzoekster en de dirigent. Het had op haar weg gelegen actief het gesprek met beiden aan te gaan, om via die weg te verifiëren dat de relatie ook inderdaad met wederzijdse toestemming bestond. In plaats daarvan heeft verweerster feiten en omstandigheden aangenomen en ingevuld. Daarmee heeft zij haar plicht onder de gelijkebehandelingswetgeving om haar medewerkers te beschermen tegen seksuele intimidatie verzaakt.

6.20 Het voorgaande kan verweerster naar oordeel van het College bijzonder zwaar worden aangerekend, nu informant 2 een geluidsopname heeft overgelegd waarin zij reeds in 2012 melding maakte van het door haar ervaren seksueel grensoverschrijdend gedrag van de dirigent. In dit gesprek spreekt informant 2 met de (inmiddels) interim directeur en haar moeder, onder wiens leiding de onderneming destijds werd gedreven. Informant 2 geeft met zoveel woorden en concrete voorbeelden aan wat haar ervaring is met de dirigent. Daarop reageren de interim directeur en haar moeder direct met de mededeling dat dan sprake is van een wederzijdse vertrouwensbreuk en dat ‘het’ (het College begrijpt: het dienstverband) dan ophoudt. Het College maakt daaruit op dat verweerster bij kennis en wetenschap van de (inmiddels) interim directeur wist dat in het verleden meldingen waren gemaakt over (ervaren) seksueel grensoverschrijdend gedrag van de dirigent jegens musici. Het College overweegt dat verweerster daarom des te meer reden had om zeer alert te zijn op het bestaan van intieme relaties tussen de dirigent en (vrouwelijke) musici.

6.21 Ten slotte overweegt het College dat het feit dat de relatie tussen verzoekster en de dirigent enkele jaren heeft voortbestaan verzoekster niet tegengeworpen kan worden. Het is immers bekend dat slachtoffers van seksueel grensoverschrijdend gedrag om een verscheidenheid aan redenen niet altijd direct melding durven maken van hetgeen hen is overkomen. Mede gelet op de machtspositie van de dirigent ten opzichte van de musici, waaronder verzoekster, acht het College verzoeksters vrees voor de negatieve gevolgen van afwijzing van zijn gedrag niet onvoorstelbaar. Daardoor is het ook niet onaannemelijk dat verzoekster zich bewust dan wel onbewust gedwongen voelde om in het gedrag mee te gaan.

7 Oordeel

Stichting Klassieke Concerten Nederland heeft verboden onderscheid gemaakt jegens [. . . .] op grond van geslacht.

Aldus gegeven te Utrecht op 2 juni 2022 door mr. dr. J.P. Loof, voorzitter, mr. dr. A. Eleveld en mr. drs. H.A.G. Nijman, leden van het College voor de Rechten van de Mens, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Ingeveld, secretaris.





mr. dr. J.P. Loof

mr. A.J. Ingeveld

Samenvatting oordeel