Onderwijsstichting Movare discrimineerde een leerling niet vanwege (vermeend) autisme door hem anders te behandelen dan de andere kinderen in zijn klas, bij de zorg voor een discriminatievrije schoolomgeving en door een toelaatbaarheidsverklaring voor het speciaal onderwijs aan te vragen.

Onderwijsstichting Movare discrimineerde een leerling niet vanwege (vermeend) autisme door hem anders te behandelen dan de andere kinderen in zijn klas, bij de zorg voor een discriminatievrije schoolomgeving en door een toelaatbaarheidsverklaring voor het speciaal onderwijs aan te vragen.

Oordeelnummer 2022-62
Datum: 03-06-2022
Trefwoord: Aanbieden goederen en diensten Handicap of chronische ziekte Doeltreffende aanpassing Onderwijs Bejegening Aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen en diensten Handicap Primair onderwijs
Discriminatiegrond: Handicap of chronische ziekte
Terrein: Goederen en diensten - Onderwijs
Regelingen: Artikel 2 WGBH/CZ Artikel 5b WGBH/CZ Wet gelijke behandeling handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ) Artikel 10 lid 1 WGBH/CZ

Situatie

Een vrouw heeft een zoon van acht jaar oud. De jongen heeft onderwijs gevolgd op een openbare basisschool (OBS), die onder de verantwoordelijkheid van Onderwijsstichting Movare (hierna: Movare) valt. De OBS heeft na enige tijd bij het Samenwerkingsverband een toelaatbaarheidsverklaring voor het speciaal onderwijs voor hem aangevraagd. In een Samenwerkingsverband werken scholen voor regulier basisonderwijs en speciaal basisonderwijs samen met als doel het bieden van passend onderwijs. Movare heeft de verklaring aangevraagd omdat dat de school niet in staat was de jongen vanwege zijn houding en gedrag passend onderwijs aan te bieden. Het Samenwerkingsverband heeft een toelaatbaarheidsverklaring afgegeven, waarbij de jongen is verwezen naar het speciaal basisonderwijs (SBO). Hij is aangemeld bij een school voor SBO die ook onder de verantwoordelijkheid van Movare valt. Deze school heeft na twee jaar een aanvraag ingediend bij het Samenwerkingsverband voor de toelaatbaarheid van de jongen tot het speciaal onderwijs (SO), omdat ook zij van mening was dat zij het onderwijs dat hij nodig had, niet kon bieden. De vrouw is het niet met Movare eens en heeft haar zoon vervolgens ingeschreven op een reguliere school voor basisonderwijs. De school voor SBO heeft daarop de aanvraag van een toelaatbaarheidsverklaring ingetrokken.

De vrouw vindt dat Movare haar zoon heeft gediscrimineerd vanwege een vermeende handicap door hem aan te merken en te behandelen als een kind met autisme, terwijl hij geen autisme heeft. Ook heeft Movare haar zoon gediscrimineerd vanwege vermeend autisme omdat een leerkracht hem discriminatoir heeft bejegenend en door onvoldoende te zorgen voor een discriminatievrije schoolomgeving. Daarnaast vindt de vrouw dat Movare haar zoon heeft gediscrimineerd door hem te verwijzen naar het speciaal onderwijs, door tekort te schieten bij het aanbieden van passend onderwijs en door hem geen fysiotherapie, logopedie en ergotherapie aan te bieden.

Movare is het niet met de vrouw eens. Zij stelt dat zij er nooit van uit is gegaan dat haar zoon autisme heeft en dat hij dan ook niet vanwege deze reden soms anders is behandeld dan de andere kinderen in zijn klas. De reden hiervoor was dat er problemen waren met zijn gedrag, zijn houding en zijn schoolresultaten. Movare is het niet met de vrouw eens dat haar zoon discriminatoir is bejegend door een leerkracht. Ook heeft de vrouw hierover nooit een klacht ingediend. Movare betwist dat zij de zoon heeft gediscrimineerd door hem door te verwijzen naar het speciaal onderwijs en bij het verrichten van doeltreffende aanpassingen.

Beoordeling

Een onderwijsinstelling mag geen onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte maken bij het aanbieden van diensten.

Op grond van de bewijslastverdeling is het aan de vrouw om feiten aan te voeren die onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte jegens haar zoon kunnen doen vermoeden. Als zij hierin slaagt, moet Movare bewijzen dat zij de zoon niet heeft gediscrimineerd.

Het College stelt vast dat de vrouw en Movare het erover eens zijn dat de jongen soms anders is behandeld dan de andere kinderen in zijn klas. Zo werd hij soms apart gezet van de andere kinderen en mocht hij niet altijd meedoen met de buitenschoolse activiteiten. Volgens de vrouw was dit omdat Movare er ten onrechte van uitging dat haar zoon autisme heeft. Volgens Movare was de enige reden dat hij erg gevoelig was voor prikkels en daardoor gebaat was bij een rustige onderwijsomgeving. Het College is van oordeel dat de vrouw geen feiten heeft aangevoerd die kunnen doen vermoeden dat haar zoon anders is behandeld dan de andere kinderen vanwege vermeend autisme.

Ook stelt het College vast dat de vrouw haar standpunt, dat haar zoon in de klas discriminatoir is bejegend door een leerkracht, niet heeft onderbouwd met feiten waaruit dit blijkt. Daarnaast staat vast dat de vrouw hierover niet heeft geklaagd bij de OBS of bij Movare. Het College is daarom van oordeel dat de vrouw er niet in is geslaagd om feiten aan te voeren die kunnen doen vermoeden dat Movare onvoldoende heeft gezorgd voor een discriminatievrije schoolomgeving.

Het College stelt vast dat de vrouw en Movare van mening verschillen over de vraag wat de reden was om een toelaatheidsverklaring voor het speciaal onderwijs voor de jongen aan te vragen. Volgens de vrouw was de reden dat Movare er ten onrechte van uitging dat haar zoon autisme heeft. Volgens Movare was de reden dat de scholen niet in staat waren haar zoon vanwege zijn houding en gedrag passend onderwijs aan te bieden. Het College is van oordeel dat de vrouw geen gegevens heeft aangedragen waaruit blijkt dat Movare een toelaatbaarheidsverklaring heeft aangevraagd omdat Movare er ten onrechte van uit is gegaan dat haar zoon autisme heeft. De vrouw is er dan ook niet in geslaagd om feiten aan te voeren die onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte kunnen doen vermoeden.

Het College is niet bevoegd om te beoordelen of Movare tekort is geschoten in haar verplichting om de jongen passend onderwijs aan te bieden. Het College kan wel nagaan of Movare verboden onderscheid heeft gemaakt door onvoldoende doeltreffende aanpassingen te verrichten. De vrouw heeft aangevoerd dat haar zoon geen handicap of chronische ziekte heeft. Daarmee staat vast dat aan de gevraagde fysiotherapie, logopedie en ergotherapie geen handicap of chronische ziekte ten grondslag ligt. Het College is daarom ook niet bevoegd om te beoordelen of Movare verboden onderscheid heeft gemaakt door onvoldoende doeltreffende aanpassingen te verrichten.

Oordeel

Onderwijsstichting Movare heeft jegens de zoon van de vrouw geen verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte gemaakt.

Het College is niet bevoegd om te beoordelen of Onderwijsstichting Movare jegens de zoon van de vrouw verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte heeft gemaakt bij het verrichten van een doeltreffende aanpassing.


Oordeel
2022-62
 

Datum: 3 juni 2022
Dossiernummer: 2021-0441
 


Oordeel in de zaak van

[. . . .]
wonende te [. . . .], verzoekster

tegen

Onderwijsstichting MOVARE
gevestigd te Landgraaf, verweerster
 

1            Verzoek

Verzoekster vraagt het College om te beoordelen of verweerster jegens haar zoon verboden onderscheid op grond van vermeende handicap of chronische ziekte heeft gemaakt bij het aanbieden van onderwijs door:

  • hem aan te merken en te behandelen als een kind met autisme;
  • onvoldoende zorg te dragen voor een discriminatievrije schoolomgeving;
  • hem door te verwijzen naar het speciaal onderwijs;
  • tekort te schieten bij het aanbieden van passend onderwijs.
     

2            Verloop van de procedure

2.1         Het College heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • verzoekschrift van 15 juli 2021, ontvangen op dezelfde datum;
  • e-mail van verzoekster van 7 september 2021;
  • verweerschrift van 14 maart 2022;
  • e-mail van verzoekster van 22 maart 2022.

2.2         Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 april 2022. Partijen zijn verschenen. Verweerster werd vertegenwoordigd door [. . . .], juridisch beleidsadviseur, die werd vergezeld door [. . . .], locatieleider SBO Arcadia te Kerkrade.
 

3            Feiten

3.1         Verzoekster heeft een zoon (hierna: de zoon) die ten tijde van het indienen van het verzoek om een oordeel zeven jaar oud was. Hij heeft tot eind 2018 onderwijs gevolgd op de Openbare Basisschool (OBS) De Schatkist, die onder de verantwoordelijkheid van verweerster valt. Deze school heeft eind 2018 bij het Samenwerkingsverband Passend Primair Onderwijs Parkstad (hierna: het Samenwerkingsverband) een toelaatbaarheidsverklaring voor het speciaal onderwijs voor hem aangevraagd. Het Samenwerkingsverband heeft op 22 maart 2019 een toelaatbaarheidsverklaring voor de zoon afgegeven voor de periode van 22 maart 2019 tot 31 juli 2021, waarbij hij is verwezen naar het speciaal basisonderwijs (SBO). Hij is met ingang van 22 maart 2019 aangemeld bij SBO Arcadia, een school die ook onder de verantwoordelijkheid van verweerster valt.

3.2         De zoon heeft vanaf 22 maart 2019 tot en met 31 augustus 2021 primair onderwijs gevolgd bij SBO Arcadia. SBO Arcadia heeft in maart 2019 een ontwikkelingsperspectief voor hem opgesteld, dat vervolgens is bijgesteld. In augustus 2020 heeft het Bureau Care4Kidz, een zorgorganisatie voor kinderen met psychische of psychiatrische problemen, onderzoek gedaan naar de zoon in verband met het vermoeden van een trauma en/of hechtingsproblematiek en/of autisme. De conclusie van dat onderzoek was dat eerst de thuissituatie bij beide ouders veilig, duidelijk en overzichtelijk moest zijn, voordat met succes aan de therapie kon worden begonnen. Deze therapie zou betrekking hebben op de omgang met anderen en op emotieregulatie.

3.3         SBO Arcadia heeft in mei 2021 een aanvraag ingediend bij het Samenwerkingsverband voor de toelaatbaarheid van de zoon tot het Speciaal Onderwijs (SO), omdat zij van mening was dat zij hem het onderwijs dat hij nodig had, niet kon bieden. De directeur van het Samenwerkingsverband heeft verzoekster en haar ex-partner op 29 juli 2021 bericht dat zij het voornemen had de aanvraag van toelaatbaarheid tot het SO goed te keuren. Verzoekster heeft haar zoon in september 2021 ingeschreven op een reguliere school voor basisonderwijs in België. Naar aanleiding daarvan heeft SBO Arcadia de aanvraag van een toelaatbaarheidsverklaring ingetrokken.

3.4         Verzoekster heeft op 18 juli 2021 een geschil voorgelegd aan de Geschillencommissie passend onderwijs (GPO) over de bijstelling van het ontwikkelingsperspectief voor haar zoon en de voorgenomen verwijdering van SBO Arcadia. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de school haar zoon geen passend onderwijs heeft geboden en tekort is geschoten in de ondersteuning. De GPO heeft het geschil op 14 oktober 2021 niet ontvankelijk verklaard. Hiertoe heeft de GPO overwogen dat verzoekster geen belang meer had bij de inhoudelijke beoordeling van het geschil, omdat haar zoon was ingeschreven op een school in België en terugkeer naar een school in Nederland niet werd beoogd.

3.5         Verzoekster heeft op 20 november 2021 bij de Landelijke Klachtencommissie Onderwijs (LKC) een klacht ingediend tegen SBO Arcadia. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de school haar zoon geen passend onderwijs heeft aangeboden en tekort is geschoten in zijn begeleiding en ondersteuning. De LKC heeft in haar uitspraak van 22 februari 2022 geconcludeerd dat de klacht over de begeleiding en het bieden van passend onderwijs aan de zoon ongegrond is.

3.6         De zoon staat sinds begin januari 2022 ingeschreven bij een school voor regulier basisonderwijs in Nederland.

 

4            Verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte door de zoon aan te merken en te behandelen als kind met autisme en bij de zorg voor een discriminatievrije schoolomgeving?

Standpunt verzoekster 
4.1         Verzoekster stelt dat verweerster jegens haar zoon verboden onderscheid op grond van vermeende handicap of chronische ziekte heeft gemaakt bij het aanbieden van onderwijs door hem aan te merken en te behandelen als een kind met autisme, terwijl hij geen autisme heeft. Hiertoe voert zij aan dat haar zoon anders is behandeld dan de andere kinderen in zijn klas. Zo moest hij in de klas regelmatig afgezonderd van de andere kinderen gaan zitten en mocht hij niet mee met buitenschoolse activiteiten, zoals de speeltuin. Verder mocht haar zoon na de overplaatsing naar SBO Arcadia de eerste maanden alleen halve dagen naar school. Hierdoor heeft hij een leerachterstand opgelopen, terwijl hij eerder nooit leerproblemen heeft gehad. Volgens verzoekster heeft deze andere behandeling van haar zoon te maken met het feit dat verweerster er (ten onrechte) van uit is gegaan dat haar zoon autisme heeft. Hiertoe voert zij aan dat de directrice van de OBS De Schatkist tegen haar heeft gezegd dat zij vermoedde dat haar zoon autisme heeft. Ook heeft de directrice gezegd dat zij zelf een zoon met autisme heeft en dat zij trekjes en signalen hiervan bij de zoon van verzoekster herkende.

4.2         Daarnaast voert verzoekster aan dat een leerkracht van OBS De Schatkist haar zoon discriminatoir heeft bejegend vanwege zijn vermeende handicap door tegen hem te schreeuwen en hem fysiek pijn te doen door hem hardhandig in zijn gezicht vast te pakken. Zij is hier vorig jaar pas achter gekomen bij een toevallige ontmoeting met een stagiaire en heeft een interne begeleider van de school hierover geïnformeerd. Hierdoor was verweerster na deze melding door de moeder ervan op de hoogte dat haar zoon discriminatoir was bejegend. Verweerster heeft naar aanleiding hiervan echter geen stappen ondernomen, waardoor zij niet heeft voldaan aan de verplichting om te zorgen voor een discriminatievrije schoolomgeving. Verzoekster heeft desgevraagd ter zitting meegedeeld dat zij geen klacht over de discriminatoire bejegening van haar zoon heeft ingediend bij de directrice van de school of bij verweerster.

Standpunt verweerster
4.3         Verweerster betwist dat zij jegens de zoon van verzoekster verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte heeft gemaakt. Hiertoe voert zij aan dat OBS De Schatkist en SBO Arcadia er nooit van uit zijn gegaan dat hij autisme heeft. Deze scholen hebben hem dan ook niet vanwege deze reden anders behandeld dan de andere kinderen in zijn klas. Vanaf het moment dat de zoon op OBS De Schatkist is gekomen, waren er problemen met zijn gedrag, zijn houding en zijn schoolresultaten. Deze problemen waren de reden om hem soms anders te behandelen dan de andere kinderen. Ook voert verweerster aan dat er sprake was van een onrustige thuissituatie toen de zoon op SBO Arcadia kwam. Hij was overbelast waardoor SBO Arcadia heeft besloten hem alleen tot 12.00 uur onderwijs te laten volgen. Dit heeft echter niets te maken met vermeend autisme.

4.4         Verweerster betwist dat zij onvoldoende zorg heeft gedragen voor een discriminatievrije schoolomgeving. Zij betwist dat de zoon discriminatoir is bejegend door een leerkracht. Ook is er nooit een melding of een klacht over discriminatoire bejegening van de zoon door medewerkers van de school bij de directrice van OBS De Schatkist of verweerster terecht gekomen. Als er wel een formele klacht zou zijn ingediend, was deze zeker onderzocht.

Beoordeling 
4.5         Een onderwijsinstelling mag geen onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte maken bij het aanbieden van diensten en bij het sluiten, uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten ter zake (artikel 5b, eerste lid, Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ)). Verweerster is een instelling die onderwijsdiensten aanbiedt. Haar handelen valt daarmee onder het bereik van deze bepaling.

4.6         Het verbod om onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte te maken bij het aanbieden van of het verlenen van toegang tot diensten houdt ook de verplichting in om te zorgen voor een discriminatievrije onderwijsomgeving. Dit heeft tot gevolg dat een onderwijsinstelling als verweerster erop moet toezien dat medewerkers zich onthouden van discriminatie, waaronder discriminatoire bejegening. Als discriminatie zich toch voordoet en de onderwijsinstelling is hiervan op de hoogte, dan moet zij daartegen adequate maatregelen nemen. Discriminatoire bejegening van een leerling door een leerkracht kan rechtstreeks aan verweerster worden toegerekend.

4.7         De bewijslastverdeling is als volgt: het is aan verzoekster om feiten aan te voeren die onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte kunnen doen vermoeden. Als zij hierin slaagt, ligt het op de weg van verweerster om te bewijzen dat zij niet in strijd met de WGBH/CZ heeft gehandeld (artikel 10, eerste lid, WGBH/CZ).

Handicap of chronische ziekte
4.8         Verzoekster stelt dat verweerster haar zoon heeft aangemerkt en behandeld als een kind met autisme, terwijl hij geen autisme heeft. Het College overweegt dat uit het door verzoekster overgelegde rapport van Care4Kidz niet kan worden afgeleid dat de zoon autisme heeft. Het is vaste oordelenlijn van het College dat autisme een handicap is als bedoeld in de WGBH/CZ. Het is eveneens vaste oordelenlijn dat een andere behandeling omdat iemand een handicap wordt toegeschreven die hij niet heeft, ook binnen de reikwijdte van de wet valt. Verzoekster kan dan ook voor haar zoon een beroep doen op de bescherming die de WGBH/CZ biedt.

Verboden onderscheid door de zoon te behandelen als een kind met autisme?
4.9         Het College stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de zoon van verzoekster in sommige opzichten anders is behandeld dan de andere kinderen in zijn klas. Zo werd hij soms apart gezet van de andere kinderen, mocht hij niet altijd meedoen met de buitenschoolse activiteiten en mocht hij op SBO Arcadia aanvankelijk alleen tot 12.00 uur onderwijs volgen. Partijen verschillen wel van mening over wat de reden hiervoor was. Volgens verzoekster was dit omdat verweerster ervan uitging dat haar zoon autisme heeft. Verweerster heeft deze stelling van verzoekster echter gemotiveerd betwist en gesteld dat het alleen te maken had met zijn gedrag. Hij was erg gevoelig voor prikkels en daardoor gebaat bij een rustige onderwijsomgeving. Ook was hij overbelast toen hij op SBO Arcadia kwam, zodat vanwege die reden is besloten hem in eerste instantie tot 12.00 uur onderwijs te laten volgen. Er is nooit door de betrokken leerkrachten of Care4Kidz de conclusie getrokken dat er sprake zou zijn van autisme. In het licht van deze gemotiveerde betwisting door verweerster dat sprake zou zijn van maatregelen ingegeven door het vermeend autisme van de zoon, ligt het op de weg van verzoekster om haar stelling nader te onderbouwen. Verzoekster heeft hiertoe gewezen op het gesprek met de directrice van OBS De Schatkist, die tegen haar heeft gezegd dat zij vermoedde dat haar zoon autisme heeft omdat zijn gedrag in sommige opzichten hetzelfde was als dat van haar eigen kind, dat autisme heeft. Het College overweegt dat uit deze mededeling van de directrice niet meer blijkt dan dat zij vermoedde dat de zoon autisme heeft. Uit deze mededeling van de directrice blijkt echter niet dat de zoon vanwege een vermoeden van autisme anders is behandeld. Deze mededeling van de directrice kan dan ook de stelling van verzoekster niet onderbouwen dat verweerster haar zoon anders heeft behandeld dan de andere kinderen in zijn klas vanwege vermeend autisme. Verzoekster heeft ook geen andere gegevens aangedragen die haar stelling kunnen onderbouwen. Verzoekster is er dan ook niet in geslaagd om feiten aan te voeren die onderscheid op grond van vermeende handicap kunnen doen vermoeden bij de behandeling van haar zoon op de scholen.

Verboden onderscheid bij de zorg voor een discriminatievrije schoolomgeving?

4.10      Het College overweegt dat verweerster de stellingen van verzoekster dat haar zoon discriminatoir is bejegend door een leerkracht en dat verweerster via de interne begeleider wist dat haar zoon discriminatoir is bejegend, maar daartegen niets heeft ondernomen, gemotiveerd heeft betwist. Volgens verweerster is deze informatie nooit bij haar of bij de directrice van OBS De Schatkist terecht gekomen. Het College overweegt dat discriminatoire bejegening door een leerkracht van een leerling rechtstreeks aan verweerster kan worden toegerekend. Partijen verschillen echter van mening of er sprake is geweest van discriminatoire bejegening. Het is dan aan verzoekster om haar stelling nader te onderbouwen, bijvoorbeeld met een verklaring van de stagiaire dat zij de discriminatoire bejegening heeft waargenomen. Hieraan heeft verzoekster echter niet voldaan. Partijen verschillen ook van mening of de door verzoekster gestelde discriminatoire bejegening verweerster via de interne begeleider heeft bereikt. Verzoekster heeft haar stelling echter niet nader onderbouwd met bijvoorbeeld een verklaring van de interne begeleider, waaruit blijkt dat deze de directrice van de school of verweerster heeft geïnformeerd over de gestelde discriminatoire bejegening van haar zoon. Ook staat vast dat verzoekster geen klacht heeft ingediend over de discriminatoire bejegening bij de schoolleiding of bij verweerster. Verzoekster is er dan ook niet in geslaagd om een feit aan te voeren waaruit blijkt dat verweerster op dit punt onvoldoende zorg zou hebben gedragen voor een discriminatievrije schoolomgeving.

4.11      Het College concludeert dat verweerster jegens de zoon van verzoekster geen verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte heeft gemaakt bij de manier waarop hij is behandeld in de klas en bij de verplichting om zorg te dragen voor een discriminatievrije schoolomgeving.

 

5            Verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte door de zoon door te verwijzen naar het speciaal onderwijs?

Standpunt verzoekster
5.1         Verzoekster stelt dat verweerster jegens haar zoon verboden onderscheid op grond van vermeende handicap of chronische ziekte heeft gemaakt door hem door te verwijzen naar het speciaal onderwijs. Hiertoe voert zij aan dat er geen medische redenen waren om hem door te verwijzen naar het speciaal onderwijs. Uit het onderzoek van Care4Kidz is gebleken dat haar zoon een normaal kind is, met een normale intelligentie en dat hij geen autisme heeft.

Standpunt verweerster 
5.2         Verweerster betwist dat zij onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte heeft gemaakt door de zoon door te verwijzen naar het speciaal onderwijs. Hiertoe voert zij aan dat OBS De Schatkist de zoon heeft doorverwezen naar het speciaal onderwijs omdat zijn houding en gedrag zodanig waren dat deze school niet meer in staat was hem passend onderwijs aan te bieden. Er hebben geen (vermeende) medische redenen aan deze doorverwijzing ten grondslag gelegen. Ook voert verweerster aan dat de zoon vanaf het moment dat hij op SBO Arcadia zat, een-op-een-begeleiding nodig had. SBO Arcadia kan hierin alleen tijdelijk voorzien, waardoor ook deze school niet in staat was om hem passend onderwijs aan te bieden. Daarom heeft deze school in mei 2021 een toelaatbaarheidsverklaring voor hem aangevraagd. Ook aan deze aanvraag hebben geen (vermeende) medische redenen ten grondslag gelegen.

Beoordeling 
5.3         Een onderwijsinstelling mag geen onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte maken bij het aanbieden van diensten. Hieronder valt ook het aanvragen van een toelaatbaarheidsverklaring voor het speciaal onderwijs. De bewijslastverdeling als vermeld in 4.7 is van toepassing.

5.4         Het College stelt vast dat partijen van mening verschillen over de reden van de doorverwijzing van de zoon van verzoekster naar het speciaal onderwijs. Volgens verzoekster was de reden dat verweerster er (ten onrechte) van uitging dat haar zoon autisme heeft. Volgens verweerster was de reden dat zowel OBS De Schatkist als SBO Arcadia niet in staat was om de zoon vanwege zijn houding en gedrag passend onderwijs aan te bieden. Het vermeende autisme van de zoon had hier niets mee te maken, aldus verweerster. Het College overweegt dat verzoekster haar stelling, die verweerster gemotiveerd heeft betwist, niet heeft onderbouwd met gegevens waaruit blijkt dat verweerster haar zoon heeft doorverwezen naar het speciaal onderwijs vanwege het vermoeden van autisme. Ook overweegt het College dat verzoekster er ten onrechte van uitgaat dat aan een doorverwijzing naar het speciaal onderwijs altijd een medische aandoening ten grondslag moet liggen. Ook de houding en het gedrag van een kind kunnen de aanleiding zijn om door te verwijzen naar het speciaal onderwijs als een school daardoor niet meer in staat is passend onderwijs aan te bieden. Hiervan was in de situatie van de zoon van verzoekster sprake, zo blijkt uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting onweersproken is komen vast te staan. Verzoekster is er dan ook niet in geslaagd om een feit aan te voeren dat onderscheid op grond van vermeende handicap of chronische ziekte kan doen vermoeden bij de doorverwijzing van haar zoon naar het speciaal onderwijs.

5.5         Het College concludeert dat verweerster jegens de zoon geen verboden onderscheid op grond van vermeende handicap of chronische ziekte heeft gemaakt door hem door te verwijzen naar het speciaal onderwijs.


6            Verboden onderscheid bij het aanbieden van passend onderwijs?

Standpunt verzoekster
6.1         Verzoekster stelt dat verweerster jegens haar zoon verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte heeft gemaakt door tekort te schieten in haar verplichting om passend onderwijs aan te bieden. Zo is de fysiotherapie, logopedie en ergotherapie die hij op de OBS De Schatkist kreeg, bij SBO Arcadia gestopt en deze school heeft dit nooit meer opgepakt.             

Standpunt verweerster 
6.2         Verweerster stelt dat verzoekster in het verzoekschrift op geen enkele wijze heeft onderbouwd of met bewijzen heeft gestaafd dat haar zoon zou zijn gediscrimineerd bij het aanbieden van passend onderwijs. Daarom kan zij nu niet meer doen dan ingaan op de feiten die wel bij haar bekend zijn. Uit deze feiten blijkt dat beide scholen datgene hebben gedaan wat in het kader van het bieden van passend onderwijs van hen had mogen worden verwacht.

Beoordeling
6.3         Een onderwijsinstelling mag geen onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte maken bij het aanbieden van diensten. Het verbod van onderscheid houdt mede in dat degene tot wie dit verbod zich richt, gehouden is naar gelang de behoefte doeltreffende aanpassingen te verrichten, tenzij deze voor hem een onevenredige belasting vormen (artikel 2, eerste lid, WGBH/CZ). Een doeltreffende aanpassing is een aanpassing die geschikt en noodzakelijk is om belemmeringen als gevolg van een handicap of een chronische ziekte weg te nemen. De bewijslastverdeling als vermeld in 4.7 is van toepassing.

6.4         Het College overweegt dat het niet bevoegd is om te beoordelen of SBO Arcadia tekort is geschoten in zijn verplichting om de zoon van verzoekster passend onderwijs aan te bieden. De LKC is hiertoe wel bevoegd en deze heeft op 22 februari 2022 geconcludeerd dat de klacht over de begeleiding en het bieden van passend onderwijs aan de zoon ongegrond is. Hiertoe heeft de LKC overwogen dat gebleken is dat logopedie niet langer nodig was, dat er geen dringende reden meer was om fysiotherapie aan te bieden, en dat ergotherapie is hervat en dat de zoon hiervan onder schooltijd gebruik heeft kunnen maken.

6.5         Het College kan wel nagaan of verweerster jegens de zoon verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte heeft gemaakt bij het verrichten van een doeltreffende aanpassing door hem geen fysiotherapie, logopedie en ergotherapie aan te bieden.

6.6         Het College overweegt dat verzoekster geen gegevens heeft aangedragen waaruit blijkt dat de zoon bij het volgen van onderwijs bij SBO Arcadia beperkingen heeft ondervonden als gevolg van een handicap of chronische ziekte waarbij fysiotherapie, logopedie en ergotherapie noodzakelijk zijn om de beperkingen weg te nemen. Verzoekster heeft zich juist op het standpunt gesteld dat haar zoon geen handicap of chronische ziekte heeft. Hiermee staat vast dat aan de gevraagde aanpassingen geen handicap of chronische ziekte ten grondslag ligt, zodat het College niet bevoegd is om te beoordelen of verweerster op dit punt verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte heeft gemaakt.
 

7            Oordeel

Onderwijsstichting MOVARE heeft jegens de zoon van [. . . .] geen verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte gemaakt. Het College is niet bevoegd om te beoordelen of Onderwijsstichting MOVARE jegens de zoon van [. . . .] verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte heeft gemaakt bij het verrichten van een doeltreffende aanpassing. 

Aldus gegeven te Utrecht op 3 juni 2022 door mr. M. Chébti LL.M., voorzitter, mr. dr. J.P. Loof en mr. dr. G. Cornelisse, leden van het College voor de Rechten van de Mens, in tegenwoordigheid van mr. B.H.M. Werker, secretaris.

mr. M. Chébti LL.M.      
voorzitter    
mr. B.H.M. Werker  
secretaris

  

Samenvatting oordeel