Een vrouw toont niet aan dat Twentse Recreatie- en Kunstschaatsvereniging “Pirouette” haar discrimineerde door haar te vragen niet in haar moedertaal te spreken.

Een vrouw toont niet aan dat Twentse Recreatie- en Kunstschaatsvereniging “Pirouette” haar discrimineerde door haar te vragen niet in haar moedertaal te spreken.

Oordeelnummer 2022-68
Datum: 23-06-2022
Trefwoord: Bewijslast Vereniging Taaleis Aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen en diensten Ras Sport
Discriminatiegrond: Ras
Terrein: Goederen en diensten - Overige
Regelingen: Artikel 7 lid 1 AWGB Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) Artikel 10 AWGB

Situatie

Een vrouw voedt haar dochter tweetalig op en zij spreken daarom voortdurend Russisch (de moedertaal van de vrouw) met elkaar. De dochter neemt (kunst)schaatslessen bij Pirouette. Op enig moment vraagt een van de trainers van Pirouette aan de vrouw om niet meer Russisch met haar dochter te praten, maar om in plaats daarvan Nederlands of Engels te spreken. Op enig moment ontzegt de vereniging de vrouw de toegang tot (het terrein van) de vereniging. Ook is op enig moment sprake van een (ernstig) wederzijds verstoorde relatie tussen de vrouw en (trainers van) de vereniging.

De vereniging stelt dat de vrouw zich onbehoorlijk heeft gedragen, onder meer door zich fysiek agressief op te stellen richting een trainer en door tijdens trainingen steeds naar haar dochter te blijven lopen (ondanks herhaaldelijk verzoek dit niet te doen). Het verzoek om niet meer in het Russisch te praten is volgens de vereniging een gevolg van meerdere meldingen en klachten van andere leden en trainers, die zich uitgelachen en buitengesloten voelde wanneer de vrouw Russisch sprak, omdat zij dan hun namen genoemd hoorden worden en de vrouw vervolgens hard lachte.

De vrouw stelt dat zij nooit signalen heeft ontvangen dat anderen zich niet prettig voelde wanneer zij Russisch sprak en dat zij nooit mensen heeft uitgelachen of zich (fysiek of verbaal) agressief heeft gedragen.

Beoordeling

Volgens de bewijslastregels is het aan de vrouw om feiten aan te voeren die kunnen doen vermoeden dat de vereniging haar heeft gediscrimineerd. Het College komt tot het oordeel dat de vrouw hierin niet slaagt. De vrouw en de vereniging verklaren namelijk vrijwel volledig verschillend over wat er precies is gebeurd en er is geen aanvullend bewijs aan een van beide kanten dat de respectievelijke verklaringen kan onderbouwen. Daarom kan het College alleen als feit vaststellen dat de vrouw op enig moment is gevraagd om niet meer in haar moedertaal te spreken en dat er sprake is van een (ernstig) wederzijds verstoorde relatie tussen partijen.

Hoewel het College vaker heeft geoordeeld dat het stellen van een taaleis indirect discriminerend is op grond van ras. Gelet op de context van de conflictsituatie kan het enkele feit dat aan de vrouw is gevraagd om niet meer in het Russisch te spreken – in dit geval - niet op zichzelf gelden als feit dat onderscheid kan doen vermoeden. Bij een gebrek aan aanvullende feiten, is het College van oordeel dat de vrouw er niet in slaagt om (voldoende) feiten aan te voeren die discriminatie kunnen doen vermoeden.

Oordeel

Twentse Recreatie- en Kunstschaatsvereniging “Pirouette” heeft jegens de vrouw geen verboden onderscheid op grond van ras gemaakt.


Oordeel 2022-68

Datum: 23 juni 2022

Dossiernummer: 2021-0469

Oordeel in de zaak van

[. . . .]

wonende te [. . . .], verzoekende partij

tegen

Twentse Recreatie- en Kunstschaatsvereniging “Pirouette”

gevestigd te Enschede, verwerende partij

1        Verzoek

Verzoekende partij vraagt het College om te beoordelen of verwerende partij verboden onderscheid op grond van ras heeft gemaakt door haar te verbieden dat zij met haar dochter in het Russisch communiceert en door haar de toegang tot (het terrein van) de vereniging te ontzeggen.

2        Verloop van de procedure

2.1     Het College heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • verzoekschrift van 26 juli 2021, ontvangen op 2 augustus 2021;
  • verweerschrift van 9 februari 2022, ontvangen op dezelfde dag;
  • e-mail van verzoekende partij van 25 april 2022.

2.2     Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2022. Partijen zijn verschenen. Verzoekende partij werd bijgestaan door M.P.J. Verheijen, klachtbehandelaar Vizier Oost. Verwerende partij werd vertegenwoordigd door [. . . .], voorzitter, die werd vergezeld door [. . . .] en [. . . .], trainers.

3        Feiten

3.1     Verzoekende partij komt van oorsprong uit (het huidige) Kirgizië en haar moedertaal is Russisch. Haar dochter is lid van verwerende partij, een vereniging die kunst- en rolschaatslessen organiseert. Verzoekende partij wenst haar dochter volledig tweetalig op te voeden. Daartoe spreekt zij met haar dochter voortdurend Russisch.

3.2     Op enig moment spreekt een van de trainers van verwerende partij verzoekende partij aan op het feit dat verzoekende partij met haar dochter in het Russisch spreekt. De trainer verzoekt haar dit niet meer te doen en voortaan in het Nederlands of Engels te spreken, omdat leden en trainers kenbaar hebben gemaakt dat zij zich (zeer) onprettig voelen wanneer verzoekende partij met haar dochter in het Russisch spreekt.

3.3     Op enig moment ontzegt verwerende partij verzoekende partij de toegang tot (het terrein van) de vereniging, dan wel de toegang tot aanwezigheid bij de trainingen van haar dochter.

4        Standpunt verzoekende partij

Verzoekende partij stelt dat verwerende partij jegens haar verboden onderscheid op grond van ras heeft gemaakt. Door haar te verbieden in het Russisch te spreken met haar dochter, maakt verwerende partij indirect onderscheid op grond van ras en dit is niet objectief gerechtvaardigd.

5        Standpunt verwerende partij

Verwerende partij weerspreekt dat zij verzoekende partij heeft gediscrimineerd. Zij heeft meerdere klachten ontvangen van leden die het vervelend vonden wanneer verzoekende partij met haar dochter in het Russisch sprak, omdat zij dan hoorden dat hun naam werd genoemd en dat er vervolgens hard werd gelachen. Zij voelden zich hierdoor uitgelachen en buitengesloten. Bovendien heeft verzoekende partij zich onbehoorlijk gedragen. Zij bemoeide zich inhoudelijk met trainingen, bleef – ondanks herhaaldelijk verzoek dit niet te doen – tijdens trainingen naar haar dochter lopen, en gedroeg zich fysiek agressief richting de trainers. De reden dat verzoekende partij is verzocht om niet meer in het Russisch te praten in het bijzijn van anderen is om ervoor te zorgen dat niemand zich buitengesloten voelt.

6        Beoordeling

6.1     Een instelling die werkzaam is op het gebied van welzijn mag geen onderscheid op grond van ras maken bij het aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen en diensten (artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel c, in samenhang met artikel 1 eerste lid, Algemene wet gelijke behandeling (AWGB)). Het begrip ‘welzijn’ heeft onder meer betrekking op het terrein van sport (Kamerstukken II 1990/91, 22 014, nr. 3, p. 21). Verwerende partij is een sportvereniging en is daarom gehouden aan dit verbod.

6.2     Van direct onderscheid is sprake wanneer iemand vanwege diens ras op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie. Van indirect onderscheid is sprake wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling of handelwijze mensen van een bepaald ras in het bijzonder treft (artikel 1, eerste lid, AWGB).

6.3     Het begrip ras wordt overeenkomstig het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie ruim uitgelegd. Het omvat tevens huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming. Verzoekende partij stelt dat zij vanwege het spreken van haar moedertaal is benadeeld. Het is vaste oordelenlijn van het College en zijn rechtsvoorganger dat het stellen van een zogenoemde taaleis voornamelijk mensen van een niet-Nederlandse etnische of nationale afkomst treft, omdat binnen deze groepen meer personen zich (hoofdzakelijk) in een andere taal dan de Nederlandse taal uitdrukken (vgl. Commissie Gelijke Behandeling 31 januari 2008, 2008-12, overweging 3.18; College voor de Rechten van de Mens 14 februari 2013, 2013-14, overweging 3.8). Verzoekende partij kan daarmee een beroep doen op de AWGB.

6.4     De bewijslastverdeling bepaalt dat het aan verzoekende partij is om feiten aan te voeren die het onderscheid kunnen doen vermoeden. Slaagt zij daarin, dan is het aan verwerende partij om te bewijzen dat zij niet in strijd heeft gehandeld met de AWGB (artikel 10, eerste lid, AWGB).

Voert verzoekende partij feiten aan die het onderscheid kunnen doen vermoeden?
6.5     Het College heeft partijen zowel schriftelijk als mondeling ter zitting gevraagd om te verklaren over wat precies is voorgevallen. Het College constateert dat partijen elkaar in hun verklaringen zodanig tegenspreken, dat het College alleen als feit kan vaststellen dat verwerende partij verzoekende partij op enig moment heeft gevraagd om niet meer in het Russisch te spreken met haar dochter en dat verwerende partij haar op enig moment heeft verzocht niet meer aanwezig te zijn bij de trainingen van haar dochter. Daarnaast stelt het College vast dat er tussen partijen op enig moment een conflict is ontstaan.

6.6     Verzoekende partij verklaart als volgt. Zij heeft van andere leden of ouders nimmer signalen ontvangen dat zij zich ongemakkelijk of buitengesloten voelen wanneer verzoekende partij met haar dochter in het Russisch spreekt. Verzoekende partij spreekt voortdurend Russisch met haar dochter, maar zij past zich aan als zij in het openbaar is en men zich ongemakkelijk voelt bij het feit dat zij Russisch spreekt. Zij heeft bovendien nooit mensen uitgelachen en heeft zich nooit agressief opgesteld.

6.7     Het College heeft eerder geoordeeld dat het stellen van een taaleis leidt tot indirect onderscheid op grond van ras (zie overweging 6.3). Het College stelt vast dat verwerende partij aan verzoekende partij heeft gevraagd niet meer in het Russisch te communiceren en dat verwerende partij daarmee aan verzoekende partij een taaleis heeft opgelegd. Het College overweegt evenwel dat hem gedurende zowel de schriftelijke als mondelinge behandeling van het verzoek is gebleken van een (wederzijds) ernstig verstoorde relatie tussen partijen. Het College stelt voorop dat het niet aan hem is om een oordeel te geven over wie hierin blaam treft. De exacte oorzaak van de conflictsituatie of de verstoorde relatie is in zoverre ook slechts beperkt relevant. Omdat partijen echter volledig verschillend verklaren over de gang van zaken, kan het College niet vaststellen wat de context is geweest waarin verwerende partij aan verzoekende partij heeft gevraagd om niet langer in haar moedertaal te spreken. Het stellen van een taaleis kan naar oordeel van het College in dit geval niet los worden gezien van deze context. Het enkele feit dat verzoekende partij is verzocht om niet langer in het Russisch te spreken kan derhalve - in dit geval - niet op zichzelf staand leiden tot het oordeel dat sprake is van indirect onderscheid op grond van ras.

6.8     Verzoekende partij stelt verder dat zij zich niet kan verweren tegen het relaas van verwerende partij – dat zij zich onbehoorlijk heeft gedragen - en dat verwerende partij haar relaas ook niet (met feiten) heeft onderbouwd. Het College overweegt evenwel dat het ingevolge de bewijslastverdeling in de eerste plaats aan verzoekende partij is om feiten aan te voeren die het onderscheid kunnen doen vermoeden. Wanneer partijen elkaar tegenspreken over wat precies is voorgevallen, is het aan de verzoekende partij om met aanvullende feiten te komen die haar standpunt verder onderbouwen of anderszins aannemelijk maken (vgl. College voor de Rechten van de Mens 1 juli 2021, 2021-81, overweging 4.4). Verzoekende partij heeft geen aanvullende feiten aangevoerd die haar standpunt onderbouwen. Het College is daarom van oordeel dat verzoekende partij er niet in is geslaagd om (voldoende) feiten aan te voeren die het onderscheid kunnen doen vermoeden. Daarom kan het College niet vaststellen of verwerende partij jegens haar verboden onderscheid heeft gemaakt.

7        Oordeel

Twentse Recreatie- en Kunstschaatsvereniging “Pirouette” heeft geen verboden onderscheid gemaakt jegens [. . . .] op grond van ras.

 

Aldus gegeven te Utrecht op 23 juni 2022 door prof. dr. J. Morijn, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Ingeveld, secretaris.

prof. dr. J. Morijn                                                      

mr. A.J. Ingeveld

Samenvatting oordeel