Kabeldirect B.V. discrimineerde niet door een man van Afghaanse afkomst af te wijzen voor de functie van klantenservicemedewerker omdat zijn beheersing van het Nederlands onvoldoende zou zijn.

Kabeldirect B.V. discrimineerde niet door een man van Afghaanse afkomst af te wijzen voor de functie van klantenservicemedewerker omdat zijn beheersing van het Nederlands onvoldoende zou zijn.

Oordeelnummer 2022-80
Datum: 15-07-2022
Trefwoord: Werving & selectie Selectie Ras Objectieve rechtvaardiging Taaleis Midden- en kleinbedrijf Behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking
Discriminatiegrond: Ras
Terrein: Arbeid - Overige
Regelingen: Artikel 1 AWGB Artikel 2 lid 1 AWGB Artikel 5 lid 1 AWGB

Situatie

Een man van Afghaanse afkomst heeft gesolliciteerd naar de openstaande functie van klantenservicemedewerker bij Kabeldirect B.V. (hierna: Kabeldirect). Dit bedrijf is een webwinkel die gespecialiseerd is in kabels en aansluitaccessoires. De man heeft bij zijn sollicitatie een motivatiebrief en een curriculum vitae (cv) gevoegd. In de personeelsadvertentie is als functie-eis de beheersing van de Nederlandse taal gesteld. Ook is hierin vermeld dat de klantenservicemedewerker de klanten helpt bij hun aansluitvraagstuk en dat dit voornamelijk telefonisch, via e-mail of live chat, maar ook face-to-face wordt gedaan.

De directeur van Kabeldirect B.V heeft de man afgewezen. Daarna heeft de man aan de directeur gevraagd naar de reden hiervan. De directeur heeft de man laten weten dat hij het niveau van het Nederlands in de motivatiebrief niet vindt passen bij de functie van klantenservicemedewerker.

De man vindt dat Kabeldirect hem heeft gediscrimineerd op grond van zijn afkomst door hem af te wijzen omdat zijn niveau van het Nederlands niet zou passen bij de functie.

Kabeldirect is het niet met de man eens. Zij heeft aangevoerd dat zij heeft veel reacties op de openstaande functie heeft ontvangen. Daarom heeft zij kandidaten geselecteerd van wie de sollicitatiebrieven het beste taalniveau hadden. De brief van de man behoorde daar niet toe.

Beoordeling

Een werkgever mag geen onderscheid op grond van ras maken bij de selectie van kandidaten voor een openstaande functie.

Het College stelt vast dat Kabeldirect in de personeelsadvertentie een taaleis heeft gesteld: de beheersing van de Nederlandse taal. Ook staat vast dat Kabeldirect de man heeft afgewezen  omdat zij zijn schrijfvaardigheid in het Nederlands in vergelijking met andere kandidaten minder goed vond.

Het College is van oordeel dat het stellen van een taaleis indirect onderscheid op grond van ras tot gevolg heeft. Immers, mensen van niet-Nederlandse afkomst worden door deze eis bijzonder getroffen. Het College vindt dat Kabeldirect indirect onderscheid op grond van ras heeft gemaakt door de man af te wijzen, omdat hij niet zou voldoen aan de taaleis.

Indirect onderscheid is echter niet verboden als hiervoor een goede reden bestaat. Kabeldirect heeft als reden gegeven dat een goede beheersing van het Nederlands noodzakelijk is om haar klanten zo goed mogelijk van dienst te kunnen zijn. Dit is van belang om een bedrijf te kunnen voeren. Daarom verwacht zij van haar klantenservicemedewerkers dat zij vragen van klanten zowel mondeling (telefonisch) als schriftelijk (via het internet) in vlekkeloos Nederlands kunnen beantwoorden. Het College vindt dat Kabeldirect hiermee een goede reden heeft gegeven voor het indirecte onderscheid op grond van ras, zodat dit niet verboden is.

Oordeel

Kabeldirect B.V. heeft jegens de man geen verboden onderscheid op grond van ras gemaakt.


Oordeel 2022-80

Datum: 15 juli 2022
Dossiernummer: 2021-0671

Oordeel in de zaak van

[….]
wonende te [….], verzoeker

tegen

Kabeldirect B.V.
gevestigd te Brunssum, verweerster
 


1    Verzoek

Verzoeker vraagt het College om te beoordelen of verweerster
verboden onderscheid op grond van ras en/of nationaliteit heeft gemaakt
door hem af te wijzen voor de vacante functie van klantenservicemedewerker
omdat zijn niveau van het Nederlands niet zou passen bij de functie.

 

2    Verloop van de procedure

2.1 Het College heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • verzoekschrift van 2 november 2021, ontvangen op dezelfde datum;
  • e-mail van verzoeker van 8 februari 2022;
  • verweerschrift van 21 april 2022.

2.2 Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2022. Partijen zijn verschenen. Verweerster werd vertegenwoordigd door [….], directeur/eigenaar van verweerster.

3    Feiten

3.1 Verzoeker, die van Afghaanse afkomst is, heeft in een e-mail van 27 februari 2019 bij verweerster gesolliciteerd naar een stageplaats in het kader van de mbo-opleiding Netwerkbeheer die hij op dat moment volgde. Verweerster
is een webwinkel die gespecialiseerd is in kabels en aansluitaccessoires. In een e-mail van dezelfde dag heeft de directeur/eigenaar van verweerster (hierna: de directeur) aan verzoeker geschreven dat hij geen geschikte stageplaats heeft.

3.2 Verzoeker heeft de directeur in een e-mail van 8 oktober 2019 geschreven dat hij zijn stage heeft afgerond en zijn mbo-diploma heeft behaald. Hij heeft de directeur gevraagd of de vacature voor klantenservicemedewerker nog steeds open staat. De directeur heeft verzoeker in een e-mail van dezelfde dag verwezen naar de vacatures op de website van zijn bedrijf. In een e-mail van 15 oktober 2019 heeft verzoeker gesolliciteerd naar de functie van klantenservicemedewerker bij verweerster. Hij heeft bij deze sollicitatie een motivatiebrief en een curriculum vitae (cv) gevoegd. In de motivatiebrief heeft verzoeker geschreven dat hij zou willen beginnen als junior systeembeheerder, servicedeskmedewerker of ICT-medewerker. In de vacaturetekst van klantenservicemedewerker
is onder meer de beheersing van de Nederlandse taal als functie-eis gesteld. Ook is in de vacaturetekst vermeld dat de klantenservicemedewerker de klanten helpt bij hun aansluitvraagstuk en dat dit voornamelijk telefonisch, via e-mail of live chat, maar ook face-to-face wordt gedaan.

3.3 In een e-mail van 17 oktober 2019 heeft de directeur verzoeker laten weten dat hij hem niet heeft geselecteerd voor de functie. Verzoeker heeft de directeur in een e-mail van dezelfde dag gevraagd om deze beslissing toe te lichten, omdat hij vindt dat hij meer dan gekwalificeerd is voor de functie. De directeur heeft verzoeker in een e-mail van dezelfde dag geschreven dat hij het niveau van het Nederlands, gebruikt in de motivatiebrief, niet vindt passen
bij de functie die hij beschikbaar heeft. Verzoeker heeft hierop gereageerd in een e-mail van dezelfde dag met de vraag of het niveau van zijn Nederlands in de motivatiebrief te laag is, omdat hij daar al mee bezig is. Verweerster
heeft niet op deze e-mail van verzoeker gereageerd.

3.4    Verzoeker heeft op 1 november 2019 bij het College een anonieme melding van discriminatie gedaan omdat hij is afgewezen voor de functie van klantenservicemedewerker. Op 2 augustus 2021 heeft hij het College gevraagd om zijn discriminatiemelding van 2019 door te zetten als klacht.


4    Standpunt verzoeker

4.1 Verzoeker stelt dat verweerster jegens hem verboden onderscheid op grond van ras en/of nationaliteit heeft gemaakt door hem af te wijzen voor de functie van klantenservicemedewerker omdat zijn niveau van het Nederlands niet zou passen bij de functie. Hij heeft aangevoerd dat hij heeft besloten om de anonieme melding bij het College van 1 november 2019 door te zetten als klacht, omdat hij vaker is afgewezen voor een functie terwijl hij wel aan de functie-eisen voldoet.


5    Standpunt verweerster

5.1 Verweerster betwist dat zij jegens verzoeker verboden onderscheid op grond van ras en/of nationaliteit heeft gemaakt. Hiertoe voert zij aan dat zij verzoeker eerder in het kalenderjaar van 2019 heeft afgewezen voor een stageplaats omdat zij op dat moment geen stageplaats beschikbaar had. Het is nooit de bedoeling geweest om verzoeker later in 2019 af te wijzen op een manier die zou kunnen worden opgevat als onderscheid op grond van ras en/of nationaliteit. Verzoeker heeft gesolliciteerd naar de functie van klantenservicemedewerker, maar hij heeft zich in zijn motivatiebrief ook laten ontvallen te solliciteren naar/belangstelling te hebben voor de functie van (junior) systeembeheerder, servicedeskmedewerker en/of ICT-medewerker. Deze drie posities waren echter niet vacant.

5.2 Ook voert verweerster aan dat zij nooit de intentie heeft gehad om een klant, een sollicitant, of wie dan ook te discrimineren op grond van ras en/of nationaliteit. In haar bedrijf, dat ruim 12 jaar bestaat, zijn personeelsleden en stagiaires van jong tot oud werkzaam, die geboren zijn in Nederland of elders en die bovendien verschillende godsdiensten hebben. Daarnaast heeft zij zowel klanten met een Nederlandse als met een niet Nederlandse afkomst en is zij actief in Nederland en daarbuiten.

                                                      
6    Beoordeling

6.1 Het is verboden onderscheid op grond van ras en/of nationaliteit te maken bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking (artikel 5, eerste lid, aanhef en onderdeel a, Algemene wet gelijke behandeling (AWGB)).

6.2 Het College zal alleen beoordelen of verweerster verboden onderscheid op grond van ras heeft gemaakt door verzoeker af te wijzen voor de vacante functie, omdat zijn klacht eerder betrekking heeft op zijn afkomst dan op zijn nationaliteit in staatkundige zin. Het College legt het begrip ras, overeenkomstig onder meer het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, ruim uit. Het omvat tevens huidskleur, afkomst en nationale of etnische afstamming. Verzoeker stelt dat verweerster jegens hem onderscheid heeft gemaakt omdat hij van Afghaanse afkomst is. Verzoeker kan daarom een beroep doen op de grond ras.

6.3 Onder onderscheid wordt zowel direct als indirect onderscheid verstaan. Er is sprake van direct onderscheid op grond van ras als een persoon op grond van ras op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld. Er is sprake van indirect onderscheid op grond van ras als een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een bepaald ras in vergelijking met andere personen bijzonder treft (artikel 1, eerste lid, AWGB).

Onderscheid op grond van ras?
6.4 Het is vaste oordelenlijn van het College dat het stellen van een taaleis niet tot direct onderscheid op grond van ras leidt, omdat taal en afkomst niet onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, maar wel tot indirect onderscheid.
Het is een ogenschijnlijk neutrale maatstaf, waardoor personen van niet-Nederlandse afkomst in vergelijking met andere personen bijzonder worden getroffen, omdat zij veel vaker dan personen van Nederlandse afkomst
niet kunnen voldoen aan de eis van een (goede) beheersing van de Nederlandse taal (vgl. College voor de Rechten van de Mens 17 november 2020, 2020-100, overweging 6.2).

6.5 Het College stelt vast dat verweerster in de vacaturetekst voor de functie van klantenservicemedewerker de beheersing van de Nederlandse taal als eis heeft gesteld. Ook heeft de directeur in een e-mail van 17 oktober 2019
desgevraagd aan verzoeker geschreven dat hij het niveau van het Nederlands in zijn motivatiebrief niet vindt passen bij de functie die hij beschikbaar heeft. De directeur heeft desgevraagd ter zitting meegedeeld dat hij heel veel reacties op de vacature heeft ontvangen en dat hij daarom kandidaten heeft geselecteerd van wie de brieven het beste taalniveau hadden. De brief van verzoeker behoorde daar niet toe. Het College overweegt dat daarmee staat vast dat verweerster verzoeker heeft afgewezen voor de functie omdat zij de schrijfvaardigheid van verzoeker in het Nederlands in vergelijking met andere kandidaten als minder goed heeft beoordeeld. Verweerster heeft dan ook jegens verzoeker indirect onderscheid op grond van ras gemaakt door hem af te wijzen voor de vacante functie.

Objectieve rechtvaardiging?
6.6 Het maken van indirect onderscheid op grond van ras is niet verboden als het onderscheid objectief gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn (artikel 2, eerste lid, AWGB). Het is aan de partij die onderscheid heeft gemaakt om feiten aan te dragen ter rechtvaardiging van dat onderscheid.

Is er sprake van een legitiem doel?
6.7 Het doel dient legitiem te zijn, in de zin van voldoende zwaarwegend dan wel te beantwoorden aan een werkelijke behoefte. Een legitiem doel vereist daarnaast dat er geen sprake is van een discriminerend oogmerk. Verweerster heeft aangevoerd dat haar bedrijf online kabels en aansluitaccessoires verkoopt en dat dit ingewikkelde technische materie betreft. Het is voor haar bedrijfsvoering van groot belang dat haar klanten zo goed mogelijk worden geadviseerd, zodat zij de juiste producten aanschaffen. Daarom verwacht zij van een klantenservicemedewerker dat deze haar klanten zo duidelijk mogelijk kan informeren over de technische specificaties van de kabels en aansluitaccessoires en in eenvoudige taal kan communiceren over technische moeilijkheden, zowel schriftelijk als mondeling. Het College leidt hieruit af dat het doel van het onderscheid is om in het kader van de (commerciële) bedrijfsvoering van verweerster de klanten zo goed mogelijk van dienst te zijn. Het College overweegt dat dit doel voldoende zwaarwegend is en geen discriminerend oogmerk heeft. Er is dan ook sprake van een legitiem doel.

Is het middel passend?
6.8 Een middel is passend als het geschikt is om het legitieme doel te bereiken. Verweerster hanteert als middel dat de klantenservicemedewerker een goede beheersing van de Nederlandse taal moet hebben. Het College overweegt dat dit middel geschikt is om te bereiken dat de klantenservicemedewerker duidelijk kan communiceren over de technische specificaties van de kabels en de aansluitaccessoires, de technische moeilijkheden die er kunnen optreden en daarmee het klantenbestand van verweerster zo goed mogelijk van dienst kan zijn. Het middel is dan ook passend.

Is het middel noodzakelijk?
6.9 Een middel is noodzakelijk als het doel niet kan worden bereikt met een middel dat niet leidt tot onderscheid, althans minder bezwaarlijk is (subsidiariteitsvereiste) en het middel in een evenredige verhouding staat tot het doel van het onderscheid (proportionaliteitsvereiste). Verweerster heeft aangevoerd dat een vlekkeloze beheersing van het Nederlands noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie van klantenservicemedewerker om haar klanten zo goed mogelijk van dienst te kunnen zijn. Verweerster verwacht van haar klantenservicemedewerkers dat zij vragen van klanten zowel mondeling (telefonisch) als schriftelijk (via het internet) in vlekkeloos Nederlands beantwoorden. Dit is van belang om een bedrijf te kunnen voeren. Verweerster heeft desgevraagd ter zitting nog meegedeeld dat   de functie van klantenservicemedewerker gericht is op de buitenwereld. Voor intern gerichte functies, zoals magazijnmedewerker, ICT-medewerker of systeembeheerder is het niveau van het Nederlands minder van belang.
Voor deze functies zou verzoeker wel in aanmerking kunnen komen. Deze functies waren echter niet vacant toen verzoeker bij haar solliciteerde. Het College overweegt dat verweerster hiermee voldoende heeft aangetoond dat het middel noodzakelijk is om het doel van het onderscheid te bereiken. Daarnaast overweegt het College dat het door verweerster gehanteerde middel in evenredige verhouding staat tot het doel van het onderscheid. Hierbij neemt het College in aanmerking dat het belang van verweerster om haar klanten zo goed mogelijk te informeren voor een succesvolle bedrijfsvoering zodanig relevant is, dat dit belang zwaarder dient te wegen dan het belang
van verzoeker om niet te worden afgewezen voor de vacante functie vanwege redenen die (indirect) te maken hebben met zijn afkomst. Het door verweerster gemaakte indirecte onderscheid op grond van ras
is dan ook objectief gerechtvaardigd.

6.10 Het College concludeert op grond van het voorgaande dat verweerster jegens verzoeker geen verboden onderscheid op grond van ras heeft gemaakt door hem af te wijzen voor de vacante functie van klantenservicemedewerker.


7    Oordeel

Kabeldirect B.V. heeft jegens [….] geen verboden onderscheid op grond van ras gemaakt.

Aldus gegeven te Utrecht op 15 juli 2022 door mr. G.M. Lieuw LL.M., voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. B.H.M. Werker, secretaris.





mr. G.M. Lieuw LL.M    

mr. B.H.M. Werker
 

.M. Werker

Samenvatting oordeel