De Minister van Defensie discrimineerde niet door de weigering een tegemoetkoming in de verhuiskosten te verstrekken aan een 27-jarige man die in het buitenland is geplaatst.

De Minister van Defensie discrimineerde niet door de weigering een tegemoetkoming in de verhuiskosten te verstrekken aan een 27-jarige man die in het buitenland is geplaatst.

Oordeelnummer 2022-83
Datum: 21-07-2022
Trefwoord: Leeftijd Openbare dienst Bewijslast Arbeidsvoorwaarden Overheid
Discriminatiegrond: Leeftijd
Terrein: Arbeid - Arbeidsvoorwaarden
Regelingen: Artikel 12 lid 1 WGBL Artikel 3 WGBL Artikel 1 WGBL

Situatie

Een man werkte in een militaire functie bij het Ministerie van Defensie in Nederland. De Minister van Defensie (hierna: de Minister) heeft de man een andere functie toegewezen met als standplaats Willemstad, Curaçao. Hierbij heeft de Minister de man een verhuisplicht opgelegd. De Minister heeft de man vanwege de opgelegde verhuisplicht op grond van het Verplaatsingskostenbesluit Defensie (VKBD) een tegemoetkoming in de  reis-, verblijf- en transportkosten verstrekt. De man was voor zijn vertrek naar Curaçao 27 jaar oud en woonde bij zijn ouders in Nederland.

De man heeft de Minister gevraagd om hem ook een tegemoetkoming toe te kennen in de verhuiskosten, bestaande uit overige kosten. De tegemoetkoming in de overige kosten is bedoeld voor gedane investeringen in de oude woning en heeft betrekking op de afschrijvingskosten van de inboedel die bij de verhuizing niet kan worden meegenomen. In het VKDB staat dat de voorwaarde voor de vergoeding van deze kosten is, dat er een eigen huishouding wordt gevoerd op de datum van de verplaatsing en de eigen huishouding wordt voortgezet na de verhuizing. Als aan deze voorwaarde is voldaan, bestaat er recht op een vergoeding van € 6.000,-.

De Minister heeft het verzoek afgewezen omdat de man vanuit zijn ouderlijk huis naar Curaçao is verhuisd. Volgens de Minister voldoet de man hierdoor niet aan de voorwaarde van het voeren van een eigen huishouding.

De man vindt dat de Minister hem heeft gediscrimineerd op grond van zijn leeftijd door zijn verzoek af te wijzen. Hiertoe voert hij aan dat jongeren in het bijzonder worden getroffen door de eis van het voeren van een eigen huishouding. Volgens de man heeft de Minister hiermee jegens hem indirect onderscheid op grond van leeftijd gemaakt, maar hiervoor geen objectieve rechtvaardiging gegeven. Ook vindt de man het een achterhaald idee dat thuiswonenden geen huishoudelijke kosten zouden maken. Zo heeft hij op zijn kamer in het ouderlijk huis op eigen kosten de dakramen vervangen en een schuifdeur geplaatst.

De Minister is het niet met de man eens. Uit de door de man verstrekte gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt niet dat jongere medewerkers bijzonder worden getroffen door de eis van een eigen huishouding. Als dit wel zo is, bestaat hiervoor een objectieve rechtvaardiging.

Beoordeling

Een werkgever mag geen onderscheid op grond van leeftijd maken bij de arbeidsvoorwaarden. Hieronder valt ook het verstrekken van een tegemoetkoming in de verhuiskosten.

Het is aan de man om feiten aan te voeren die onderscheid op grond van leeftijd kunnen doen vermoeden. Als hij hierin slaagt, moet de Minister bewijzen dat hij hem niet heeft gediscrimineerd.

Het College stelt vast dat de Minister het voeren van een eigen huishouden als eis hanteert om in aanmerking te kunnen komen voor de door de man gevraagde tegemoetkoming in de verhuiskosten. Het College is van oordeel dat de Minister met deze eis niet direct naar leeftijd verwijst, zodat er geen sprake is van direct onderscheid.

Volgens de man heeft de Minister met het hanteren van deze eis wel indirect onderscheid op grond van leeftijd gemaakt. Hiertoe voert hij aan dat het een feit van algemene bekendheid is dat personen die bij hun ouders wonen in overwegende mate jonger zijn. Ook heeft de man verwezen naar de door hem overgelegde cijfers van het CBS van 1 januari 2020, waaruit blijkt dat mensen minder bij hun ouders thuis wonen, naarmate zij ouder worden.

De Minister is het niet met de man eens. Uit de cijfers van het CBS kan juist worden afgeleid dat jongere medewerkers niet bijzonder worden getroffen door de eis van het voeren van een eigen huishouding. Zo was in 2020 de gemiddelde leeftijd waarop jongeren het ouderlijk huis verlieten 23,7 jaar. Ook woonden er van de jongeren met een leeftijd van 27 jaar nog maar één op de vijf thuis. 

Het College is van oordeel dat de man er niet in is geslaagd om feiten aan te voeren die indirect onderscheid op grond van leeftijd kunnen doen vermoeden. Hierbij is van belang dat de door de man verstrekt gegevens van het CBS geen informatie bevatten over de woonsituatie van de groep militairen tot 30 jaar oud, de groep waartoe de man behoort, en ook niet over de woonsituatie van de groep militairen ouder dan 30 jaar, met wie de man zich vergelijkt. De Minister heeft dan ook jegens de man geen verboden indirect onderscheid op grond van leeftijd gemaakt door de weigering hem de gevraagde tegemoetkoming in de verhuiskosten te verstrekken.

Oordeel

De Minister van Defensie heeft jegens de man geen verboden onderscheid op grond van leeftijd gemaakt.


Oordeel 2022-83

Datum: 21 juli 2022

Dossiernummer: 2021-0252

Oordeel in de zaak van

[….]

wonende te [….], verzoeker

tegen

de Minister van Defensie

gevestigd te ‘s-Gravenhage, verweerder

 

1. Verzoek

Verzoeker vraagt het College om te beoordelen of verweerder

verboden onderscheid op grond van leeftijd heeft gemaakt door de weigering

hem een verhuiskostenvergoeding toe te kennen in verband met zijn plaatsing

in het buitenland.


2. Verloop van de procedure

2.1 Het College heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • verzoekschrift van 23 april 2021, ontvangen op 28 april 2021;
  • e-mail van verzoeker van 8 juni 2021;
  • verweerschrift van 18 januari 2022.

2.2 Verzoeker wordt vertegenwoordigd door mr. T.A. van Helvoort, advocaat te Amsterdam. Verweerder wordt vertegenwoordigd door [….], Hoofd Afdeling Bijzondere Rechtspositie Defensie. Partijen hebben het College toestemming verleend om de zaak zonder zitting en dus op basis van de schriftelijke stukken af te doen. Verzoeker heeft desgevraagd op 22 februari 2022 een schriftelijke reactie gegeven op het verweerschrift. Verweerder heeft desgevraagd op 7 april 2022 gereageerd op de reactie van verzoeker van 22 februari 2022. Het College heeft het onderzoek op 8 april 2022 gesloten.


3. Feiten

3.1 Verzoeker is met ingang van 11 januari 2016 aangesteld als militair bij het Ministerie van Defensie en ingedeeld bij de Koninklijke Marechaussee (KMar). Verweerder heeft verzoeker met ingang van 1 maart 2021 de functie toegewezen van Medewerker KV Sensoren-, Wapen- en Commandosystemen, met als standplaats Willemstad, Curaçao. Hierbij heeft verweerder verzoeker een verhuisplicht opgelegd. Verzoeker was op 1 maart 2021 27 jaar oud en woonde voor zijn vertrek naar Curaçao bij zijn ouders in Nederland.

3.2 Verzoeker heeft vanwege de opgelegde verhuisplicht op grond van het Verplaatsingskostenbesluit Defensie (VKBD) aanspraak op reis-, verblijf- en transportkosten. Verzoeker heeft verweerder op 1 december 2020 gevraagd om hem ook een tegemoetkoming in de verhuiskosten, bestaande uit overige kosten toe te kennen, als bedoeld in artikel 2, vierde lid, aanhef en onderdeel f, VKBD. In dit artikelonderdeel is bepaald dat de voorwaarde om in aanmerking te komen voor de vergoeding van deze kosten is, dat er een eigen huishouding wordt gevoerd op de datum van de verplaatsing en de eigen huishouding wordt voortgezet na de verhuizing. Als aan deze voorwaarde is voldaan, bestaat er recht op een (forfaitaire) vergoeding van € 6.000,-.

3.3 Verweerder heeft dit verzoek op 6 januari 2021 afgewezen omdat verzoeker vanuit zijn ouderlijk huis naar Curaçao gaat verhuizen. Hierdoor voldoet hij niet aan de in het VKBD gestelde voorwaarde van het voeren van een eigen huishouding om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in de verhuiskosten, bestaande uit de overige kosten.


4. Standpunt verzoeker

Verzoeker stelt dat verweerder verboden onderscheid op grond van leeftijd heeft gemaakt door zijn verzoek om een tegemoetkoming in de verhuiskosten, bestaande uit de overige kosten, af te wijzen. Jongeren worden in het bijzonder getroffen door het door verweerder gehanteerde criterium van een eigen huishouding om in aanmerking te kunnen komen voor de vergoeding van bedoelde kosten. Verweerder heeft hiermee jegens hem indirect onderscheid op grond van leeftijd gemaakt, maar hiervoor geen objectieve rechtvaardiging aangedragen. Het is verzoeker niet duidelijk welke objectieve rechtvaardiging er vandaag de dag nog kan worden gegeven voor het indirecte onderscheid. Zowel militairen die bij overplaatsing naar het buitenland een eigen woning verlaten, als militairen die het ouderlijk huis verlaten, zullen een nieuwe woning moeten inrichten. Ook is het een achterhaald idee dat thuiswonenden geen huishoudelijke kosten zouden maken. Zo heeft hij zijn vader maandelijks € 300,- betaald voor kost en inwoning en heeft hij op zijn kamer in het ouderlijk huis op eigen kosten de dakramen vervangen en een schuifdeur geplaatst.


5. Standpunt verweerder

Verweerder betwist dat hij jegens verzoeker onderscheid op grond van leeftijd heeft gemaakt. Er is geen sprake van direct onderscheid op grond van leeftijd omdat de aanspraak op een tegemoetkoming in de overige verhuiskosten afhankelijk is gesteld van de woonsituatie van de defensieambtenaar en niet van zijn leeftijd. Daarnaast blijkt uit de door verzoeker overgelegde gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dat jongere medewerkers niet bijzonder worden getroffen door het vereiste van een eigen huishouding. Voor het geval het College toch mocht oordelen dat hij indirect onderscheid    op grond van leeftijd heeft gemaakt, bestaat hiervoor een objectieve rechtvaardiging. De tegemoetkoming in de overige kosten is bedoeld voor         gedane investeringen in de oude woning en heeft onder meer betrekking op de afschrijvingskosten van de inboedel die bij de verhuizing niet kan worden meegenomen. De maandelijkse vergoeding die verzoeker aan zijn vader heeft betaald voor kost- en inwoning valt hier niet onder. Verder kan de investering die verzoeker heeft gedaan in het huis van zijn ouders, niet worden aangemerkt als een investering in de eigen huishouding.


6. Beoordeling

6.1 Een werkgever mag geen onderscheid op grond van leeftijd maken bij de arbeidsvoorwaarden (artikel 3, aanhef en onderdeel e, Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL)). Het toekennen van een verhuiskostenvergoeding is een arbeidsvoorwaarde als bedoeld in deze bepaling.

6.2 Onder onderscheid wordt direct en indirect onderscheid verstaan. Er is sprake van direct onderscheid op grond van leeftijd als een persoon op grond van zijn leeftijd op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld. Er is sprake van indirect onderscheid op grond van leeftijd als een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een bepaalde leeftijd in vergelijking met andere personen bijzonder treft (artikel 1 WGBL).

6.3 De bewijslastverdeling staat in artikel 12, eerste lid, WGBL. Deze houdt in dat het op de weg van verzoeker ligt om feiten aan te voeren die onderscheid op grond van leeftijd kunnen doen vermoeden. Als hij hierin slaagt, is het aan verweerder om te bewijzen dat hij niet in strijd met de WGBL heeft gehandeld.

Feiten die onderscheid op grond van leeftijd kunnen doen vermoeden?
6.4          Het College stelt vast dat een militair op grond van het VKBD bij een opgelegde verhuisplicht recht heeft op een tegemoetkoming in de reis- en verblijfskosten die zijn verbonden aan de reis naar de nieuwe woning en op een tegemoetkoming in de transportkosten. Ook de overige kosten die een militair bij een verhuizing maakt, komen voor vergoeding in aanmerking, als hij een eigen huishouding voert op de datum van de verplaatsing en de eigen huishouding voortzet na de verhuizing. Verweerder heeft toegelicht dat het daarbij gaat om een tegemoetkoming voor niet herbruikbare spullen ten behoeve van degenen die voorafgaande aan hun verhuizing naar het buitenland in hun eigen huishouden hebben geïnvesteerd, zoals afschrijvingskosten voor inboedel die bij de verhuizing niet kan worden meegenomen. Het College is van oordeel dat het criterium van het voeren van een eigen huishouding niet rechtstreeks verwijst naar de leeftijd van de militair. Daarom is er geen sprake van direct onderscheid op grond van leeftijd (vgl. College voor de Rechten van de Mens 14 januari 2020, 2020-2, overweging 6.4).

6.5 Vervolgens zal het College beoordelen of verweerder jegens verzoeker indirect onderscheid op grond van leeftijd heeft gemaakt door het hanteren van het criterium van het voeren van een eigen huishouding om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in de overige kosten. Verzoeker stelt dat hiervan sprake is omdat jongere medewerkers in bijzondere mate worden getroffen door dit criterium. Hiertoe voert hij aan dat het een feit van algemene bekendheid is dat personen die bij hun ouders wonen in overwegende mate jonger zijn. Ook heeft verzoeker verwezen naar de door hem overgelegde cijfers van het CBS van 1 januari 2020, waaruit blijkt dat mensen minder bij hun ouders thuis wonen, naarmate zij ouder worden.Zo woont 90% van de 18-jarigen nog thuis, van de 27-jarigen, zoals verzoeker, bijna 20% en van de 29-jarigen 11%. Als 27-jarige behoort verzoeker tot de jongere collega’s binnen de organisatie van verweerder.

6.6 Verweerder voert aan dat uit de cijfers van het CBS juist kan worden afgeleid dat jongere medewerkers niet bijzonder worden getroffen door de eis van een eigen huishouding. In 2020 was de gemiddelde leeftijd waarop jongeren het ouderlijk huis verlieten en op zichzelf gingen wonen 23,7 jaar. Van de jongeren met een leeftijd van 27 jaar, woonde nog 18,2% thuis. Slechts minder dan één van de vijf jongeren van 27 jaar woont nog thuis, zodat niet kan worden gezegd dat deze jongeren in het bijzonder worden getroffen door de eis van een eigen huishouding.

6.7 Het College is van oordeel dat verzoeker er niet in is geslaagd om feiten aan te voeren die kunnen doen vermoeden dat verweerder jegens hem indirect onderscheid op grond van leeftijd heeft gemaakt door het hanteren van het criterium van het voeren van een eigen huishouding bij het bepalen of verzoeker in aanmerking komt voor een verhuisvergoeding. Hierbij is van belang dat verzoeker zijn stelling niet voldoende heeft onderbouwd. Verzoeker heeft alleen gegevens overgelegd van het CBS over het percentage thuiswonende jongeren op 1 januari 2020 in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 29 jaar. Deze gegevens bevatten echter geen informatie over de woonsituatie van de groep militairen tot 30 jaar oud, de groep waartoe verzoeker behoort, en ook niet over de woonsituatie van de groep militairen ouder dan 30 jaar, de groep met wie verzoeker zich vergelijkt. De enkele verwijzing naar de algemene gegevens op de website van het CBS acht het College in dit geval onvoldoende om aangemerkt te worden als een feit dat doet vermoeden dat militairen jonger dan 30 jaar, onder wie verzoeker, bijzonder worden getroffen door het door verweerder gehanteerde criterium van het voeren van een eigen huishouding bij het bepalen of zij in aanmerking komen voor een verhuisvergoeding. Het had op de weg van verzoeker gelegen om zijn stelling dat militairen onder de 30 jaar in het bijzonder worden getroffen door dit criterium enigszins nader te onderbouwen teneinde een vermoeden van onderscheid te kunnen vestigen.

6.8 Het College is op grond van het voorgaande van oordeel dat verweerder jegens verzoeker geen verboden onderscheid op grond van leeftijd heeft gemaakt door de weigering hem een tegemoetkoming in de verhuiskosten toe te kennen, bestaande uit de overige kosten, in verband met zijn plaatsing in het buitenland.


7. Oordeel

De Minister van Defensie heeft jegens [….] geen verboden onderscheid op grond van leeftijd gemaakt.

Aldus gegeven te Utrecht op 21 juli 2022 door mr. M. Chébti LL.M., in tegenwoordigheid van mr. B.H.M. Werker, secretaris.





mr. M. Chébti LL.M.       

mr. B.H.M. Werker

Samenvatting oordeel