Een man heeft geen nadeel ondervonden door het handelen van de Willibrord Stichting voor RK/PC Voortgezet Onderwijs voor Utrecht en Omstreken. Hij is niet-ontvankelijk in zijn klacht.

Een man heeft geen nadeel ondervonden door het handelen van de Willibrord Stichting voor RK/PC Voortgezet Onderwijs voor Utrecht en Omstreken. Hij is niet-ontvankelijk in zijn klacht.

Oordeelnummer 2022-90
Datum: 12-08-2022
Trefwoord: Onderwijs Handicap of chronische ziekte Voortgezet onderwijs Doeltreffende aanpassing Ontvankelijkheid Belang
Discriminatiegrond: Handicap of chronische ziekte
Terrein: Goederen en diensten - Onderwijs
Regelingen: Artikel 10 lid 2 WCRM Wet gelijke behandeling handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ) Wet College voor de rechten van de mens (WCRM) Artikel 5b WGBH/CZ

Situatie

De zoon van een man gaat naar het Amadeus Lyceum. Deze school valt onder de bestuurlijke verantwoordelijkheid van de Willibrord Stichting. De zoon heeft een (zeer) zware vorm van dyslexie. De school heeft daarom een aantal aanpassingen gedaan voor de zoon toen hij aan zijn eerste jaar van de vmbo-tl opleiding begon. De zoon krijgt extra tijd voor het maken van toetsen, mag een laptop als schrijfgerei gebruiken en maakt zijn toetsen met behulp van verklankingssoftware, die geschreven woord omzet naar gesproken taal.

Bij aanvang van het derde leerjaar vraagt de man aan de school toestemming voor gebruik van zogenoemde dicteersoftware: deze zet gesproken woord om in geschreven taal. De man vraagt om deze toestemming voor het gehele derde en vierde leerjaar, inclusief het centraal schriftelijke examen (CSE). De school staat gebruik van dicteersoftware toe, maar verleent nog geen toestemming voor het CSE. De school neemt wel contact op met het College voor Toetsen en Examens (CvTE) om toestemming te vragen voor gebruik van dicteersoftware tijdens het CSE. Op dat moment ontstaat onduidelijkheid over wie deze toestemming moet verlenen: de school of het CvTE.

Op 8 april 2022 verleent de school de gevraagde toestemming, zodat de zoon bij (bijna) alle schoolexamens en het CSE gebruik mag maken van de dicteersoftware. De man wil van het College weten of de school heeft gediscrimineerd door lang te wachten met het verlenen van de toestemming.

Beoordeling

Het College moet beoordelen of de man (nog) belang heeft bij een oordeel van het College. De vraag is of (de zoon van) de man een concreet en persoonlijk nadeel heeft geleden door het handelen van de school. Het College oordeelt dat dit niet zo is. Daarvoor is van belang dat de school de zoon heeft toegestaan de software te gebruiken bij aanvang van het derde leerjaar (en dus voor alle toetsen die meetellen voor zijn uiteindelijke diploma). De zoon is dus niet nadelig geconfronteerd (bijvoorbeeld met lagere rapportcijfers), omdat hij geen gebruik mocht maken van de software.

Het College begrijpt dat de man en zijn zoon op tijd duidelijkheid wilden over het mogen gebruiken van de software bij het CSE, omdat dit hen rust kan bieden. De school heeft de toestemming verleend op 8 april 2022, ruim voor aanvang van het vierde en laatste leerjaar. Het College is van oordeel dat de school daarmee voldoende rust en duidelijkheid heeft gecreëerd. Dat de school niet direct bij aanvang van het derde leerjaar toezeggingen heeft gedaan voor de gehele, toekomstige schoolperiode maakt in dit geval niet dat de man en zijn zoon nadeel hebben ondervonden. Daarom heeft de man geen belang bij een oordeel van het College.

Oordeel

De man is niet-ontvankelijk in zijn verzoek tegen de Willibrord Stichting voor RK/PC Voortgezet Onderwijs voor Utrecht en Omstreken.


Oordeel 2022-90

Datum: 12 augustus 2022

Dossiernummer: 2021-0756

Oordeel in de zaak van

[….]

wonende te [….], verzoeker

tegen

De Willibrord Stichting voor RK/PC Voortgezet Onderwijs voor Utrecht en Omstreken

gevestigd te Utrecht, verweerster

1 Verzoek

Verzoeker vraagt het College om te beoordelen of verweerster jegens zijn zoon verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte heeft gemaakt door hem (aanvankelijk) geen toestemming te verlenen voor het gebruik van dicteersoftware bij het maken van de centrale schriftelijke eindexamens.

2 Verloop van de procedure

2.1 Het College heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • verzoekschrift van 21 december 2021, ontvangen op die datum;
  • e-mail van verzoeker van 6 maart 2022;
  • e-mail van verweerster van 19 april 2022;
  • reactie van informant van 28 april 2022, ontvangen op 17 mei 2022;
  • verweerschrift van 3 juni 2022, ontvangen op 6 juni 2022.

2.2 Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2022. Partijen zijn verschenen. Verzoeker verscheen in persoon. Verweerster werd vertegenwoordigd door [….], bestuurssecretaris, die via een videoverbinding werd vergezeld door [….], rector van het Amadeus Lyceum.

2.3 Het College heeft het College voor Toetsen en Examens (hierna: CvTE) in deze procedure aangeschreven als informant. Het CvTE heeft per brief van 28 april 2022 vragen van het College beantwoord. Het CvTE was tevens aanwezig ter zitting en werd vertegenwoordigd door [….], clustermanager kandidaten met een ondersteuningsbehoefte, [….] en [….], beiden jurist bij het CvTE.

3 Feiten

3.1 Verzoeker klaagt namens zijn zoon, die een zware vorm van dyslexie heeft. De zoon zit op dit moment in het derde leerjaar van de vmbo-tl opleiding bij het Amadeus Lyceum (hierna: de school). Deze school valt onder de bestuurlijke verantwoordelijkheid van verweerster. Vanwege zijn dyslexie mag de zoon bij het maken van zijn schoolexamens gebruik maken van enkele hulpmiddelen, zoals verklankingssoftware (die geschreven woord omzet naar gesproken taal), extra examentijd en het gebruik van een laptop als schrijfgerei. Verweerster heeft het gebruik van deze hulpmiddelen goedgekeurd met ingang van het eerste leerjaar van de zoon.

3.2 Bij aanvang van het derde leerjaar vraagt verzoeker aan de school om toestemming voor het gebruik van zogenoemde dicteersoftware (die gesproken woord omzet naar geschreven tekst) bij het maken van toetsen en examens. Verzoeker overlegt daarbij op verzoek van de school ook een geüpdatete versie van de dyslexieverklaring van de zoon. De school past daarop het Programma voor Toetsing en Afsluiting (PTA) aan en staat de zoon toe dat hij bij een groot deel van de te maken schoolexamens gebruik mag maken van dicteersoftware.

3.3 In het najaar van 2021 vinden gesprekken plaats tussen verzoeker en de school over het verlenen van toestemming voor gebruik van dicteersoftware gedurende het vierde leerjaar en het centraal schriftelijke examen (hierna: CSE). De school neemt in deze periode contact op met het CvTE, met de vraag om ten behoeve van het CSE toestemming te verlenen voor de inzet van dicteersoftware als hulpmiddel. Het CvTE geeft aan dat de dicteersoftware niet wordt toegestaan. De school deelt het standpunt van het CvTE mede aan verzoeker.

3.4 Op 21 december 2021 dient verzoeker zijn klacht in bij het College.

3.5 In januari 2022 vinden er meerdere gesprekken plaats tussen de school en verzoeker enerzijds en de school en het CvTE anderzijds. Uit deze gesprekken blijkt dat de beslissingsbevoegdheid voor het inzetten van extra hulpmiddelen ligt bij (de rector van) de school. Op 8 april 2022 verleent de school aan (de zoon van) verzoeker toestemming voor het gebruik van de dicteersoftware gedurende de resterende periode van zijn middelbare schooltijd, waaronder bij het afleggen van het CSE.

4 Standpunt verzoeker

Verzoeker stelt dat verweerster jegens zijn zoon verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte maakt of heeft gemaakt. Het heeft erg lang geduurd voordat de school een beslissing heeft genomen, waardoor hij (en met name zijn zoon) lang in onzekerheid verkeerde over hoe zijn zoon zijn examens zou moeten maken. De regels zijn te strikt en bieden niet voldoende ruimte voor maatwerk. Hoewel de toestemming inmiddels is gegeven, heeft het hem veel moeite gekost om deze toestemming te verkrijgen.

5 Standpunt verweerster

Verweerster weerspreekt dat sprake is (geweest) van verboden onderscheid. Zij heeft een weloverwogen besluit willen nemen in het belang van de zoon. De school moet enerzijds een zorgvuldige afweging maken waarbij de zoon de (extra) ondersteuning krijgt die hij nodig heeft, en anderzijds de kwaliteit van het diploma waarborgen en nagaan of de zoon in de praktijk daadwerkelijk baat heeft bij gebruik van dicteersoftware. Zij kon daarom niet zonder meer een beslissing nemen over de twee toekomstige leerjaren (dus tot en met het CSE). De zoon mag sinds de aanvang van het derde leerjaar gebruik maken van de dicteersoftware. Zijn schoolresultaten bleken en blijken goed te zijn. Daarom heeft de rector op 8 april 2022 toestemming verleend voor de inzet en het gebruik van de software gedurende het vierde leerjaar en het CSE.

6 Beoordeling

Is het College bevoegd om het verzoek te beoordelen?
6.1 Een onderwijsinstelling mag geen onderscheid op grond van handicap of ziekte maken bij het aanbieden van onderwijs (artikel 5b, eerste lid, aanhef en onderdeel c, Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ)). Verweerster is een stichting die voortgezet onderwijs verzorgt in de regio Utrecht. Zij is daarom gehouden aan dit verbod. De zoon van verzoeker heeft (een zware vorm van) dyslexie. Dyslexie is een handicap of chronische ziekte zoals bedoeld in de WGBH/CZ. Verzoeker kan daarom (namens zijn zoon) een beroep doen op de bescherming die deze wet biedt. Het College is bevoegd om het verzoek te beoordelen.

Is het verzoek ontvankelijk?
6.2 Op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onderdeel a, Wet College voor de Rechten van de Mens (WCRM) kan een verzoek om een oordeel van het College worden ingediend door degene die meent dat in zijn nadeel onderscheid is gemaakt. Het College merkt op dat de school de toestemming waar verzoeker om heeft verzocht gedurende de periode van behandeling van de klacht door het College heeft verleend. Het College moet daarom beoordelen of verzoeker (nog) belang heeft bij een oordeel van het College. Als hij dit belang niet heeft, is verzoeker niet ontvankelijk in zijn verzoek en kan het College het verzoek niet inhoudelijk beoordelen.

6.3 Het College heeft verzoeker ter zitting gevraagd wat zijn belang is bij een oordeel. Daarop heeft verzoeker aangegeven dat, op het moment waarop hij de klacht bij het College heeft ingediend, wat hem betreft verboden onderscheid werd gemaakt jegens zijn zoon. Hij heeft daarnaast gesteld dat het voor hem ook een principekwestie is, omdat veel ouders van kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte in Nederland tegen hetzelfde probleem aanlopen. Het College overweegt dat een verzoek ontvankelijk is wanneer iemand een persoonlijk belang heeft bij een oordeel. Wanneer een natuurlijk persoon, zoals verzoeker, (uitsluitend) klaagt over een vermeend onderscheid in algemene zin en daarbij niet of onvoldoende het eigen persoonlijke belang kan duiden, is het verzoek niet ontvankelijk (vgl. College voor de Rechten van de Mens 19 november 2020, 2020-101, overweging 4.3 en 4.4).

Wat is het persoonlijke nadeel van verzoeker?
6.4 Het College begrijpt van verzoeker, die optreedt als wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige zoon, dat het persoonlijke nadeel van zijn zoon is gelegen in het feit dat hij tot 8 april 2022 geen (definitieve) duidelijkheid had over de inzet van dicteersoftware bij het CSE. Het College stelt als tussen partijen onbetwist vast dat de zoon bij het maken van (het overgrote deel van) de schoolexamens met ingang van het derde leerjaar gebruik mag maken van de dicteersoftware. Voor zover relevant merkt het College op dat de uitgezonderde vakken (met name wiskunde en schrijfvaardigheidsvakken) ook geen geschilpunt vormen tussen partijen. Het geschil ziet, kortgezegd, op het (aanvankelijk nog) geen beslissing nemen over de inzet van de software bij het CSE.

6.5 Het College constateert dat er sprake is geweest van veel ruis in de communicatie over wie in deze situatie beslissingsbevoegd is. Hierdoor verkeerde de rector van de school enige tijd ten onrechte in de veronderstelling dat zij toestemming nodig had van het CvTE om het gebruik van de dicteersoftware gedurende het CSE toe te laten. Zowel de school als het CvTE hebben erkend dat de communicatie niet vlekkeloos is verlopen en dat zij dit erg spijtig vinden. Het College heeft er met instemming van kennisgenomen dat het CvTE reeds bezig is met de verheldering en vereenvoudiging van zijn informatiebrochure, zodat duidelijker is wat de respectievelijke rollen zijn van het CvTE en het bevoegd gezag van de school bij dit soort beslissingen.

6.6 Niet is gebleken dat (de zoon van) verzoeker een duidelijk, concreet en persoonlijk nadeel heeft geleden. Het feit dat een doeltreffende aanpassing (alsnog) is verricht voor of tijdens een procedure bij het College betekent niet automatisch dat iemand geen belang (meer) heeft bij een oordeel van het College (vgl. College voor de Rechten van de Mens 11 februari 2020, 2020-9, overweging 6.4). Het College overweegt evenwel dat het onderhavige geval wezenlijk verschilt van de situatie in 2020-9. In die zaak ondervond (de dochter van) verzoekers nadeel door het niet tijdig verrichten van een doeltreffende aanpassing. De dochter kon daardoor niet zelfstandig het schoolgebouw betreden en verlaten. In het onderhavige geval is van een dergelijk nadeel geen sprake geweest. De zoon mag sinds het derde leerjaar (en dus bij de schoolexamens die meetellen voor zijn uiteindelijke diploma) gebruik maken van de software. De zoon is daarom niet op enige wijze nadelig geconfronteerd (bijvoorbeeld met lagere rapportcijfers) omdat hij geen gebruik mocht maken van de software.

6.7 Voor zover verzoeker betoogt dat sprake is van een nadeel doordat de school niet direct wilde overgaan tot het geven van toestemming voor de gehele periode van het derde en vierde leerjaar, inclusief het CSE, overweegt het College als volgt. Het College begrijpt dat verzoeker op tijd duidelijkheid wilde hebben over de inzet van de software bij het maken van het CSE, omdat dit zowel verzoeker als zijn zoon rust kan bieden. De school heeft ruim voor aanvang van het vierde en laatste leerjaar toestemming gegeven voor het gebruik van de software. Hiermee heeft de school voor het verloop van het vierde leerjaar en het CSE voldoende rust en duidelijkheid gecreëerd. Dat de school niet direct bij aanvang van het derde leerjaar toezeggingen heeft gedaan voor de gehele, toekomstige schoolperiode maakt in dit geval niet dat verzoeker nadeel heeft ondervonden. Nu geen sprake is van een persoonlijk nadeel, heeft verzoeker geen belang bij een oordeel van het College. Het verzoek is daarom niet ontvankelijk.

7 Oordeel

[….] is niet-ontvankelijk in zijn verzoek tegen de Willibrord Stichting voor RK/PC Voortgezet Onderwijs voor Utrecht en omstreken.

Aldus gegeven te Utrecht op 12 augustus 2022 door mr. G.M. Lieuw LL.M., voorzitter, mr. dr. J.P. Loof en mr. dr. B.J.M. Frederiks, leden van het College voor de Rechten van de Mens, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Ingeveld, secretaris.





mr. G.M. Lieuw LL.M.    

mr. A.J. Ingeveld

Samenvatting oordeel