De Minister van Defensie discrimineerde niet door een man met diabetes mellitus type 1 af te wijzen voor de militaire functie van bastrombonist.

De Minister van Defensie discrimineerde niet door een man met diabetes mellitus type 1 af te wijzen voor de militaire functie van bastrombonist.

Oordeelnummer 2022-93
Datum: 18-08-2022
Trefwoord: Behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking Werving & selectie Sollicitatie Openbare dienst Functie-eis Handicap of chronische ziekte Chronische ziekte Overheid EG-recht Wettelijke uitzondering
Discriminatiegrond: Handicap of chronische ziekte
Terrein: Arbeid - Overige
Regelingen: Wet gelijke behandeling handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ) Artikel 4 WGBH/CZ Artikel 1 WGBH/CZ

Situatie

De Minister van Defensie huurt vanaf 2003 een man in als zzp-er om als bastrombonist te spelen in defensieorkesten. In 2007 wordt bij de man diabetes mellitus type 1 geconstateerd. De man solliciteert in 2014 naar een aanstelling bij Defensie als bastrombonist. Vanwege zijn diabetes neemt de Minister zijn sollicitatie niet in behandeling. De man vraagt het College in 2015 om een oordeel te geven of hierdoor sprake is van discriminatie, waarop het College oordeelt dat de Minister de man inderdaad heeft gediscrimineerd door hem uit te sluiten voor de functie bastrombonist, zie oordeel 2015-135.

In 2016 stelt de Minister de man voor drie jaar aan als burgerambtenaar voor de functie bastrombonist. De Minister verlengt de aanstelling niet zodat deze na afloop ervan in 2019 van eindigt. De man solliciteert in november 2019 naar een vacante functie van militaire bastrombonist. De Minister wijst de man af en schrijft: “De reden waarom we uw sollicitatie niet verder in behandeling nemen is gelegen in het feit dat ons bekend is dat u om medische redenen niet kan voldoen aan de aanstellingseisen voor militairen (…)”. Volgens de man is wederom sprake van discriminatie op grond van chronische ziekte. De Minister betwist dit en voert aan dat de man niet geschikt is omdat hij niet voldoet aan de militaire basiseisen.

In oordeel 2022-30 gaf het College een tussenoordeel in deze zaak. Het College oordeelde dat de man gedeeltelijk ontvankelijk is in zijn verzoek om een oordeel over het handelen van de Minister van Defensie. Het College kan oordelen over de vraag of de Minister van Defensie jegens hem verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van handicap of chronische ziekte door hem af te wijzen voor de (militaire) functie van bastrombonist.

Beoordeling

Juridisch kader

Het is verboden om onderscheid te maken op grond van handicap of chronische ziekte bij de werving en selectie ten behoeve van de vervulling van een functie. Hieronder valt ook het afwijzen van een sollicitant voor een functie. Dat is bepaald in de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ). De man lijdt aan diabetes, wat een chronische ziekte is.

De Minister erkent dat de man de functie van bastrombonist goed kan vervullen maar voert aan dat de man niet geschikt is om deze functie als militair te vervullen. Het College constateert dat het beantwoorden van de vraag of sprake is van discriminatie, overlap vertoont met het beantwoorden van de vraag of de Minister de functie van bastrombonist als een militaire functie mag aanmerken waarvoor alle militaire basiseisen gelden.

Mag de Minister de orkestfunctie als een militaire functie aanmerken?

De Minister komt een ruime vrijheid toe om zijn organisatie in te richten. Dit hangt nauw samen met zijn grondwettelijke taak ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk. De Minister toont voldoende aan dat het noodzakelijk is om de muzikantenfuncties van de militaire orkesten als militaire functies aan te merken. Het College overweegt dat het belang van de Minister om deze keuze te maken, zwaarder weegt dan het belang van de man om niet te worden benadeeld vanwege zijn diabetes. Dit vanwege het bijzondere karakter en takenpakket van de krijgsmacht.

Uit de WGBH/CZ volgt niet dat de Minister deze keuze niet op deze manier mag maken. Het College concludeert daarom dat de Minister de functie van bastrombonist als militaire functie mag aanmerken.

Is de man geschikt voor de militaire functie van bastrombonist?

De militair bastrombonist moet aan alle militair basiseisen voldoen en beschikbaar zijn voor alle militaire en niet-militaire taken, die de krijgsmacht te vervullen kan krijgen. De man kan, in verband met zijn diabetes, niet voldoen aan deze eisen. Dat is niet vanwege het enkele feit dat hij diabetes heeft maar omdat hij daardoor medicatie afhankelijk is. Daarmee staat vast dat de man niet geschikt is voor de militaire functie van bastrombonist. Het College komt daarom tot het oordeel dat de minister jegens de man geen onderscheid op grond van chronische ziekte heeft gemaakt door hem voor deze functie af te wijzen.

Eerder oordeel 2015-135

Het College komt in dit oordeel tot een andere conclusie dan in oordeel 2015-135. In oordeel 2015-135 heeft het College geconcludeerd dat niet was gebleken dat diabetes een absolute contra-indicatie vormde om als militair te worden aangesteld. Ook in dit oordeel geldt dat het enkele feit dat de man diabetes heeft, niet maakt dat hij per definitie ongeschikt is voor deze functie. Echter de Minister toont hier aan dat het feit dat de man vanwege de diabetes medicijnafhankelijk is, wel maakt dat hij niet geschikt is voor de militaire functie bastrombonist.

Oordeel

De Minister van Defensie heeft jegens een man geen verboden onderscheid gemaakt op grond van handicap of chronische ziekte.


Oordeel 2022-93

Datum: 18 augustus 2022

Dossiernummer: 2021-0228

Oordeel in de zaak van

[….]

wonende te [….], verzoeker

tegen

De Minister van Defensie

gevestigd te ‘s-Gravenhage, verweerder

1 Verzoek

Verzoeker vraagt het College om te beoordelen of verweerder jegens hem verboden onderscheid op grond handicap of chronische ziekte heeft gemaakt door hem op 16 december 2019 af te wijzen voor de functie van militaire bastrombonist vanwege het feit dat hij diabetes mellitus type 1 heeft.

2 Verloop van de procedure

2.1 Het College heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • verzoekschrift van 16 april 2021, ontvangen op 19 april 2021;
  • brief van verzoeker van 11 juni 2021;
  • e-mail van verweerder van 20 oktober 2021.

2.2 Gelet op de aard en inhoud van de e-mail van verweerder, heeft het College eerst de ontvankelijkheid van verzoeker beoordeeld, wat heeft geleid tot een tussenoordeel op 29 maart 2022 (met als kenmerk 2022-30). Het College heeft vastgesteld dat verzoeker gedeeltelijk ontvangen kan worden in zijn verzoek om een oordeel.

2.3 Op 21 april 2022 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

2.4 Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juni 2022. Partijen zijn verschenen. Verweerder werd vertegenwoordigd door [….], senior adviseur bijzondere rechtspositie, die werd vergezeld door [….], bedrijfsarts kwaliteitsbureau medische keuringen van het Dienstencentrum personeelslogistiek, en [….], commandant ondersteuningsgroep Commando Landstrijden.

3 Feiten

3.1 Voor een volledige weergave van de feiten verwijst het College mede naar de feiten opgenomen in de oordelen 2022-30 en 2015-135. Hierna volgt een beknopt feitenrelaas relevant voor dit oordeel.

3.2 In 2007 is bij verzoeker diabetes mellitus type 1 geconstateerd. Verweerder huurt verzoeker vanaf 2003 regelmatig in als zelfstandige zonder personeel (hierna: zzp’er) voor werkzaamheden als bastrombonist bij diverse defensieorkesten. Verweerder stelt verzoeker op 1 juni 2016 voor drie jaar aan als burgerambtenaar voor de functie van bastrombonist in een militair orkest. Verweerder verlengt deze aanstelling niet, zodat deze op 1 juni 2019 van rechtswege eindigt.

3.3 Op 25 november 2019 solliciteert verzoeker naar de militaire functie van bastrombonist bij de Fanfare Bereden Wapens te Vught. Verweerder wijst verzoeker op 16 december 2019 voor deze functie af. Verweerder schrijft verzoeker hierover op 29 januari 2020: “De reden waarom we uw sollicitatie niet verder in behandeling nemen is gelegen in het feit dat ons bekend is dat u om medische redenen niet kan voldoen aan de aanstellingseisen voor militairen. (…)”

4 Standpunt verzoeker

Verweerder heeft jegens verzoeker verboden onderscheid gemaakt op grond van zijn chronische ziekte door hem af te wijzen voor de militaire functie van bastrombonist. Verweerder werpt op dat verzoeker vanwege zijn diabetes niet kan voldoen aan functie-eisen, dit terwijl verzoeker jarenlang uitstekend de functie van bastrombonist heeft vervuld. Verweerder stelt aan de bastrombonist onterecht dezelfde zware functie-eisen die gelden voor operationeel militairen, terwijl het om een puur ceremoniële functie gaat.

5 Standpunt verweerder

Verweerder betwist dat hij verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van handicap of chronische ziekte. Ook de militair muzikant dient als militair ambtenaar te kunnen bijdragen aan de grondwettelijke taakuitoefening van de krijgsmacht. Om zeker te stellen dat de militairen in de basis hun rol binnen de taakuitoefening van de krijgsmacht kunnen uitoefenen, gelden de ‘militaire basiseisen’. Deze basiseisen zijn voor alle militaire functies gelijk en omvatten ook zogenoemde belastbaarheidseisen. Deze houden onder meer verband met de medische geschiktheid voor het zijn van militair ambtenaar. Verzoeker kan niet aan deze eisen voldoen zodat hij niet geschikt is voor de functie van militair muzikant.

6 Beoordeling

6.1 Verzoeker heeft diabetes mellitus type 1. Dit is een chronische ziekte in de zin van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ).

6.2 Het is verboden om onderscheid te maken op grond van handicap of chronische ziekte bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking (artikel 4, aanhef en onderdeel a, WGBH/CZ, in samenhang met artikel 1 van deze wet). Onder ‘de behandeling bij de vervulling’ valt de afwijzing voor een functie. Het College toetst de voorliggende vraag aan het wettelijk kader van de WGBH/CZ.

Is verzoeker geschikt voor de functie?
6.3 Het College begrijpt verweerder aldus, dat hij primair aanvoert dat verzoeker niet geschikt is voor de functie van militaire bastrombonist, nu hij niet voldoet aan de militaire basiseisen.

6.4 In lijn met artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 2000/78/EG is het uitgangspunt van de WGBH/CZ is dat er in beginsel pas sprake kan zijn van verboden onderscheid als vaststaat dat de betrokkene geschikt is voor de functie die in geding is, in de zin van bekwaam, in staat en beschikbaar (dit wordt wel aangeduid als de ongeschiktheidsexceptie). Hieruit volgt dat geen sprake is van onderscheid als een werknemer vanwege zijn handicap of chronische ziekte niet (langer) geschikt is voor het uitvoeren van de wezenlijke taken van een functie, tenzij er een doeltreffende aanpassing mogelijk is (vergelijk HvJ EG (thans HvJ EU) 11 juli 2006, ECLI:EU:C:2006:456, zaak C-13/05 (Chacón Navas/Eurest Colectividades SA), JAR 2006/191, Kamerstukken II 2001/02, 28 169, nr. 3, p. 10, en zie onder meer College voor de Rechten van de Mens 25 november 2021, oordeel 2021-140, overweging 5.6). In dergelijke gevallen wordt er onderscheid gemaakt op basis van wezenlijke functievereisten en niet op grond van handicap of chronische ziekte. Het HvJ EU heeft reeds verschillende malen geoordeeld dat het bezit van bijzondere fysieke capaciteiten in beginsel een ‘wezenlijk en bepalend beroepsvereiste’ in de zin van artikel 4, eerste lid, Richtlijn 2000/78/EG kan vormen voor de uitoefening van bepaalde beroepen (zie in die zin HvJ EU 12 januari 2010, zaak C-229/08, ECLI:EU:C:2010:3 (Wolf), punt 40; HvJ EU 13 november 2014, zaak C-416/13, ECLI:EU:C:2014:2371 (Vital Pérez), punten 40 en 41, en HvJ EU 15 november 2016, zaak C-258/15, ECLI:EU:C:2016:873 (Salaberria Sorondo), punt 36 en HvJ EU 15 juli 2021, zaak C‑795/19, ECLI:EU:C:2021:606 (Tartu Vangla), punt 31. Een dergelijke eis aangaande bijzondere fysieke capaciteiten moet dan wel een legitiem doel dienen en evenredig zijn aan dat nagestreefde doel. In punt 34 van dit laatstgenoemde arrest onderstreept het HvJ EU dat een overheidsdienst – het betrof het gevangeniswezen – niet kan worden gedwongen om personen in dienst te nemen of te houden die niet de vereiste capaciteiten bezitten om alle taken te kunnen verrichten die zij wellicht zullen moeten vervullen met het oog op de legitieme doelstelling van handhaving van het operationele karakter van deze diensten.

6.5 De vraag die dus eerst voorligt is dan ook of verzoeker in staat is om de bij de functie horende wezenlijke functietaken te vervullen. Hierover verschillen partijen van mening. Het College constateert dat deze vraag, in de specifieke omstandigheden van deze zaak, in wezen overlapt met de vraag of verweerder gerechtigd is om de functie van bastrombonist binnen een defensie-orkest als een militaire functie aan te merken en daarvoor de militaire basiseisen te laten gelden. Het onderscheid waarover verzoeker klaagt vloeit immers voort uit deze keuze van verweerder.

6.6 Ten aanzien van deze beide vragen overweegt het College als volgt. De functie waarop verzoeker in november 2019 heeft gesolliciteerd is een functie als beroepsmilitair bij een fanfareorkest van de Koninklijke Landmacht. Uit de vacaturetekst volgt dat de primaire taak van het orkest is om militaire ceremonies op te luisteren. Ook worden er concerten gegeven, wordt deelgenomen aan taptoes en wordt medewerking verleend aan diverse andere evenementen. Het orkest verzorgt optredens in zowel binnen-als buitenland. Onder de functie-eisen staat dat de kandidaat bereid is om een specialistische militaire basisopleiding te volgen.

6.7 Verzoeker voert aan dat hij in staat is om alle wezenlijke functietaken te vervullen. Hij heeft jarenlang als bastrombonist binnen een militair orkest gefunctioneerd, waarbij het feit dat hij diabetes heeft daaraan geen afbreuk heeft gedaan. Verzoeker stelt dat verweerder onterecht dezelfde zware functie-eisen stelt aan de bastrombonist binnen een militair orkest als aan de operationeel militair. Hij voert daarbij aan dat hij of zijn collega-muzikanten gedurende zijn jarenlange functioneren als bastrombonist binnen een militair orkest niet in een gevaarlijke omgeving hebben hoeven werken. Ook voert hij aan dat er binnen de diverse militaire orkesten collega-muzikanten werkzaam zijn – en aangesteld zijn als militair ambtenaar – die ook diabetes hebben of een andere chronische ziekte en dat deze collega’s hun werk uitstekend kunnen doen.

6.8 Verweerder erkent dat verzoeker in de perioden dat hij als zzp-er bij militaire orkesten werd ingehuurd en later, toen hij voor enkele jaren als burgerambtenaar binnen een militaire orkest was aangesteld, als bastrombonist goed werk heeft verricht. Verweerder betwist echter dat verzoeker een militaire functie kan vervullen. Dat verzoeker in het verleden verschillende perioden als zzp-er (die niet hoefde te voldoen aan de militaire basiseisen) is ingehuurd had te maken met de noodzaak om vacante plaatsen binnen orkesten op korte termijn op te vullen om optredens te kunnen blijven verzorgen. Dat verzoeker vervolgens enige jaren als burgerambtenaar heeft kunnen en mogen functioneren binnen een militair orkest was onderdeel van de afspraken die met verzoeker zijn gemaakt naar aanleiding van het oordeel 2015-135 van het College. Verweerder heeft echter de principiële keuze gemaakt dat ook orkestleden primair militair ambtenaar zijn en indien nodig beschikbaar moeten zijn voor andere, militaire en niet-militaire taken, die de krijgsmacht te vervullen kan krijgen. Bij dit laatste kan gedacht worden aan de inzet van de krijgsmacht tijdens de Covid-19 pandemie en de overstromingen in Limburg. Orkestleden worden in principe niet naar de frontlinies gestuurd. Zij kunnen wel naar zogenoemde uitzendgebieden worden gestuurd, bijvoorbeeld om een muzikale laatste eer te bewijzen aan gevallen militairen. Dit kan in een gebied zijn waar dreiging is. Daarnaast geldt dat niet alleen de bastrombonist, maar ook de militair ambtenaar die een bureaufunctie vervult, altijd als militair opgeroepen kan worden om ingezet te worden in een crisis- of oorlogsgebied. Verweerder erkent dat dit in de afgelopen jaren niet is gebeurd, maar wijst erop dat dit voor de toekomst ook niet kan worden uitgesloten.

Verweerders keuze om de orkestfunctie aan te merken als een militaire functie
6.9 Het College stelt voorop dat verweerder een ruime vrijheid toekomt bij de inrichting van zijn organisatie en het vaststellen van de te verrichten werkzaamheden. Deze zienswijze is in lijn met de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie o.m. CRvB 21 februari 2019, ECLI:NL:2019:578, r.o. 4.3 en CRvB 3 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BW0276, r.o. 2.3.2) en met de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 16 juli 2021 (zaaknummer SGR 21/2882, r.o. 7). De Rechtbank heeft in deze uitspraak het beroep behandeld van verzoeker, waarbij een gelijksoortige klacht over het handelen van verweerder voorlag. Deze vrijheid hangt nauw samen met de grondwettelijke taak van verweerder die volgt uit artikel 97 Grondwet. Daarin is bepaald dat er, ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, een krijgsmacht is. Tot die bescherming van de belangen van het Koninkrijk behoren, naast de algemene verdedigingstaak, ook verschillende andere taken, zoals de militaire bijstandstaak op grond van artikel 58 e.v. Politiewet 2012, de hulpverlening door militairen aan burgers in nood, de bijstandsverlening bij rampenbestrijding en andere vormen van hulpverlening (K.T. Meijer, ‘Artikel 97 Krijgsmacht’, in: E.M.H. Hirsch Ballin, E.J. Janse de Jonge & G. Leenknegt (red.), Uitleg van de Grondwet, Den Haag: Boom juridisch 2021, p. 981).

Dient deze keuze een legitiem doel?
6.10 Het is primair aan verweerder om de krijgsmacht samen te stellen, waaronder de beslissing valt om een functie al dan niet als een militaire functie aan te merken. Het College maakt uit het betoog van verweerder op dat de keuze om het lidmaatschap van de militaire orkesten en bijvoorbeeld ook bepaalde bureaufuncties aan te merken als militaire functies moet worden bezien tegen de achtergrond dat de krijgsmacht in plotselinge situaties moet kunnen beschikken over voldoende personen die, in binnen- en buitenland, voor het brede palet aan militaire en niet-militaire taken kunnen worden ingezet, dus ook voor taken die niet tot hun dagelijkse of gebruikelijke werkzaamheden behoren. Daarmee staat de door verweerder gemaakte keuze in rechtstreeks verband met de grondwettelijke taak van de krijgsmacht en dient deze een legitiem doel.

Staat deze keuze in evenredige verhouding tot dat legitieme doel?
6.11 Vervolgens moet worden bezien of de keuze van verweerder in de specifieke situatie van verzoeker in evenredige verhouding staat tot dat nagestreefde doel. Hoewel er in dit geval wellicht geen sprake is van een ‘absolute’ noodzaak voor verweerder om de functie van musicus binnen een defensie orkest als militaire functie aan te merken –op zich is het denkbaar dat verweerder deze functies als burgerfuncties zou aanmerken of ruimhartig uitzonderingen op het voldoen aan de militaire basiseisen zou toelaten en op andere wijze zou voorzien in voldoende militaire ambtenaren voor het uitvoeren van de krijgsmachtstaken – oordeelt het College dat verweerder de noodzakelijkheid van deze keuze voldoende heeft beargumenteerd en aangetoond. Dit mede in het licht van de voor de krijgsmacht beschikbare financiële middelen, die weliswaar recentelijk zijn toegenomen, maar geenszins onbeperkt zijn. Uit de WGBH/CZ kan in ieder geval geen zodanig verstrekkende verplichting worden afgeleid dat verweerder deze keuze niet zou mogen maken. In dit verband kent het College gewicht toe aan het gegeven dat ook op andere plaatsen binnen het Nederlandse rechtsstelsel vanwege het bijzondere karakter van de functie van militair ambtenaar op een enigszins afwijkende wijze uitvoering wordt gegeven aan wettelijke verplichtingen. Dit is bijvoorbeeld zichtbaar bij de toepassing van de Wet op de medische keuringen (WMK). In normale omstandigheden mag een medische keuring zich slechts richten op specifieke medische vereisten die relevant zijn voor de taken die verricht moeten worden in een bepaalde functie. Voor militaire ambtenaren geldt echter de uitzondering dat voor alle militaire functies, ongeacht het concrete takenpakket binnen een functie, een keuring mag plaatsvinden op de totale operationele inzetbaarheid als militair (zie: Kamerstukken II 1997/98, 25 648, nr. 3, p. 1).

6.12 Toegespitst op het nadeel dat verzoeker ondervindt van de door verweerder gemaakte keuze en op de belangafweging die als onderdeel van de evenredigheidstoets moet plaatsvinden, overweegt het College dat het belang dat verweerder met zijn keuze dient zo nauw samenhangt met en ten dienste staat aan het karakter en bijzondere takenpakket van de krijgsmacht dat dit als zwaarwegender moet worden aangemerkt dan het belang van verzoeker om niet te worden benadeeld vanwege zijn handicap of chronische ziekte. Het feit dat er enkele militaire orkestleden zijn die, net als verzoeker, een chronische ziekte hebben, en desalniettemin als militair ambtenaar konden aanblijven maakt niet dat de noodzaak of redelijkheid van de eis dat bij nieuwe vacatures binnen de orkesten gezocht wordt naar personen die kunnen voldoen aan de eisen voor militaire ambtenaren onvoldoende is aangetoond. Verweerder heeft aangevoerd dat bij deze militairen hun ziekte zich pas heeft ontwikkeld gedurende de militaire aanstelling. Verweerder handelt bij het in dienst houden van deze militairen vanuit een bijzondere zorgplicht als ambtelijk werkgever (een zorgplicht die mede zijn basis vindt in de jurisprudentie van het HvJ EU, zie HvJ EU 15 juli 2021, zaak C‑795/19, ECLI:EU:C:2021:606 (Tartu Vangla), punt 50-51). Hun situatie kan dan ook niet op één lijn worden gezet met de situatie van verzoeker. Er is dus geen sprake van gelijke gevallen. Ook volgt het College verweerder in zijn belang om de groep ‘niet inzetbare militairen’ van de krijgsmacht zo klein mogelijk te houden om te voorkomen dat een te grote druk wordt gelegd op de inzetbare militairen.

Conclusie
6.13 Het College stelt vast dat verzoeker in verband met zijn diabetes niet kan voldoen aan de functie-eisen die gelden voor de aanstelling als militair ambtenaar. Daarbij volgt het College de toelichting ter zitting van de bedrijfsarts kwaliteitsbureau medische keuringen, dat dit niet is gebaseerd op het enkele feit dat verzoeker diabetes heeft, maar dat hij daardoor medicatie afhankelijk is. Verzoeker heeft ter zitting toegelicht dat hij inderdaad regelmatig injecties met insuline nodig heeft. Het College overweegt dat nu verzoeker daardoor niet in staat is om de wezenlijke functietaken van een militaire functie te vervullen, hij niet geschikt is voor de militaire functie van bastrombonist. Daarmee komt het College tot het oordeel dat verweerder jegens verzoeker geen onderscheid heeft gemaakt op grond van handicap of chronische ziekte door hem af te wijzen voor deze functie. De overige argumenten van partijen behoeven daarmee geen verdere beoordeling.

6.14 Het College overweegt ten overvloede nog als volgt. Het College komt in het onderhavige oordeel tot een andere conclusie dan in het oordeel 2015-135. Het verschil is erin gelegen dat het College in oordeel 2015-135 heeft geconcludeerd dat niet was gebleken dat het hebben van diabetes een absolute contra-indicatie vormde om als militair bastrombonist te worden ingezet. Ook in dit oordeel geldt dat het enkele feit dat verzoeker diabetes heeft, niet maakt dat hij per definitie ongeschikt is voor de functie. Echter verweerder toont hier aan dat het feit dat verzoeker vanwege de diabetes medicijnafhankelijk is, wel maakt dat hij niet geschikt is voor de militaire functie.

7 Oordeel

De Minister van Defensie heeft jegens [….] geen verboden onderscheid gemaakt op grond van handicap of chronische ziekte.

Aldus gegeven te Utrecht op 18 augustus 2022 door mr. M. Chébti LL.M, voorzitter, mr. dr. J.P. Loof en mr. C.G. ter Veer, leden van het College voor de Rechten van de Mens, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Hester, secretaris.





mr. M. Chébti LL.M        

mr. S.B. Hester

Samenvatting oordeel