Foodhall Breda B.V. discrimineerde een man van Syrische afkomst met de islamitische geloofsovertuiging niet bij de verhuur van een unit. Foodhall behandelde de discriminatieklacht van de man zorgvuldig.

Foodhall Breda B.V. discrimineerde een man van Syrische afkomst met de islamitische geloofsovertuiging niet bij de verhuur van een unit. Foodhall behandelde de discriminatieklacht van de man zorgvuldig.

Oordeelnummer 2022-94
Datum: 22-08-2022
Trefwoord: Horeca Klachtbehandeling Bewijslast Ras Aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen en diensten Bejegening Godsdienst Aanbieden goederen en diensten Ontvankelijkheid Huren/verhuren Islam
Discriminatiegrond: Ras Godsdienst
Terrein: Goederen en diensten - Overige
Regelingen: Artikel 7 lid 1 AWGB Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) Artikel 1 AWGB Artikel 10 AWGB Artikel 7 AWGB

Situatie

Een man is van Syrische afkomst en moslim. Foodhall Breda B.V. exploiteert een ‘Foodhall’, waarin verschillende horecagelegenheden gevestigd zijn hun diensten aanbieden. De man huurt vanaf maart 2019 een unit in de Foodhall om maaltijden te verkopen. Vanaf september 2019 treedt een marketingmanager aan om de Foodhall te promoten. De man stelt dat de marketingmanager hem heeft gediscrimineerd. Ook vindt hij dat de Foodhall zijn klacht hierover niet zorgvuldig heeft behandeld. De Foodhall betwist beide onderdelen van de klacht.

Beoordeling

Juridisch kader

Het is de Foodhall verboden om onderscheid op grond van ras of godsdienst te maken bij het verhuren van units. Onder het verbod valt ook het verbod van discriminatoire bejegening. Het is aan de man om feiten aan te voeren die discriminatie kunnen doen vermoeden. Daarin slaagt hij niet.

Discriminatoire bejegening door de marketingmanager?

Het College moet beoordelen of de marketingmanager zich schuldig heeft gemaakt aan discriminatoire bejegening. Om dit aan te nemen, moet sprake zijn van de situatie dat de man vanwege zijn afkomst of godsdienst als minderwaardig is weggezet of anderszins in een negatief daglicht is geplaatst. Daarbij zijn onder meer de context en de aard van de uitingen en de toonzetting van belang.

Vast staat dat de marketingmanager tegen de man heeft gezegd: ik wil hier geen moslims meer. Ook heeft hij gezegd: laat de deur maar open, het is hier niet zo warm als in Syrië. De man zegt dat sprake is van discriminatoire bejegening. De marketingmanager betwist dit en zegt dat hij dit als grap heeft gezegd. Volgens de Foodhall en de marketingmanager paste dit soort uitspraken binnen de sfeer omdat de man zelf ook dit soort grappen maakte. Hoewel het overduidelijk is dat de man de uitspraken niet als grap heeft gehoord, is in deze specifieke context niet gebleken van de situatie dat de marketingmanager de man hiermee als minderwaardig heeft weggezet of in een negatief daglicht heeft geplaatst. Het College wil hier wel benadrukken dat discriminatie een complex verschijnsel is. Zo gaan personen, die niet tot een raciale of andere minderheid behoren, doorgaans uit van een ander discriminatiebegrip dan degenen die zich gediscrimineerd voelen. Eerstgenoemde groep begrijpt discriminatie overwegend als een actieve afkeer van, of terughoudendheid tegenover specifieke groepen. Maar voor degenen die zich gediscrimineerd voelen kan, wat als een gewone of neutrale opmerking of grap wordt bedoeld, overkomen als discriminatie wanneer de opmerking of grap vanuit een andere invalshoek wordt bezien. Sommige opmerkingen kunnen onbedoeld en onbewust tot gevolg hebben dat personen die tot een bepaalde minderheid behoren zich apart gezet of uitgesloten voelen.

Vraag om Zwarte Piet te spelen

De man voert aan dat de marketingmanager hem heeft gediscrimineerd omdat aan hem is gevraagd om Zwarte Piet te spelen, wat volgens de man te maken heeft met zijn Syrische afkomst. De man onderbouwt dit volgens het College niet. Het was de floormanager van de Foodhall en niet de marketingmanager die de man heeft gevraagd om Zwarte Piet te spelen. Bovendien is deze vraag aan alle horecaondernemers in de Foodhall gesteld, ongeacht afkomst. Daarom is van discriminatie niet gebleken.

Beeltenis van Trump in de unit

Eind 2019 stond er een grote kartonnen beeltenis van Donald Trump in de unit van de man. De man vermoedt dat de marketingmanager erachter zat. De marketingmanager betwist dit. Omdat de man zijn vermoeden niet kan onderbouwen, is van discriminatie niet gebleken.

Klachtbehandeling

Onder het verbod om onderscheid te maken op grond van ras of godsdienst valt ook de verplichting dat een aanbieder van goederen en diensten, zoals de Foodhall, een discriminatieklacht zorgvuldig moet behandelen.

De man heeft bij de eigenaar van de Foodhall geklaagd over discriminatoire bejegening door de marketingmanager. Vast staat dat de eigenaar van de Foodhall meerdere gesprekken heeft geregeld tussen de man en de marketingmanager. Ook staat vast dat de man en de marketingmanager elkaar in bijzijn van de eigenaar de hand hebben geschud en dat de man zei dat het voor hem goed was. Het College is van oordeel dat de Foodhall hiermee de discriminatieklacht van de man zorgvuldig heeft behandeld.

Oordeel

Foodhall Breda B.V. heeft geen verboden onderscheid gemaakt jegens een man op grond van ras of godsdienst.


Oordeel 2022-94

Datum: 22 augustus 2022

Dossiernummer: 2021-0528

Oordeel in de zaak van

[. . . .]

wonende te [. . . .], verzoeker

tegen

Foodhall Breda B.V.

gevestigd te Breda, verweerster

1 Verzoek

Verzoeker vraagt het College om te beoordelen of verweerster jegens hem verboden onderscheid op grond van ras en/of godsdienst heeft gemaakt, door hem bij de verhuur van een eetlocatie discriminatoir te hebben bejegend en door zijn discriminatieklacht niet zorgvuldig te hebben behandeld.

2 Verloop van de procedure

2.1 Het College heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • verzoekschrift van 15 september 2021, ontvangen op dezelfde dag;
  • e-mail van verzoeker van 21 oktober 2021;
  • e-mail van verzoeker van 25 november 2021;
  • e-mail van verzoeker van 5 december 2021;
  • verweerschrift van 3 juni 2022;
  • twee e-mails van verweerster van 29 en 30 juni 2022.

2.2 Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juli 2022. Partijen zijn verschenen. Voor verzoeker was B. Diani, tolk Arabisch-Nederlands, aanwezig. Verweerster werd vertegenwoordigd door [. . . .], eigenaar, die werd vergezeld door [. . . .], marketingmanager.

3 Feiten

3.1 Verzoeker is van Syrische afkomst en is moslim. Verweerster exploiteert een ‘Foodhall’. In de Foodhall bieden verschillende horecagelegenheden hun diensten aan. Verzoeker huurt vanaf 11 maart 2019 van verweerster een unit in de Foodhall om falafels en andere etenswaar te verkopen. Hiertoe sluiten partijen op 14 februari 2019 een huurovereenkomst in de zin van artikel 7:290 Burgerlijk Wetboek (huur/verhuur van bedrijfsruimte).

3.2 Vanaf september 2019 maakt verweerster gebruik van de diensten van [. . . .] (hierna: de marketingmanager) om de Foodhall te promoten.

3.3 Op 12 januari 2020 stuurt verzoeker een e-mail naar de eigenaar van verweerster met een klacht over de marketingmanager. Verzoeker schrijft: “Today after I delivered your lunch to your office and after I asked you to close the door or to leave it open (de marketingmanager) said to me loudly while there were costumers eating their food close to the doors, don’t you have doors in Syria (…). It is the third incident of discrimination/humiliation in public (…).”

3.4 Op 15 maart 2020 sluit de Foodhall in verband met de Covid-19 pandemie. Vanaf 1 juni 2020 is de Foodhall heropend. Verzoeker heropent zijn unit/zaak niet. Vanaf 20 november 2020 wordt verzoekers unit ontruimd.

3.5 Verzoeker doet op 25 juni 2021 bij de politie aangifte van discriminatie door de marketingmanager. Op 2 juli 2021 bericht de politie hem dat de zaak niet in behandeling wordt genomen. Verzoeker wendt zich tot Stichting Radar met een discriminatieklacht, waarna Stichting Radar op 6 augustus 2021 een e-mail naar verweerster stuurt in het kader van een ‘hoor-wederhoor’-procedure. Naar aanleiding van de reactie van verweerster voert Radar op 15 februari 2022 een bemiddelingsgesprek met verzoeker, de eigenaar van verweerster en de marketingmanager.

4 Discriminatoire bejegening?

Standpunt verzoeker
De eigenaar van verweerster en zijn vrouw begroetten iedereen in de Foodhall behalve verzoeker. De marketingmanager heeft zich jegens verzoeker verschillende keren agressief, intimiderend en discriminatoir uitgelaten. Zo stelde hij vragen over de oorlog in verzoekers land van herkomst en zei hij: Ik wil hier in de Foodhall geen moslims meer. Ook zei hij, als antwoord op een vraag van verzoeker of hij de deur zou sluiten of zou openlaten: Hebben jullie geen deuren in Syrië. Daarnaast is verzoeker gediscrimineerd doordat aan hem begin december 2019 is gevraagd om Zwarte Piet te spelen. Ook trof verzoeker eind december 2019 een kartonnen beeltenis van Donald Trump in zijn unit aan.

Standpunt verweerster
Verweerster betwist dat sprake is geweest van discriminatie. Juist vanuit de gedachte van het concept Foodhall geeft verweerster personen met een multiculturele achtergrond de gelegenheid om een onderneming op te bouwen. Verzoeker heeft opmerkingen en vragen van de marketingmanager uit de context gehaald. Daarbij speelt mee dat door een taalbarrière miscommunicatie is ontstaan.

Beoordeling

Ontvankelijkheid
4.1 Het College beoordeelt ambtshalve of het verzoeker kan ontvangen in zijn verzoek om een oordeel omdat als juridisch uitgangspunt geldt dat verzoeker in een rechtsverhouding heeft gestaan met verweerster als ondernemer.

4.2 In beginsel kunnen alleen natuurlijke personen een verzoek om een oordeel bij het College indienen en geen rechtspersonen (zie Kamerstukken II 1991-1992, 22014, nr. 5, p. 87/88, bij artikel 10, tweede lid, onder a, Wet College voor de rechten van de mens). Verzoeker heeft (onder de naam ‘Moudi’s’, en later ‘Mo’s falafel’) als ondernemer een huurovereenkomst met verweerster gesloten, teneinde in een unit in de Foodhall etenswaar te verkopen. Omdat Moudi’s een eenmanszaak is, kan het College verzoeker toch ontvangen in zijn verzoek om een oordeel. Een eenmanszaak heeft geen rechtspersoonlijkheid en is een economische activiteit van een natuurlijke persoon die de onderneming drijft. Een onderscheid dat jegens een eenmanszaak wordt gemaakt, raakt de verzoeker dan ook persoonlijk (zie ook: College voor de Rechten van de Mens, 22 juni 2020, oordeel 2020-48, overweging 6.2, en College voor de Rechten van de Mens, 30 december 2012, oordeel 2013-180, overweging 3.3). Verzoeker is daarom ontvankelijk in zijn verzoek om een oordeel.

Juridisch kader
4.3 Het is verboden om onderscheid op grond van ras of godsdienst te maken bij het aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen of diensten en bij het sluiten, uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten ter zake, indien dit geschiedt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (artikel 7, eerste lid, onder a, van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB), in samenhang met artikel 1 AWGB). Verweerster verhuurt in de uitoefening van een bedrijf units in de Foodhall, wat is te rekenen tot het aanbieden van diensten in de zin van bovengenoemd wettelijk kader.

4.4 Het College legt het begrip ‘ras’ in de AWGB overeenkomstig het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie, ruim uit. Het begrip omvat tevens huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming (zie: Kamerstukken II 1990-91, 22 014, nr. 3, p. 13). Het begrip ‘godsdienst’ dient overeenkomstig het door de Grondwet en mensenrechtenverdragen gewaarborgde recht op vrijheid van godsdienst ruim te worden uitgelegd en omvat niet alleen het huldigen van een geloofsovertuiging, maar ook het zich er naar kunnen gedragen (zie: Kamerstukken II 1990/91, 22 014, nr. 5, p. 39-40, vgl. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 29). Verzoeker voert aan dat hij discriminatoir is bejegend op grond van zijn Syrische afkomst en Islamitische geloofsovertuiging. Hij kan dan ook een beroep doen op de bescherming van de AWGB.

4.5 Onder het verbod om onderscheid te maken bij het aanbieden van goederen en diensten valt mede de verplichting om zich daarbij te onthouden van discriminatoire bejegening. In dit kader dienen aanbieders van goederen en diensten er op toe te zien dat ook degenen over wie zij gezag uitoefenen zich onthouden van discriminatoire bejegening (zie: College voor de Rechten van de Mens 30 juni 2015, 2015-76, overweging 3.3, en College voor de Rechten van de Mens, 16 december 2013, 2013-165, overweging 3.3).

4.6 Verzoeker klaagt mede over discriminatoire bejegening door de marketingmanager. Hoewel de marketingmanager niet in dienst is van verweerster, kan zijn handelen rechtstreeks aan verweerster worden toegerekend. Verweerster heeft de marketingmanager –op interim basis- ingehuurd en hem de opdracht gegeven om de Foodhall te promoten. De marketingmanager heeft deze taak uitgevoerd uit hoofde van verweerster en ten behoeve van de Foodhall en de horecaondernemers van de Foodhall als collectief. Het College overweegt dat, als discriminatoire bejegening door de marketingmanager zou komen vast te staan, dit direct aan verweerster wordt toegerekend.

4.7 Het is op basis van de bewijslastverdeling tussen partijen aan verzoeker om feiten aan te voeren die discriminatoire bejegening op grond van ras of godsdienst kunnen doen vermoeden. Als verzoeker hierin slaagt, is het aan verweerster om te bewijzen dat zij niet in strijd met de AWGB heeft gehandeld (artikel 10, eerste lid, AWGB).

Feiten aangevoerd die discriminatoire bejegening kunnen doen vermoeden?

Niet begroeten door de eigenaar van verweerster?
4.8 Verzoeker voert aan dat de eigenaar van verweerster en zijn vrouw hem niet hebben begroet en andere ondernemers in de Foodhall wel. Verweerster betwist dit. Omdat verzoeker zijn standpunt niet heeft onderbouwd met bewijs, concludeert het College dat geen feiten zijn komen vast te staan die onderscheid kunnen doen vermoeden. Bovendien geldt nog dat verzoeker geen verband aannemelijk heeft gemaakt tussen het door hem gestelde handelen van de eigenaar en zijn Syrische afkomst of geloofsovertuiging. Daarom oordeelt het College dat hier niet is gebleken van discriminatoir handelen door verweerster.

Twee discriminatoire uitspraken van de marketingmanager?
4.9 Het College zal beoordelen of de marketingmanager zich schuldig heeft gemaakt aan discriminatoire uitlatingen. Om discriminatoire bejegening aan te nemen, moet sprake zijn van de situatie dat verzoeker vanwege zijn afkomst of godsdienst als minderwaardig is weggezet of anderszins in een negatief daglicht is geplaatst. Daarbij zijn onder meer de context en de aard van de uitingen en de toonzetting van belang.

4.10 Het College stelt als feit vast dat de marketingmanager in september 2019 heeft gezegd: “Ik wil hier geen moslims meer”. Zowel verzoeker als de marketingmanager verklaren hierover hetzelfde. De stelling van verzoeker, dat de marketingmanager op 12 januari 2020, op zijn vraag, of hij de deur achter zich zou dichtdoen of openlaten, heeft geantwoord: Hebben jullie geen deuren in Syrië?, is niet als feit vast komen te staan. De marketingmanager betwist dat hij deze woorden heeft gebruikt en verzoeker heeft geen bewijs aangedragen ter ondersteuning van zijn kant van het verhaal. De marketingmanager verklaart dat hij heeft gezegd: Laat de deur maar open, het is hier niet zo warm als in Syrië. Het College gaat bij de beoordeling uit van deze uitspraak.

4.11 Op basis van de verklaringen van beide partijen is duidelijk dat verzoeker en de marketingmanager ieder vanuit hun eigen perspectief de woorden hebben gebruikt respectievelijk geïnterpreteerd en dat zij verschillende visies hebben op de betekenis ervan. Vanuit het gezichtspunt van verzoeker is het resultaat hiervan dat de relatie tussen hen beiden in het teken is komen te staan van discriminatoire bejegening, waarbij hij het extra bezwarend vond dat de uitlatingen zijn gedaan in het bijzijn van anderen. Daartegenover staat dat de marketingmanager het als kwetsend ervaart dat hij van zulke bejegening wordt beticht. Hij verklaart dat hij zich vanuit zijn functie inzet om mensen met allerlei nationaliteiten te verbinden en dat het om grappen ging, in reactie op verzoeker die zelf dit soort grappen maakte. Bij dit alles is ook duidelijk geworden dat er een taalbarrière heeft meegespeeld. Zo hebben verzoeker en de marketingmanager vooral in het Engels met elkaar gecommuniceerd, en mede daardoor elkaar op verschillende momenten niet goed begrepen.

4.12 Het College overweegt als volgt. De woorden: “Het is hier niet zo warm als in Syrië”, zijn op zich niet discriminerend van aard. Dat is anders voor de uitspraak: “Ik wil hier geen moslims meer”. Of de uitspraken daadwerkelijk gekwalificeerd moeten worden als discriminatoir hangt af van de toonzetting en de context. Hoewel het duidelijk is dat verzoeker de uitlatingen niet als grap heeft gehoord, verklaren zowel verweerster als de marketingmanager dat het om ludieke uitspraken ging die pasten binnen de sfeer. Het College kan dan ook op dit punt geen feiten vaststellen die kunnen doen vermoeden dat verzoeker is weggezet als minderwaardig of in een negatief daglicht is geplaatst. Wel is volstrekt duidelijk dat verzoeker de betreffende uitlatingen niet humoristisch vond, met name omdat zij gedaan zijn in het bijzijn van anderen. In deze specifieke context is echter niet gebleken van discriminatoire bejegening.

4.13 Het College benadrukt nog wel dat discriminatie een complex verschijnsel is. Personen die niet tot een raciale of andere minderheid behoren, gaan doorgaans uit van een discriminatiebegrip waarin discriminatie wordt begrepen als een actieve afkeer van, of terughoudendheid tegenover specifieke groepen. Het wordt opgevat als min of meer bewuste pogingen om anderen, vanwege bijvoorbeeld hun ras of godsdienst buiten te sluiten, bijvoorbeeld door hen geen baan aan te bieden. Maar degenen die zich gediscrimineerd voelen, gaan vaak uit van een ander discriminatiebegrip. Wat als een gewone of neutrale opmerking of grap wordt bedoeld, kan overkomen als discriminatie wanneer de opmerking of grap vanuit een andere invalshoek wordt bezien. Sommige opmerkingen kunnen onbedoeld en onbewust tot gevolg hebben dat personen die tot een bepaalde minderheid behoren zich apart gezet of uitgesloten voelen. Of ze gaan uit van generaliserende en stereotype denkbeelden die hen het gevoel kunnen geven dat zij op achterstand staan, omdat zij dit stereotype beeld moeten weerleggen (zie College voor de Rechten van de Mens 21 april 2020, 2020-35, overweging 4.6).

Vraag om Zwarte Piet te spelen
4.14 Het College overweegt verder als volgt. Als onbetwist tussen partijen staat vast dat de floormanager van verweerster verzoeker in de week voor 5 december 2019 heeft gevraagd om Zwarte Piet te spelen. Het College is van oordeel dat dit feit op zich niet kan doen vermoeden dat verweerster of de marketingmanager verzoeker heeft gediscrimineerd op grond van zijn afkomst. Verweerster heeft hieromtrent verklaard dat deze vraag aan alle horecaondernemers is gesteld, ongeacht hun afkomst, ter voorbereiding op het Sinterklaasfeest. Verzoeker heeft dit niet betwist. Ook al heeft verzoeker deze vraag als discriminatoir ervaren, van een verband tussen de vraag en zijn Syrische afkomst is daarmee niet gebleken. Bovendien kan verzoeker er niet in worden gevolgd dat het hier om discriminatoir handelen van de marketingmanager ging. Als onbetwist tussen partijen staat vast dat het de floormanager was die verzoeker deze vraag heeft gesteld. Verzoekers standpunt, dat de floormanager in opdracht heeft gehandeld van de marketingmanager en dat de marketingmanager verzoeker vanaf een afstand heeft uitgelachen toen hem de vraag is gesteld, berust op een aanname van zijn kant. Dit wordt betwist door de marketingmanager en verzoeker heeft hiervoor geen bewijs overgelegd. Daarom komt het College tot de conclusie dat hier van discriminatoire bejegening door verweerster of de marketingmanager niet is gebleken.

Beeltenis van Trump
4.15 Vast staat voorts dat er eind 2019 in verzoekers unit een grote kartonnen beeltenis van Donald Trump stond. Dit staat niet ter discussie tussen partijen. Over de wijze waarop die beeltenis in verzoekers unit terecht is gekomen verschillen partijen wel van mening. Verzoeker vermoedt dat de marketingmanager de beeltenis in zijn unit heeft geplaatst. De marketingmanager betwist dat hij hier iets mee te maken heeft gehad. Het College begrijpt dat verzoeker de beeltenis van Trump in zijn unit als discriminerend heeft ervaren vanwege de politieke standpunten van de oud-president van de Verenigde Staten jegens vluchtelingen en moslims. Wat hiervan ook zij, nu verzoeker zijn kant van het verhaal niet heeft onderbouwd met bewijs, is dit niet als feit komen vast te staan. Daarom oordeelt het College dat niet is geleken dat verweerster of de marketingmanager hier iets mee te maken hebben gehad. Voor zover verzoeker meent dat verweerster te kort is geschoten in haar zorgplicht voor een discriminatievrije werkomgeving omdat de beeltenis van Trump in de opslag van de Foodhall stond, overweegt het College als volgt. Verweerster maakt duidelijk dat een van haar horecaondernemers uit de Verenigde Staten, deze beeltenis heeft gebruikt, vrij van discriminatoire doeleinden. Dat deze horecaondernemer de beeltenis vervolgens in de opslag heeft geplaatst, en deze niet is verwijderd, is op zich niet voldoende om discriminatie te kunnen doen vermoeden. Daarom is ook hier niet gebleken van discriminatie op grond van ras of godsdienst.

4.16 Op grond van voorgaande komt het College tot het oordeel dat verweerster bij het verhuren van een unit in de Foodhall jegens verzoeker geen verboden onderscheid heeft gemaakt in de zin van discriminatoire bejegening.

5 Zorgvuldige behandeling discriminatieklacht?

Standpunt verzoeker
Verzoeker heeft enkele keren mondeling geklaagd bij verweerster over discriminatoire bejegening door de marketingmanager. Op 12 januari 2020 heeft hij hierover een e-mail gestuurd: “Today after I delivered your lunch to your office and after I asked you to close the door or to leave it open (de marketingmanager) said to me loudly while there were costumers eating their food close to the doors, “don’t you have doors in Syria”. Hierop heeft verweerster niet adequaat gehandeld.

Standpunt verweerster
Verweerster heeft verzoekers klachten zorgvuldig behandeld. Daarbij heeft verweerster zich vooral ingespannen om de personen in kwestie om de tafel te krijgen en met elkaar te praten.

Beoordeling
5.1 Het verbod om onderscheid te maken in de zin van artikel 7 AWGB houdt niet alleen in dat een aanbieder van goederen of diensten zich moet onthouden van het maken van onderscheid, maar ook dat hij maatregelen moet nemen ter naleving van de AWGB. Onder deze maatregelen wordt ook verstaan dat een klacht over discriminatie zorgvuldig moet worden behandeld (zie onder meer: College voor de Rechten van de Mens, 15 maart 2022, 2022-23, overweging 5.3).

5.2 Vast staat dat verzoeker bij verweerster heeft geklaagd over discriminatoire bejegening door de marketingmanager. Naar het oordeel van het College heeft verweerster deze klacht voldoende zorgvuldig behandeld. Zo staat vast dat de eigenaar van verweerster gesprekken heeft geïnitieerd tussen verzoeker en de marketingmanager. In de gegeven setting, waarbij er korte lijnen zijn in de Foodhall, tussen de eigenaar, de marketingmanager en verzoeker, acht het College dit optreden passend. De eigenaar van verweerster mocht er ook vanuit gaan zij verzoekers klacht hiermee naar behoren heeft afgehandeld, nu als onbetwist vaststaat dat verzoeker en de marketingmanager elkaar in bijzijn van de eigenaar van verweerster de hand hebben geschud. Ook staat als onbetwist vast dat, op de vraag van de eigenaar van verweerster aan verzoeker, of het hiermee voor hem goed was, hij bevestigend heeft geantwoord. Op grond hiervan is het College van oordeel dat geen sprake is van verboden onderscheid bij de klachtbehandeling.

6 Oordeel

Foodhall Breda B.V. heeft geen verboden onderscheid gemaakt jegens [. . . .] op grond van ras of godsdienst.

Aldus gegeven te Utrecht op 22 augustus 2022 door mr. dr. H.J.T.M. Swaanenburg-van Roosmalen, voorzitter, prof. dr. J. Morijn, en mr. R. Grimbergen, leden van het College voor de Rechten van de Mens, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Hester, secretaris.





mr. dr. H.J.T.M. Swaanenburg-van Roosmalen 

mr. S.B. Hester

Samenvatting oordeel